Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2006-03-23
ECLI:NL:RBSGR:2006:AX9645
Bestuursrecht
RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 05/3787 GGH Uitspraakdatum: 23 maart 2006 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X], wonende te [Z], eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente [Q], verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Bij aanslagbiljet nr. 365614882, gedagtekend 31 mei 2004, zijn aan eiser aanslagen van de gemeente [Q] opgelegd over het kalenderjaar 2004 voor een totaal bedrag van € 1.719,22. Dit aanslagbiljet is voorzien van de ondertekening “directeur SVHW”. De afkorting SVHW staat voor het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling. Tegen de op het aanslagbiljet voorkomende aanslag heffing rioolrecht ten bedrage van € 185,- heeft eiser bij brief van 14 juni 2004 bezwaar gemaakt. De directeur SVHW heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2005 de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 4 mei 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht, waar deze brief ter griffie is ingekomen op 24 mei 2005. De rechtbank Dordrecht heeft dit beroepschrift bij brief van 27 mei 2005 doorgezonden aan de rechtbank ‘s-Gravenhage omdat naar haar oordeel deze rechtbank bevoegd is dat beroep te behandelen. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2006 te 's-Gravenhage. Namens verweerder is verschenen mr. E. Blom. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 2 januari 2006, aan eiser op het adres [adres] te [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 4 januari 2006 aan eiser op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. 2. Bevoegdheid van deze rechtbank 2.1. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of zij en niet de rechtbank Dordrecht bevoegd is ter zake van het onderhavige beroep van eiser. Zij beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 2.2. Artikel 231, tweede lid, van de Gemeentewet, welk artikel is neergelegd in paragraaf 4 van hoofdstuk XV van die wet, luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen: a. (…): b. de inspecteur: de gemeenteambteaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen; c. t/m f. (…).” 2.3. Blijkens het door verweerder als bijlage 1 bij het verweerschrift aan de rechtbank ingezonden “Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar” heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Q] bij dat besluit de heer [A] (hierna: [A]), directeur van het SVHW, voor de heffing van de onroerende-zaakbelastingen, rioolrechten, afvalstoffenheffing, reinigingsrechten en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, aangewezen als de gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet en bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat [A] is aangesteld als onbezoldigd ambtenaar van de gemeente [Q]. 2.4. Gelet op de in 2.3. genoemde feiten moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat [A] de door eiser in beroep bestreden uitspraak op bezwaar van 28 januari 2005 heeft gedaan in zijn hoedanigheid van door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Q] aangewezen heffingsambtenaar van die gemeente als bedoeld in voormeld artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet. 2.5. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:7, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is, indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een gemeente, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft bevoegd. 2.6. Hetgeen in 2.4 is overwogen betekent dat de bestreden uitspraak op bezwaar afkomstig is van een bestuursorgaan van de gemeente [Q]. Nu dit bestuursorgaan zetelt in de gemeente [Q] en deze gemeente blijkens artikel 7 van de Wet op de rechterlijke indeling is gelegen in het arrondissement van de rechtbank ’s-Gravenhage, is deze rechtbank ingevolge artikel 8:7 van de Awb bevoegd ter zake van het onderhavige beroep. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn in het verweerschrift getrokken conclusie dat de rechtbank Dordrecht ter zake bevoegd is omdat sprake zou zijn van een besluit van een bestuursorgaan van een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam, namelijk de directeur van het SVHW, dat zijn zetel heeft te [R], gemeente [S], welke gemeente is gelegen binnen het arrondissement van de rechtbank Dordrecht. Daarbij neemt de rechtbank nog het volgende in aanmerking. De gemeenschappelijke regeling SVHW geeft niet aan dat de deelnemende gemeenten de bevoegdheden van de heffingsambtenaar op de voet van artikel 10, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen aan het SVHW hebben overgedragen. Voorts is [A] niet naar de eis van artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet bij of krachtens de gemeenschappelijke regeling SVHW aangewezen als heffingsambtenaar. Derhalve kan in het midden blijven welke gevolgen voor de relatieve competentie zouden moeten worden verbonden aan een dergelijke aanwijzing. 3. Ontvankelijkheid 3.