Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2023-05-01
ECLI:NL:RBZWB:2023:2937
Bestuursrecht
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 20/5856 tot en met 20/5863 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur, en de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 februari 2020. Navorderingsaanslag IB/PVV 2009 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.521 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 111.976. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur € 19.880 heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 45.594 opgelegd. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 gegrond verklaard, omdat bij de berekening van de verschuldigde IB/PVV geen rekening was gehouden met de verrekening van de ingehouden loonheffing. De inspecteur heeft daarbij de vergrijpboete verminderd naar € 20.995 en de heffingsrente verminderd naar € 9.154. Navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2010 1.3. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2010 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.410. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur € 1.614 heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 2.780 opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) over 2010 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 33.189. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag ZVW heeft de inspecteur € 54 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 93 opgelegd. 1.4. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het inkomen uit werk en woning verminderd naar € 27.848, de vergrijpboete verminderd naar € 2.149 en de heffingsrente verminderd naar € 1.247. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag ZVW ongegrond verklaard. Aanslagen IB/PVV en ZVW 2011 1.5. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2011 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.902 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 521. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur € 793 heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 1.366 opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag ZVW over 2011 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 18.957. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag ZVW heeft de inspecteur € 74 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 506 opgelegd. 1.6. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2011 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het inkomen uit werk en woning verminderd naar € 5.014 en de vergrijpboete en de heffingsrente verminderd naar nihil. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag ZVW 2010 eveneens gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het bijdrage-inkomen verminderd naar € 6.069 en de vergrijpboete verminderd naar € 141. Aanslagen IB/PVV en ZVW 2012 1.7. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.247 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.273. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV heeft de inspecteur € 1.180 belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 2.585 opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (ZVW) over 2012 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 30.257. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag ZVW heeft de inspecteur € 131 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 287 opgelegd. 1.8. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2012 en de aanslag ZVW 2012 ongegrond verklaard. Aanslagen IB/PVV 2016 1.9. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.201. 1.10. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2016 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het inkomen uit werk en woning verminderd naar € 25.723. De beroepen 1.11. De rechtbank heeft de beroepen op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur: [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Gelijktijdig met de zaken van belanghebbende zijn ook zaken van [partner] behandeld (zaaknummers BRE 20/5864 tot en met 20/5866). 2. Belanghebbende was in de onderhavige jaren gehuwd met [partner] (de partner). 2.1. In 2003 heeft belanghebbende samen met zijn toenmalige zakenpartner, [zakenpartner] , een aantal besloten vennootschappen opgericht waarin een onderneming werd gedreven onder de naam [B.V. 1] ( [B.V. 1] ). De activiteiten betroffen het detacheren van personeel aan banken. 2.2. Belanghebbende en [zakenpartner] bezaten, via hun houdstermaatschappijen, ieder onder meer 50% van de aandelen in [Ltd 1] . De houdstermaatschappijen hebben de aandelen in [Ltd 1] (inmiddels omgedoopt tot [Ltd 2] ) in 2007 verkocht aan [Ltd 3] . Daarbij is overeengekomen dat belanghebbende in dienst treedt bij een van de vennootschappen van de [B.V. 1] binnen Nederland. De aandelen in [Ltd 3] werden (indirect) gehouden door [Foundation 1] en [Foundation 2] . 