Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2013-09-26
ECLI:NL:RBZWB:2013:7361
Bestuursrecht
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 13/2032 WET uitspraak van 26 september 2013 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser], te [vestigingsplaats], eiseres, gemachtigde: mr. drs. J.J. Jaspers, en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit) van de minister inzake een opgelegde boete wegens een overtreding van de Geneesmiddelenwet (Gw). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 augustus 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger]. De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het primaire besluit; bepaalt de hoogte van de bestuurlijke boete op € 10.000,=; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 318,= aan eiseres te vergoeden; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 944,=. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, voorzitter, en mrs. T. Peters en M. Breeman, leden, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is een dental depot/groothandel die farmaceutische producten levert aan tandheelkundige professionals in de Benelux, Duitsland en Frankrijk. Zij beschikt over een groothandelaarsvergunning ingevolge de Wet op de geneesmiddelenvoorziening voor het uitsluitend afleveren aan tandartsen van farmaceutische producten die in de uitoefening van hun beroep worden gebruikt. Bij een algemeen inspectiebezoek op 4 april 2012 is geconstateerd dat door eiseres rechtstreeks geneesmiddelen worden afgeleverd aan tandartsen. Het betreft geneesmiddelen met de classificatie UR (uitsluitend recept). Bij brief van 10 september 2012 heeft de minister eiseres erop gewezen dat zij daarmee een overtreding van de Gw heeft begaan die beboetbaar is. De minister heeft eiseres medegedeeld voornemens te zijn een boete op te leggen van € 19.000,=. Eiseres heeft daartegen haar zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de minister bij besluit van 5 oktober 2012 (primair besluit) een boete aan eiseres opgelegd van € 19.000,=. Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 2. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat de minister heeft gehandeld in strijd met het beginsel van fair play. Voorts heeft de minister onduidelijk en onvoldoende gemotiveerd op welke wijze het boetenormbedrag is bepaald. Daarnaast heeft de minister volgens eiseres de procesbeschrijving ten aanzien van boetedifferentiatie onjuist toegepast. 3. Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Gw worden geneesmiddelen door de groothandelaar slechts afgeleverd aan andere groothandelaren en aan degenen die bevoegd zijn de desbetreffende geneesmiddelen ter hand te stellen. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Gw voor zover relevant is het eenieder verboden, onverminderd hetgeen elders in deze wet is bepaald, UR-geneesmiddelen te koop aan te bieden of ter hand te stellen, met uitzondering van: apothekers die hun beroep in een apotheek uitoefenen; huisartsen die in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in het tiende of elfde lid; daartoe bij ministeriële regeling aangewezen personen en instanties in de in de regeling bedoelde omstandigheden. Ingevolge artikel 1, eerste lid, sub s, van de Gw wordt onder een UR-geneesmiddel verstaan: een geneesmiddel dat uitsluitend op recept ter hand mag worden gesteld. 4. Op 1 juli 2007 is de Gw in werking getreden. Op grond van de Gw mag een groothandelaar UR-geneesmiddelen niet (meer) rechtstreeks aan tandheelkundige professionals leveren, maar dient de levering via een apotheker te geschieden. Eiseres heeft in beroep toegelicht dat zij daarop haar distributiewijze heeft aangepast. Bestellingen van tandheelkundige professionals die UR-geneesmiddelen bevatten, worden door eiseres doorgestuurd naar de apotheek. De beherend apotheker beoordeelt de aanvraag en geeft zijn akkoord, waarna de geneesmiddelen, tezamen met de overige door eiseres te leveren producten, bij de tandheelkundige professional worden afgeleverd. Door eiseres wordt niet betwist dat de hiervoor geschetste werkwijze in strijd is met het bepaalde in artikel 61, eerste lid, van de Gw. Dat betekent dat de minister terecht heeft aangenomen dat eiseres de Gw heeft overtreden en dat de minister in beginsel bevoegd moet worden geacht om een bestuurlijke boete aan eiseres op te leggen. 5. In artikel 101 van de Gw is bepaald dat Onze Minister een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste € 450.000 ter zake van overtreding van onder meer artikel 39 en 61. In artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. 6. De minister bepaalt de hoogte van de boete op basis van de Beleidsregels bestuurlijke boete Gw (de Beleidsregels). Het interne boetedifferentiatiebeleid Gw geeft verder uitwerking aan de Beleidsregels. Op grond van de Beleidsregels zou een geval van overtreding van artikel 39, tweede lid, van de Gw ‘rechtstreeks naar het Openbaar Ministerie (OM)’ moeten gaan. De inspectie heeft echter met het OM een samenwerkingsprotocol IGZ-OM afgesloten, waarin het uitgangspunt is neergelegd dat bestuursrechtelijke handhaving prevaleert boven het inzetten van strafrechtelijke instrumenten. De minister heeft in dat verband ter zitting toegelicht dat achtergrond van die afspraak is, dat het opleggen van een bestuurlijke boete voor de overtreder gunstiger is dan het inzetten van een strafrechtelijk traject. De Beleidsregels zijn als zodanig naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk. Evenwel dient de minister volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3664 ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin opgenomen boetebedragen in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met hetgeen is bepaald in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de boete voldoet aan de eisen van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb en dus leidt tot een evenredige sanctie. 7. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiseres geen aanleiding om een verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Eiseres was op de hoogte van de inwerkingtreding van de Gw en de daarin opgenomen gewijzigde werkwijze voor groothandelaren. Zij wist dat er discussie bestond over de door haar aangepaste distributiewijze. Dat is immers met haar besproken bij een inspectie op 23 juni 2009. Dat eiseres daarna niet zelf heeft geïnformeerd bij de minister, toen zij niets meer van de minister vernam, moet voor haar rekening en risico blijven. Overigens volgt de rechtbank eiseres ook niet in haar stelling dat de minister onduidelijk is geweest in zijn standpunt ten aanzien van de uitleg van artikel 39, tweede lid, van de Gw. De minister heeft met zijn uiteenzetting in het verweerschrift voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf het begin het standpunt heeft ingenomen dat de dentale groothandelaren net als andere groothandelaren moeten voldoen aan de Gw en dat hij geen uitzondering voor deze branche heeft willen maken. 8. De minister heeft ter zitting toegelicht dat in de Beleidsregels is gekozen voor drie categorieën: de waarschuwing (de lichtste categorie), de boete zonder waarschuwing en het strafrechtelijk traject (de zwaarste categorie). De economische delicten vallen onder de zwaarste categorie en zouden dus volgens de Beleidsregels aan het Openbaar Ministerie moeten worden voorgelegd voor het inzetten van een strafrechtelijk traject. Een overtreding van artikel 39, tweede lid, van de Gw wordt ingevolge artikel 1 van de Wet op de economische delicten als een economisch delict aangemerkt.