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan op de dag na die van de dagtekening van de uitspraak van de heffingsambtenaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In het tweede lid is bepaald dat een beroepschrift bij verzending per post tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Awb wordt het beroepschrift, indien het wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. In het tweede lid is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is indien in de plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd. Ingevolge het derde lid is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. 3.2. De rechtbank stelt vast dat de in beroep bestreden uitspraak op bezwaar is voorzien van de dagtekening 28 januari 2005. 4.1. Op grond van de gedingstukken stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil de volgende feiten vast. 4.2. Eiser is eigenaar en gebruiker van de woning op het adres [adres] te [Z]. Deze woning is buitendijks gelegen in woonwijk [woonwijk]. Op het bij de woning behorende terrein was gedurende het hele jaar 2004 een septictank aanwezig waarop deze woning was aangesloten. 5.1. Tussen partijen is in geschil of in 2004 vanuit eisers woning aan het adres [adres] direct of indirect afvalwater op de gemeentelijke riolering werd afgevoerd. 5.2. Verweerder stelt dat in woonwijk [woonwijk] in 2004 een (buitendijks) rioolstelsel was gelegen, dat in beheer was bij de gemeente [Q] en uitmondde in de rivier de [rivier]. Voorts stelt verweerder dat in genoemd jaar vanuit eisers woning afvalwater via een septictank werd geloosd op dit rioolstelsel. Ter ondersteuning van deze stelling heeft verweerder bij het verweerschrift een ongedateerde plattegrond van (een deel) van woonwijk [woonwijk] ingezonden waarop rioolbuizen zijn ingetekend, alsmede een tekening van het perceel van eiser gedateerd 16 juni 2005 over de uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot de huisaansluiting op dat perceel. 5.3. Eiser stelt daarentegen dat het uit zijn woning afkomstige afvalwater in het onderhavige jaar via een septictank werd geloosd op de [rivier]. Het hemelwater werd rechtstreeks van het perceel van eiser naar de [rivier] afgevoerd. Hij was betrokken bij de bouw van de eerste vijf nagenoeg identieke woningen in [woonwijk] zodat hij precies weet hoe de rioolbuizen van de septictank en het hemelwater waren aangesloten. De tien later in de wijk gebouwde woningen hadden geen septictank en waren van meet af aan op de gemeenteriolering aangesloten. 5.4. Het beroep van eiser strekt tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag heffing rioolrecht tot nihil. 5.5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.P.F. Slijpen en mr. G.J. van Leijenhorst en in tegenwoordigheid van mr. C.D. Loen, griffier. Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 6.1. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening rioolrecht 2004 van de gemeente [Q] (hierna: de Verordening) wordt onder de naam “rioolrecht” geheven een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 6.2. Ter zitting heeft verweerder aan de hand van de hiervoor in 5.2 genoemde tekening van 16 juni 2005 naar voren gebracht dat daaruit kan worden afgeleid dat de woning van eiser in 2004 door middel van een reeds aanwezige verbinding in de vorm van een pvc-buis met een doorsnede van 125 mm vanuit de septictank was aangesloten op het buitendijks gelegen gemeentelijk rioolstelsel. Verweerder acht het niet mogelijk dat op een andere wijze vanuit de woning van eiser afvalwater werd geloosd op de rivier de [rivier]. 6.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan de hand van de hiervoor in 6.1. genoemde tekening aannemelijk gemaakt dat de woning in 2004 op de in 6.1. beschreven wijze was aangesloten op het buitendijks gelegen gemeentelijk rioolstelsel. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op deze tekening met het oog op de volgens de tekening uit te voeren werkzaamheden in een kader is vermeld dat de bestaande septictank buiten werking wordt gesteld, dat deze wordt leeggezogen en gevuld met zand en dat een goede verstoppingsvrije aansluiting wordt gemaakt tussen in- en uitgaande leiding met een pvc-buis met een doorsnede van 125 mm. Daarin ligt naar het oordeel van de rechtbank besloten dat in de situatie ter plaatse vóór uitvoering van bedoelde werkzaamheden reeds een uitgaande leiding vanuit de septictank aanwezig was. In dit licht bezien acht de rechtbank met verweerder aannemelijk dat deze uitgaande leiding op de tekening is weergegeven met een in zuidelijke richting vanaf de septictank getrokken stippellijn die aansluit op de met een doorgetrokken lijn weergegeven gemeentelijke rioolbuis van pvc met een doorsnede van 200 mm. 6.4. Gelet op hetgeen is overwogen in 6.2. heeft verweerder terecht geconcludeerd dat in 2004 overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Verordening vanuit de woning van eiser afvalwater op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 6.5. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard. 7. Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.