Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-03-27
ECLI:NL:RBZWB:2023:1981
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,277 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 18/2180
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, was gevestigd te [plaats], eiseres (opgehouden te bestaan op 11 mei 2021)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de uitspraak van de inspecteur van 5 maart 2018 op het bezwaar van eiseres tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag accijns over de tijdvakken gelegen in de periode 1 april 2012 tot 10 augustus 2016, de daarbij opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente (aanslagnummer: [aanslagnummer]).
Feiten
2.1.
De voormalig gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 11 april 2018 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
2.2.
Gedurende de beroepsprocedure is eiseres, een in Nederland gevestigde besloten vennootschap, in staat van faillissement verklaard.
2.3.
De voormalig curator heeft vervolgens aan de rechtbank meegedeeld dat het faillissement op 11 mei 2021 wegens gebrek aan baten is opgeheven, zodat eiseres per die datum is ontbonden.
2.4.
De rechtbank heeft partijen voor de mondelinge behandeling van het beroep op 23 maart 2023 uitgenodigd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 23 maart 2023 op zitting behandeld. Namens partijen is niemand ter zitting verschenen.
Beoordeling
3.1.
Eiseres is door haar ontbinding opgehouden te bestaan ingevolge artikel 2:19, eerste en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Van een verzoek tot heropening van de vereffening is niet gebleken, ook niet met het oog op de onderhavige procedure, zodat eiseres niet is herleefd ingevolge artikel 2:23c, eerste lid, van het BW. Bovendien is niet gebleken van het bestaan van een aan de ontbonden rechtspersoon toekomende bate welke aanleiding zou kunnen zijn de vereffening te heropenen.
3.2.
Gelet op voorgaande staat vast dat de rechtspersoon ten name van wie de aanslag is vastgesteld, de aanslag niet langer zal betwisten en evenmin nog zal betalen. Daar komt bij dat zowel de voormalig curator, de voormalig gemachtigde, als de voormalig bestuurder en tevens voormalig aandeelhouder van eiseres, geen belang kenbaar hebben gemaakt bij het voortzetten van deze procedure. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het procesbelang aan het beroep is komen te ontvallen.
Conclusie
Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding tot teruggave van het griffierecht dan wel vergoeding van proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechters, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier op 27 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Vgl. Hoge Raad van 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4910.