Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2016-08-03
ECLI:NL:RBZWB:2016:4936
Civiel recht
vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: C/02/305374 / HA ZA 15-631 Vonnis van 3 augustus 2016 in de zaak van de maatschap KESSELS ADVOCATEN, gevestigd te Breda, eiseres, advocaat mr. M. van Alphen te Breda, tegen 1de naamloze vennootschap ABN AMRO N.V., gevestigd te Amsterdam, 2. de naamloze vennootschapGMAC NEDERLAND N.V., gevestigd te Rotterdam, 3. de stichting STICHTING ALLEE WONEN, gevestigd te Roosendaal, 4. [gedaagde sub 4]wonende te [woonplaats] , 5. de naamloze vennootschap AGIS ZORGVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Amersfoort, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IDM FINANCIERINGEN B.V., gevestigd te Amsterdam, 7. de naamloze vennootschap FORTIS HYPOTHEEK BANK N.V., gevestigd te Rotterdam, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEHKAMP B.V., gevestigd te Zwolle, verweersters, advocaat mr. A. Robustella. Partijen zullen hierna Kessels en Abn c.s. genoemd worden. 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 20 januari 2016; het proces-verbaal van de op 14 juni 2016 gehouden comparitie en de ter gelegenheid daarvan door partijen overgelegde pleitaantekeningen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2.1. Kessels vordert dat haar verzoek in de bij deze rechtbank aanhangige rangregelingsprocedure (zaaknummer / rekestnummer: C/02/301325 / HA RK 15-108) wordt toegewezen, aldus dat de rechtbank beveelt dat de beslagen beëindigingsvergoeding exclusief aangewend dient te worden om daaruit de vordering van Kessels op [belanghebbende] te voldoen, met veroordeling van Abn in de kosten van de procedure, vermeerderd met rente. 2.2. Abn c.s. voert verweer. 2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten: Abn c.s. hebben in de periode januari 2009/januari 2014 bij verschillende exploten krachtens artikel 475 Rv executoriaal derdenbeslag gelegd voor verschillende geldvorderingen op de heer [belanghebbende] op – voor zover hier van belang – alle vorderingen die [belanghebbende] op dat moment had of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zou verkrijgen op zijn werkgever, de besloten vennootschap Philip Morris Nederland BV (hierna: Philip Morris). De exploten zijn alle uitgebracht op een moment dat [belanghebbende] op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst was van Philip Morris. In juni 2014 is een Sociaal Plan tot stand gekomen tussen Philip Morris en verschillende vakbonden. In het Sociaal Plan is overeengekomen dat Philip Morris ‘boventallige’ werknemers een voorstel zal doen (in de vorm van een concept-beëindigingsovereenkomst) ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met het aanbod om een in het Sociaal Plan bepaalde vergoeding te betalen. Op grond van het Sociaal Plan hebben Philip Morris en [belanghebbende] een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarbij Philip Morris zich heeft verbonden om aan [belanghebbende] een vergoeding van € 19.700,44 te betalen. Bij exploot van 28 augustus 2014, nadat Philip Morris en [belanghebbende] de voormelde beëindigingsovereenkomst hadden gesloten, heeft Kessels krachtens artikel 475 Rv executoriaal derdenbeslag gelegd voor een geldvordering op [belanghebbende] van € 3.824,06, vermeerderd met rente en kosten, op al hetgeen [belanghebbende] van Philip Morris op dat moment te vorderen had of uit een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zou verkrijgen op zijn werkgever, waaronder expliciet de vordering die [belanghebbende] zou verkrijgen uit hoofde van het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst met Philip Morris. Op verzoek van Kessels heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij beschikking van 29 juni 2015 een rechter-commissaris benoemd ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden van de door Philip Morris aan [belanghebbende] verschuldigde beëindigingsvergoeding van € 19.700,44. Bij beschikking van 22 juli 2015 heeft de rechter-commissaris vastgesteld dat uit de beëindigingsvergoeding de vordering van Kessels integraal dient te worden voldaan en dat het na voldoening resterende bedrag aan [belanghebbende] zal worden uitbetaald. De rechter-commissaris heeft daarnaast een dag en tijdstip bepaald waarop belanghebbenden tegenspraak kunnen doen. Abn c.s. hebben op de door de rechter-commissaris bepaalde dag tegenspraak gedaan. In het proces-verbaal van rangregeling is vermeld dat Abn c.s. worden toegelaten in de rangregeling. De rechter-commissaris heeft de zaak op grond van artikel 486 lid 1 Rv naar de zitting van de rechtbank verwezen teneinde op het geschil te beslissen. 