ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ4452
RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 05/4487
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2006
inzake
[eiser]
te [adres]
eiser,
[gemachtigde]
tegen
de Raad voor Rechtsbijstand,
te 's-Hertogenbosch,
verweerder,
[gemachtigde]
Bij brief van 13 juli 2006 heeft eiser aan verweerder verzocht om toestemming om meer dan het gebruikelijk aantal uren aan een strafzaak te besteden wegens de bewerkelijkheid daarvan. In de bij deze brief gevoegde begroting is het aantal extra uren geschat op tien.
Bij besluit van 19 juli 2005 heeft verweerder afwijzend op deze aanvraag beslist.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 augustus 2005 bij verweerder bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 november 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 december 2005, ontvangen ter griffie op 20 december 2005, beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het beroep is behandeld ter zitting van 2 november 2006, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.F.P. Smeets, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2006.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Afschriften verzonden:
1. In dit geding is aan de orde vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden heeft gehandhaafd zijn weigering om aan eiser toestemming te geven om meer dan het gebruikelijke aantal uren te besteden aan een strafzaak wegens de bewerkelijkheid ervan.
2. Het wettelijk kader is als volgt.
3. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) heeft de Raad voor Rechtsbijstand onder meer tot taak het nemen van besluiten op aanvragen om rechtsbijstand en die om verlening van toevoegingen alsmede de vaststelling en uitbetaling van vergoedingen aan rechtsbijstandverleners.
4. Ingevolge artikel 37, vijfde lid, van de Wrb kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld met betrekking tot onder meer het bedrag van de vergoeding en de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald, de aanvraag van de vergoeding en de besluitvorming daarover, alsmede de vaststelling en de wijziging van de vergoeding.
5. Ingevolge artikel 14 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr 2000) wordt aan een strafzaak het aantal punten toegekend dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.
In voornoemde bijlage wordt voor strafzaken betreffende misdrijven waarvan de kennisneming in eerste aanleg heeft of zou hebben plaatsgevonden door de enkelvoudige kamer het aantal punten op 6 bepaald. Voor strafzaken die door de meervoudige kamer worden of zouden worden behandeld is het aantal punten op 8 bepaald.
6. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Bvr 2000 wordt, indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bureau de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.
7. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Bvr 2000, voorzover hier van belang, dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de tijdgrens een aanvraag in bij het bureau tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel stemt het bureau geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.
8. De rechtbank overweegt ambtshalve allereerst het volgende.
9. Bij wet van 4 december 2003, Stb. 502 (in werking getreden op 1 mei 2004) is de Wrb in dier voege gewijzigd, dat de voordien bij het onder verweerder ressorterende bureau rechtsbijstandsvoorziening berustende bevoegdheid tot onder meer het afgeven van toevoegingen en het vaststellen van de vergoeding, aan verweerder zijn toegekend. Verzuimd is evenwel de desbetreffende voorschriften van Bvr 2000 aan genoemde wetswijziging aan te passen. In die voorschriften wordt immers nog steeds het bureau (rechtsbijstandsvoorziening) als het ter zake van de vaststelling van de vergoeding bevoegde orgaan genoemd. De rechtbank ziet hierin aanleiding die voorschriften zo te lezen als ware de daarin genoemde bevoegdheid aan verweerder toegekend. Nu het ook verweerder is die deze bevoegdheid heeft uitgeoefend, is in het vorenstaande geen grond gelegen om tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan.
10. Voorts wordt het volgende overwogen.
11. Partijen houdt verdeeld de vraag of sprake is van een zogeheten bewerkelijke zaak.
12. Eiser stelt zich op het standpunt dat hiervan sprake is en dat hij aldus toestemming dient te krijgen om meer dan het gebruikelijke aantal uren (achttien) dat voor een enkelvoudige strafzaak staat, te kunnen declareren. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor het gecompliceerde karakter van de betrokken zaak, verband houdende met de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van zijn cliënte wegens het niet naleven van de schorsingsvoorwaarden. Nu zijn cliënte het niet naleven van die voorwaarden ontkent, zijn onder meer nadere werkzaamheden noodzakelijk gebleken, zoals het horen van getuigen. Ook diende nadere medische informatie te worden opgevraagd ten einde een (hernieuwd) verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis op te kunnen onderbouwen. In verband met het voorgaande heeft eiser er voorts op gewezen dat de onderhavige strafzaak uitsluitend bij de politierechter aanhangig kon worden aangebracht als gevolg van de recente uitbreiding van de rechtsmacht van de politierechter tot het opleggen van een gevangenisstraf van een jaar en dat deze zaak voor de toepassing van de artikelen 22 en 31 van het Bvr 2000 als een meervoudige strafzaak moet worden beschouwd.
13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek van eiser op grond van het gevoerde beleid niet voor inwilliging in aanmerking komt en er geen gronden zijn die afwijking van het door hem ter zake gevoerde beleid rechtvaardigen.
14. Teneinde de kosten in bewerkelijke zaken te kunnen beheersen, is voorzien in een begrotingsprocedure. Deze is geregeld in artikel 31 van het Bvr 2000. Op grond van deze bepaling dient de rechtsbijstandverlener tegen de tijd dat de tijdgrens voor een bewerkelijke zaak wordt bereikt, zowel een aanvraag in te dienen tot vaststelling van de vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden als een begroting met betrekking tot de tijdsbesteding van naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.
15. Het is ingevolge artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 ter beoordeling van verweerder of de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend. Komt verweerder tot de conclusie dat zulks het geval is dan zal geheel of gedeeltelijk met de ingediende begroting worden ingestemd (en de zaak aldus als bewerkelijk worden aangemerkt).
16. Om tot die conclusie te kunnen komen is het blijkens de Nota van Toelichting bij artikel 31 van het Bvr 2000 (Stb. 1999, 580, p. 38) noodzakelijk dat de begroting betrekking heeft op een doelmatig vervolg van de werkzaamheden. Blijkens diezelfde Nota is daarvan sprake wanneer de zaak een zodanig karakter heeft dat de behandeling in redelijkheid niet binnen de tijdgrens heeft plaats kunnen vinden en nog de begrote tijd vergt.
17. Ten aanzien van deze vraag voert verweerder een beleid zoals neergelegd in het Handboek Vergoedingen. In de beoordeling wordt onder meer betrokken de juridische en/of feitelijke gecompliceerdheid van de zaak. Een zaak wordt, blijkens het Handboek Vergoedingen, juridisch ingewikkeld geacht indien binnen het bereik van de toevoeging rechtsvragen beantwoord moeten worden die uitzonderlijk van aard zijn en zich zelden voordoen. Een zaak wordt feitelijk ingewikkeld geacht indien zich een veelheid van juridisch relevante feiten voordoet binnen het bereik van de toevoeging. Naar ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld (zie onder meer haar uitspraak van 21 juni 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: AX9070) kan dit beleid niet onredelijk worden geacht.
18. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de door eiser geschetste feiten en omstandigheden geen aanleiding geven voor het oordeel dat sprake is van rechtsvragen van uitzonderlijke aard of van een veelheid van juridisch relevante feiten. Daarbij is in aanmerking genomen dat het strafbare feit waarvan eisers cliënte werd verdacht (belaging, strafbaar gesteld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht) in zijn algemeenheid niet als juridisch of feitelijk complex kan worden gekenschetst, terwijl evenmin aannemelijk is gemaakt dat de onderhavige zaak in dit opzicht bijzonder is.