Rechtspraak Rechtbank 's-Hertogenbosch 1999-08-28
ECLI:NL:RBSHE:1999:AA5043
Bestuursrecht
Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak AWB 98/6299 WRB Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 juncto artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen mevrouw A, wonende te B, eiseres, gemachtigde mr. L.C.M. Vedder, advocaat te Berlicum, en de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, verweerder. I. PROCESVERLOOP Bij aanvraag d.d. 2 juni 1998 is namens eiseres bij het aan verweerder verbonden bureau rechtsbijstandvoorziening een toevoeging aangevraagd terzake rechtsbijstand, te verlenen bij een aanvraag van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, althans een vergunning tot verblijf om medische redenen. Bij besluit van 3 juni 1998 heeft het bureau de aanvraag afgewezen. Tegen dat besluit is namens eiseres administratief beroep ingesteld bij verweerder op grond van artikel 45, lid 1, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Bij besluit van 3 augustus 1998 heeft verweerder dat administratief beroep ongegrond verklaard. Namens eiseres is tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarna namens eiseres is gerepliceerd. Vervolgens hebben partijen over en weer gereageerd. Tenslotte heeft verweerder op verzoek van de rechtbank nog gegevens in het geding gebracht. Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege laten van de behandeling van het beroep ter zitting, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat uitspraak zal worden gedaan op grond van de gedingstukken. II. OVERWEGINGEN In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het besluit tot ongegrondverklaring van het administratief beroep tegen de afwijzing van de toevoegingsaanvraag in rechte stand kan houden. Blijkens de gedingstukken ligt aan deze ongegrondverklaring het standpunt ten grondslag dat voor het aanvragen van een vergunning tot verblijf uitsluitend een toevoeging verleend kan worden indien de rechtzoekende met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling wordt bedreigd. Namens eiseres is daartegen aangevoerd dat in redelijkheid niet van haar gevergd kan worden dat zij zonder begeleiding een vergunning tot verblijf aanvraagt. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij een vertrouwensband heeft opgebouwd met haar gemachtigde en dat zij gebukt gaat onder psychische klachten, waardoor het niet van haar gevraagd kan worden zich nu weer tot een andere rechtsbijstandverlener te wenden. Ten slotte heeft eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. In vergelijke gevallen zijn volgens eiseres wel toevoegingen afgegeven. Verweerder heeft in reactie op de stellingen van eiseres erkend dat in twee met de situatie van eiseres vergelijkbare gevallen wel een toevoeging is afgegeven. Verweerder heeft echter aangevoerd dat de verlening van deze twee toevoegingen moet worden gezien als kennelijke misslag, waaraan eiseres geen rechten kan ontlenen. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en sub d, van de Wrb kan afgifte van een toevoeging geweigerd worden indien het verzoek een rechtsprobleem betreft dat eenvoudig afgehandeld kan worden. Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wrb heeft de wetgever bij algemene maatregel van bestuur omtrent de toepassing van artikel 28 van de Wrb nadere regels gesteld in het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt). Artikel 8, aanhef en sub a, van het Brt luidt als volgt: " Geen toevoeging wordt verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor: het indienen van een aanvragen om toelating tot Nederland op grond van de Vreemdelingenwet, tenzij de rechtzoekende met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling wordt bedreigd of de aanvraag betrekking heeft op een verzoek om toelating als vluchteling en niet kan worden volstaan met het verlenen van rechtsbijstand tijdens een spreekuur dat voorafgaat aan het gehoor.". Uit deze bepaling volgt dat geen toevoeging kan worden verleend voor de aanvraag van een vergunning tot verblijf, niet zijnde aanvraag om toelating als vluchteling, indien de rechtzoekende niet met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling wordt bedreigd. In het onderhavige geval is niet gebleken dat eiseres met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling bedreigd werd. Op grond van de strikte formulering van artikel 8, aanhef en sub a., van het Brt diende het bureau rechtsbijstandvoorziening de toevoegingsaanvraag van eiseres dan ook in beginsel af te wijzen. Desondanks kan het bestreden besluit om na te melden reden geen stand houden. Namens eiseres is gemotiveerd en onder het over leggen van bescheiden betoogd dat het bureau rechtsbijstandvoorziening in meerdere gevallen waarin er, net zoals in het onderhavige geval, geen dreiging met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling was en de aanvrager van de toevoeging te kampen had met door de behandelende artsen geconstateerde ernstige psychische problemen, wel een toevoeging heeft verleend. De rechtbank heeft verweerder vervolgens onder meer verzocht om aan te geven: hoeveel toevoegingsaanvragen in de jaren 1997 en 1998 zijn ingediend terzake rechtsbijstand te verlenen bij het aanvragen van een vergunning tot verblijf (niet zijnde aanvraag toelating als vluchteling); hoeveel van deze aangevraagde toevoegingen vervolgens zijn verleend; in hoeveel van die gevallen (verleende toevoegingen) de rechtzoekende daadwerkelijk met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling werd bedreigd. Uit de door verweerder verstrekte gegevens is vervolgens uitsluitend gebleken dat het bureau rechtsbijstandvoorziening in 1997 en 1998 in een groot aantal gevallen toevoegingen voor het aanvragen van een vergunning tot verblijf (niet zijnde een vergunning tot toelating als vluchteling) heeft verleend. Verweerder heeft echter geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag in hoeveel van deze gevallen daadwerkelijk sprake was van dreiging met onmiddellijke uitzetting. Gelet op de gemotiveerde stellingen van eiseres valt geenszins uit te sluiten dat het bureau ten tijde van de onderhavige toevoegingsaanvraag nog in een groot aantal gevallen toevoegingen heeft verleend in gevallen waarin geen sprake was van dreiging met onmiddellijke uitzetting of inbewaringstelling, zeker waar het ging om klemmende gevallen zoals het geval van eiseres. Van een rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling is niet gebleken. Nu verweerder de stellingen van eiseres op dit punt niet heeft bestreden, moet aangenomen worden dat ten tijde van de onderhavige toevoegingsaanvraag geen sprake was van een consistente toepassing van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Brt. Het gevolg daarvan is dat het in die tijd van toeval leek af te hangen of een toevoegingsaanvraag terzake rechtsbijstand te verlenen bij een aanvraag van een vergunning tot verblijf zou worden gehonoreerd indien de rechtzoekende, zoals eiseres, te kampen had met ernstige psychische problemen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat ten tijde van de onderhavige toevoegingsaanvraag de besluitvorming van het bureau over dit soort klemmende gevallen zozeer in strijd was met de eis van een consistente beleidsvoering dat het thans bestreden besluit in strijd moet worden geacht met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb besloten liggende verbod van willekeur. De rechtbank zal het beroep van eiseres daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voorts zal de rechtbank verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opdragen om een nieuw besluit te nemen op het administratief beroep van eiseres.