3.2. Tussen partijen is in geschil of Abn c.s. beslag hebben gelegd op de vordering van [belanghebbende] op Philip Morris tot betaling van de beëindigingsvergoeding en, meer in het bijzonder en gerelateerd aan het bepaalde in artikel 475 lid 1 Rv, of [belanghebbende] die vordering rechtstreeks uit een ten tijde van de door Abn c.s. gelegde beslagen bestaande rechtsverhouding heeft verkregen. 3.3. Kessels stelt zich op het standpunt dat die vordering niet rechtstreeks uit een bestaande rechtsverhouding is verkregen. Indien die rechtsverhouding al bestond, spruit de vordering tot betaling van de beëindigingsvergoeding daaruit niet rechtstreeks voort, zo betoogt Kessels. Zij wijst erop dat de arbeidsovereenkomst zelf niets regelt over een vergoeding bij de beëindiging van de overeenkomst. De aanspraak van [belanghebbende] op de beëindigingsvergoeding vloeit volgens Kessels voort uit het Sociaal Plan en de tussen Philip Morris en [belanghebbende] gesloten beëindigingsovereenkomst. Het Sociaal Plan bevatte een derdenbeding ten behoeve van onder meer [belanghebbende] en met het sluiten van de beëindigingsovereenkomst heeft [belanghebbende] dat beding aanvaard, zo stelt Kessels. 3.4. Volgens Abn c.s. wordt de vordering tot betaling van de beëindigingsvergoeding wel door haar beslagen getroffen en vloeit de vergoeding rechtstreeks voort uit de arbeidsverhouding van [belanghebbende] mijn zijn werkgever. Volgens Abn c.s. volgt dit uit de systematiek van de artikelen 475 en 475a Rv. Abn c.s. voert verder aan dat [belanghebbende] geen aanspraak op grond van het Sociaal Plan zou toekomen zonder het bestaan van de rechtsverhouding die is belichaamd in de arbeidsovereenkomst. Zij stelt dat de beëindigingsvergoeding behoort te worden aangemerkt als vervanging van door [belanghebbende] te derven loon uit hoofde van de arbeidsverhouding en wijst er op dat de omvang van de beëindigingsvergoeding volgens het Sociaal Plan rechtstreeks gerelateerd is aan de duur van de arbeidsovereenkomst. 3.5. Volgens de wet (artikel 3:276 BW) is verhaalsbeslag in beginsel alleen mogelijk op ten tijde van het beslag tegenwoordige goederen. Artikel 475 lid 1 Rv bepaalt dat derdenbeslag ook mogelijk is op vorderingen die de geëxecuteerde op de derde uit een bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen. Deze bepaling vormt in zoverre een uitzondering op het beginsel dat voor beslag tot verhaal alleen tegenwoordige goederen vatbaar zijn. Het bepaalde in artikel 475a lid 1 Rv dat het beslag zich niet uitstrekt tot vorderingen die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn, is hiermee in overeenstemming. Uit de wetssystematiek volgt derhalve niet dat derdenbeslag ook mogelijk is op toekomstige vorderingen, anders dan die welke genoemde zijn in artikel 475 Rv. 3.6. De wetgever heeft met de hiervoor genoemde uitzondering willen aansluiten bij de tot dan toe gevormde rechtspraak over ‘reeds bestaande vorderingen’ (PG BW Inv. 3,5 en 6 Wijziging Rv, e.a., p. 154 (nr. 6). In de Parlementaire Geschiedenis is verwezen naar HR 7 juni 1929, NJ 1929, 1285 (Girobeslag-arrest) en HR 25 februari 1932, NJ 1932, 301 (Ontvanger/Schermer). De rechtbank 4.1. beveelt dat de door Kessels beslagen beëindigingsvergoeding exclusief aangewend dient te worden om daaruit de vordering van Kessels op [belanghebbende] te voldoen; 4.2. veroordeelt Abn c.s. in de kosten van dit geding, deze voor zover aan de zijde van Kessels gevallen tot heden begroot op € 1.381,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de dag van voldoening. Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016. type: coll: