Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2011-11-08
ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3916
Bestuursrecht
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 11/33608 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2011 inzake [eiser], geboren op [datum] 1983, van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende te Rotterdam in het detentiecentrum, eiser, gemachtigde mr. R.M. Seth Paul, tegen de minister voor Immigratie en Asiel, te Den Haag, verweerder, gemachtigde mr. F.M. Ticheler. <b>Procesverloop</b> Op 13 oktober 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld. Op 18 oktober 2011 heeft eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts heeft hij om schadevergoeding verzocht. De zaak is behandeld op de zitting van 31 oktober 2011, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Bij fax van 2 november 2011 heeft de gemachtigde van eiser gemotiveerd verzocht om heropening van het onderzoek. Op 3 november 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht op de fax van 2 november 2011 te reageren. Verweerder heeft dit op 4 november 2011 gedaan. In dit verband heeft verweerder een proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2011 overgelegd. Op diezelfde datum heeft de gemachtigde van eiser gereageerd op de reactie van verweerder. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek op 7 november 2011 gesloten. <b>Overwegingen</b> 1. Eiser voert - kort weergegeven – aan dat H.J. Schep, inspecteur van het regionaal politiekorps Rotterdam-Rijnmond (hierna: Schep), het telefoongesprek tussen eiser en zijn toenmalige advocaat mr. W.P.R. Peeters (hierna: Peeters) heeft bijgewoond door tijdens dit gesprek permanent in dezelfde ruimte te verblijven als eiser. Hierdoor is artikel 104 van de Vw 2000 geschonden, hetgeen tot de onrechtmatigheid van de bewaring moet leiden. Op dezelfde grond is de bewaring van de vreemdeling [vreemdeling] (hierna: [vreemdeling]), met wie eiser tegelijkertijd was staande gehouden, opgeheven. Door de bewaring van eiser door te laten lopen, handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voorts stelt eiser dat de staandehouding op vreemdelingrechtelijke titel heeft plaatsgevonden, terwijl er op dat moment geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Eiser betwist voorts de gronden van de maatregel. Ten slotte stelt eiser dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat en waarom hij heeft afgezien van de mogelijkheid om te volstaan met het opleggen van een lichter middel. 2. De rechtbank overweegt als volgt. 3. Schep relateert in het proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2011, voor zover hier relevant, dat hij eiser in een lege verhoorruimte heeft laten plaatsnemen om telefonisch contact op te nemen met Peeters. Na het intikken van het telefoonnummer heeft Schep de hoorruimte direct verlaten en heeft hij de toegangsdeur gesloten. Na een aantal minuten heeft hij op de deur geklopt en deze iets geopend om eiser aan te geven dat hij zich moest houden aan de tijd die hem vergund was om met Peeters te spreken. Dit in verband met het feit dat de ruimte ook door andere vreemdelingen gebruikt moest worden. Daarna heeft Schep de deur weer gesloten en enkele minuten gewacht. Schep heeft daarna weer op de deur geklopt en deze iets geopend om eiser er andermaal op te attenderen dat eiser het gesprek diende te beëindigen. Hierop heeft eiser de telefoonhoorn aangereikt aan Schep. Schep heeft de hoorn aangenomen en hij heeft een kort gesprek gevoerd met Peeters. 4. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat hij van Schep had vernomen dat vorengenoemd incident niet met eiser, maar met [vreemdeling] had plaatsgevonden. Schep heeft in het proces-verbaal van bevindingen toegelicht dat hij ten tijde van het gesprek met de gemachtigde van verweerder een vrije dag had en dat hij niet in staat was om de systemen na te kijken. Het was op dat moment de beleving van Schep dat genoemd incident had plaatsgevonden met [vreemdeling]. Bij nader inzien is Schep gebleken dat deze veronderstelling onjuist was en dat het incident weldegelijk eiser betrof. Op basis van deze toelichting acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat Schep zich tegenover de gemachtigde van verweerder aanvankelijk had vergist en dat dientengevolge de gemachtigde van verweerder ter zitting een onjuiste lezing van de gang van zaken heeft gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat Schep en/of de gemachtigde van verweerder moedwillig onjuiste of onvolledige informatie hebben verstrekt, dan wel dat de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen zou zijn afgestemd. 5. De rechtbank stelt vast dat de door Schep gerelateerde gang van zaken niet strijdig is met de inhoud van het verslag dat Peeters heeft opgemaakt van het telefoongesprek tussen eiser en Peeters en tussen Schep en Peeters. In ieder geval blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dat Schep niet gedurende het gehele telefoongesprek tussen eiser en Peeters in dezelfde ruimte als eiser heeft verbleven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat dit wél het geval is geweest, omdat het gespreksverslag van Peeters geen concrete aanknopingspunten biedt ter onderbouwing van deze stelling. 6. De rechtbank gaat derhalve uit van de situatie dat Schep als het ware in het telefoongesprek tussen eiser en Peeters heeft “ingebroken”. Schep heeft dit gedaan om eiser ertoe te bewegen het telefoongesprek met Peeters te beëindigen, omdat de verhoorruimte nog door anderen gebruikt diende te worden. Gelet op de omstandigheden van het geval is het treffen van een dergelijke ordemaatregel niet strijdig met het recht dat artikel 104 van de Vw 2000 aan eiser beoogt te geven. Niet gebleken is dat eiser de mogelijkheid om het gesprek op een ander moment voort te zetten heeft willen benutten, maar dat hem hiertoe door verweerder geen gelegenheid meer is geboden. 7. Het is een gegeven dat met het enkel openen van de deur voor Schep al de mogelijkheid heeft bestaan om kennis te nemen van de inhoud van het gesprek tussen eiser en Peeters. De rechtbank ziet evenwel niet in hoe Schep anders aan eiser duidelijk had moeten maken dat hij zijn gesprek met Peeters diende te beëindigen, dan door de deur van de verhoorruimte kort te openen en eiser de bedoelde mededeling te doen. Daar komt bij dat het proces-verbaal van bevindingen en het gespreksverslag van Peeters aangeven dat eiser en Peeters na het openen van deur door Schep hun gesprek nog maar zeer kort hebben voortgezet en dat Peeters na het wisselen van enkele woorden met eiser aan eiser vroeg of deze de hoorn wilde aanreiken aan Schep. Op basis van deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in zijn belang is geschaad door de enkele mogelijkheid dat Schep gedurende een zeer korte tijd kennis heeft kunnen nemen van het gesprek tussen eiser en Peeters. De situatie van eiser laat zich ook niet vergelijken met de situatie van [vreemdeling], bij wie van een dergelijk “inbreken” in het gesprek met zijn advocaat geen sprake is geweest. 8. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 12 oktober 2011 blijkt dat het pand waar eiser is aangetroffen is bezocht door een zogenoemde vliegende horecacontrole. In deze samenwerkingsvorm tussen onder meer de deelgemeente, de politie, de vreemdelingenpolitie en de belastingsdienst worden horecaondernemingen gecontroleerd op de naleving van verschillende wettelijke bepalingen. In het kader van de algehele opsporings- en controlebevoegdheid is eiser in een horecapand aangetroffen en is hem gevraagd om zich te legitimeren. Eiser heeft toen een verlopen w-document overhandigd.