Rechtspraak Rechtbank Utrecht 2008-04-22
ECLI:NL:RBUTR:2008:BD1943
Bestuursrecht
RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/3065 en SBR 07/3066 uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 22 april 2008 in de zaak van [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder. Inleiding 1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 september 2007 (hierna: het bestreden besluit I), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 28 maart 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van eiseres met ingang van 29 mei 2007 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR 07/3065. 1.2 Eiseres heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 september 2007 (hierna: het bestreden besluit II), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 28 maart 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemde brief heeft verweerder de ten behoeve van eiseres opgestelde re-integratievisie van 27 maart 2007 aan haar gezonden. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR 07/3066. 1.3 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 6 maart 2008, waar eiseres noch haar gemachtigde is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het Uwv. De rechtbank Utrecht, 3.1 verklaart het beroep geregistreerd onder SBR 07/3065 ongegrond, 3.2 verklaart het beroep geregistreerd onder SBR 07/3066 gegrond, 3.3 vernietigt het bestreden besluit II, 3.4 verklaart het bezwaar tegen de brief van 28 maart 2007 alsnog niet-ontvankelijk, 3.5 bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, 3.6 bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ad € 39,- aan haar vergoedt, 3.7 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in SBR 07/3066 ten bedrage van € 322,- te betalen door het Uwv aan eiseres. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2008. De griffier: De rechter: mr. K. de Waard mr. B.J. van Ettekoven Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten. SBR 07/3065 2.1 Eiseres is op 22 november 1999 uitgevallen voor haar fulltime werk als beoordelaar Algemene kinderbijslagwet in opleiding bij de Sociale verzekeringsbank in verband met vermoeidheid en pijnklachten in haar houdings- en bewegingsapparaat ten gevolge van een brommerongeval in 1994. Per einde wachttijd is zij door verweerder minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht en is aan haar een WAO-uitkering geweigerd. Naar aanleiding van een ziekmelding in 2002 in verband met rugklachten, bekkenklachten na twee zwangerschappen en depressieve gevoelens, is aan eiseres met ingang van 31 januari 2003 een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 2.2 De verzekeringsarts A. de Kok heeft eiseres in het kader van een herbeoordeling onderzocht op zijn spreekuur. In zijn rapport van 2 februari 2007 geeft hij aan dat het klachtenpatroon van eiseres niet wezenlijk is gewijzigd, en dat de objectieve onderbouwing van de somatische klachten onverminderd beperkt is. Voorts geeft hij aan dat er naast de psychische problematiek, die leidt tot beperkingen, ook sprake is van een duidelijk ziekterolgedrag. De verzekeringsarts acht bij eiseres duurzaam benutbare mogelijkheden aanwezig. Wel heeft eiseres volgens hem beperkingen, met name in het persoonlijk functioneren. De verzekeringsarts stelt de diagnose depressie (licht), somatisering en licht agorafobisch beeld. Van PTSS, zoals eerder aangenomen door de psychiater B.N. Vliegenthart, lijkt volgens de verzekeringsarts geen sprake. 2.3 In zijn rapport van 30 augustus 2007 acht de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal eiseres - op basis van dossierstudie - evenmin volledig arbeidsongeschikt. Volgens de bezwaarverzekeringsarts bestaat er een flinke discrepantie tussen hetgeen eiseres aan klachten ervaart en hetgeen bij onderzoek is te objectiveren. Van de door eiseres geclaimde concentratie- en geheugengebreken is bij onderzoek niets gebleken, aldus de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts bevestigt het oordeel van de primaire verzekeringsarts en heeft zijn bevindingen neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 september 2007. 2.4 Eiseres heeft in beroep samengevat aangevoerd dat haar belastbaarheid op de datum in geding te optimistisch is ingeschat door verweerder. In dat kader heeft zij in algemene zin verwezen naar de in het dossier aanwezige informatie. Voorts is eiseres van mening dat zij, gelet op haar beperkingen, niet in staat was en is tot het verrichten van de door verweerder geduide functies. 2.5 Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde mensen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder eerstgenoemde arbeid wordt ingevolge het vijfde lid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. 2.6 De rechtbank ziet in de beschikbare medische gegevens onvoldoende aanleiding om het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts - tot wier specifieke deskundigheid het behoort om op grond van de beschikbare medische gegevens beperkingen ter zake van het verrichten van arbeid vast te stellen - in twijfel te trekken. De rechtbank merkt hierbij op dat verzekeringsarts, blijkens zijn verslag van 2 februari 2007, eiseres lichamelijk heeft onderzocht en de door haar vermelde klachten en behandelingen bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank wijst er voorts op dat uit het rapport van 30 augustus 2007 van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat deze het eerder gegeven medische oordeel door de verzekeringsarts uitvoerig heeft heroverwogen, waarbij hij de voorhanden zijnde informatie van de behandelende sector in zijn beoordeling heeft betrokken. Gelet hierop zijn de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank gedegen te werk gegaan en is sprake van zorgvuldig onderzoek waarbij voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van eiseres. De rechtbank is niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts in de FML van 3 september 2007 de belastbaarheid van eiseres heeft overschat. 2.7 Verweerder heeft eiseres uiteindelijk geschikt geacht voor de functies productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), productiemedewerker textiel (Sbc-code 272043) en huishoudelijk medewerker (Sbc-code 111333). De rechtbank stelt vast dat de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk in de rapportage van 20 september 2007 uitvoerig en toereikend heeft gemotiveerd dat de geduide functies de belastbaarheid van eiseres niet overschrijden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de bezwaararbeidsdeskundige alle voorkomende signaleringen 'M' in het formulier Resultaat functiebeoordeling van een afzonderlijke motivering heeft voorzien. De in het kader van het arbeidskundig onderzoek door de (bezwaar)arbeidsdeskundige aan eiseres voorgehouden functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de voor eiseres vastgestelde beperkingen. Uit het arbeidskundig onderzoek blijkt voorts dat eiseres een zodanig inkomen kan verdienen (haar verdienvermogen) met de functies waarop de schatting is gebaseerd, dat zij 55 tot 65% arbeidsongeschikt moet worden geacht. 2.8 Hetgeen door eiseres in beroep tegen de WAO-schatting is aangevoerd, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit I. Het beroep geregistreerd onder SBR 07/3065 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. SBR 07/3066 2.9 Eiseres betoogt in beroep dat zij buiten staat is de in het kader van de WAO-schatting geduide functies te verrichten en dat een re-integratie derhalve niet aan de orde is. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of de in geding zijnde re-integratievisie is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.10 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) heeft het Uwv tot taak uitvoering te geven aan onder meer de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Ingevolge onderdeel b van artikel 30, eerste lid, heeft het Uwv tevens tot taak te bevorderen dat personen die recht hebben op een uitkering op grond van de in onderdeel a genoemde wetten, worden ingeschakeld in het arbeidsproces.