2.3. De verkoop van de aandelen in [Ltd 1] werd begeleid door het [advies kantoor] ( [advies kantoor] ) en de [Group 1] . In een brochure van [advies kantoor] en de Freemontgroep uit 2007 over de door hen aangeboden zogenaamde dividendstructuur staat onder meer: ‘ [Foundation 3] : ontwijkt de belasting van 25% in box 2 (dividend, vermogenswinst op aandelen) en de successierechten van maximaal 27-68%. Verschaft vermogensbescherming en anonimiteit. Houdt aandelen in: [Holding 1] : ontwijkt belasting op (inkomsten uit) vermogen, zoals de jaarlijks terugkerende verkapte vermogensbelasting van 1,2% in box 3. Wordt belast met 0% vennootschapsbelasting. Bouwt in Luxemburg of Zwitserland een afgeschermd vermogen op met dividenden uit de onderliggende dochter. [Holding 2] : ontwijkt de bronbelasting van 25%, cruciale schakel om via laagbelaste staat binnen de EU de stap van het hoogbelaste Nederland naar een onbelaste offshore jurisdictie te maken. Houdt aandelen in: [Holding 3] : ontwijkt de belasting op de winst uit de verkoop van aandelen in de onderliggende dochter. Houdt aandelen in: [Werkmaatschappij 1] : hierin wordt de nieuwe onderneming opgebouwd of de bestaande onderneming ondergebracht. Deze werkmaatschappij betaalt 25,5% vennootschapsbelasting. De vennootschapsbelasting is de enige belasting die in deze structuur nog verschuldigd is over de winst en het vermogen dat hiermee wordt opgebouwd’. 2.4. [Foundation 1] is een naar Panamees recht ingestelde Private Foundation en is op [datum] 2005 opgericht door [Foundation 4] . (een Panamese vennootschap). 2.5. Binnen [Foundation 1] zijn afzonderlijke Nexus ingesteld. Blijkens een annex 'Orderform for Nexus to [Foundation 5] ' is belanghebbende per 10 april 2007 bij [Foundation 1] als 'advisor' betrokken en is na zijn overlijden de partner van belanghebbende als ‘advisor’ aangewezen. Uit een annex bij de Regulations volgt dat [Foundation 1] geen begunstigden heeft. 2.6. Op 14 december 2009 heeft de [Foundation 6] van [Foundation 1] besloten tot een uitkering van € 222.102,30 aan belanghebbende. In het door belanghebbende overgelegde besluit is het volgende opgenomen: ‘TO obtain approval from the Advisor of the Individual [Foundation 1] to make a GIFT to [persoon 1] for the amount of € 226000. TO make a GIFT to [persoon 1] for the amount of € 226000 out of the assets of Individual [Foundation 1] . TO pay the amount in full within half a year. For each payment a separate distribution resolution will be passed.’ 2.7. Op 30 december 2009 heeft belanghebbende een bedrag van € 1.850 ontvangen op zijn bankrekening bij de [bank]. Op 31 december 2009 heeft belanghebbende een bedrag van € 222.102,30 op zijn bankrekening bij de [bank] te Luxemburg met nummer [nummer] ontvangen. De Luxemburgse bankrekening is geopend op 30 december 2009 en gesloten op 24 februari 2020. Voornoemde bedragen (in totaal € 223.952,30) zijn niet vermeld in enige aangifte van belanghebbende. 2.8. Op 4 mei 2010 is [Foundation 1] ontbonden. In de ontbindingsbeslissing is vermeld dat [Foundation 1] op dat moment geen bezittingen van significante waarde heeft. 2.9. Op 30 oktober 2012 heeft de inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek aangekondigd naar de ingediende aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010. Bij brief van 15 april 2013 is de reikwijdte van het onderzoek uitgebreid naar de ingediende aangiften inkomstenbelasting 2008 tot en met 2012 van (onder meer) belanghebbende. 2.10. In het kader van het boekenonderzoek heeft de inspecteur informatie bij belanghebbende opgevraagd, onder meer over zijn betrokkenheid bij [Foundation 1] binnen [Foundation 1] en [Foundation 7] . In dat kader heeft de inspecteur, voor zover van belang, de volgende vragen gesteld: 1. “Ik verzoek u alle Annexes ter inzage te verstrekken en een kopie van alle oprichtingsbewijzen (Vraag 2, vraag 5 en vraag 21 in de brief van 11 december 2013). Deze heb ik tot op heden niet ontvangen. Uit de Regulations blijkt dat er meerdere Annexes moeten zijn: - The first Annex will show the advisor and the advisor after death. - Subsequent annexes will create for each of the individual Nexus Assets held. These Annexes show the beneficiaries of the individual Nexus Assets as well as the assets held. 2. U geeft aan dat u nimmer heeft gecorrespondeerd met het doelvermogen waarbij u betrokken bent (vraag 6 in de brief van 11 december 2013). U gaf aan dat u telefonisch contact heeft opgenomen met de Council voor het doen van een uitkering (vraag 15 in de brief van 11 december 2013). Ik wil u nogmaals verzoeken om alle correspondentie ter inzage te verstrekken en om een afschrift van alle correspondentie rondom de uitbetalingen van de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] . De met de schenkingen corresponderede "resolutions"zijn overlegd. Uit het feit dat u in de hoedanigheid van oprichting, adviseur en begunstigde betrokken bent (geweest) bij de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] , leid ik af dat u in de positie bent om een informatie verzoek te doen om gegevens te verkrijgen over de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] . Gelet op het voorgaande en gelet op het belang dat met een dergelijk verzoek tot uitkering gemoeid is, acht ik op dit moment niet aannemelijk dat er geen schriftelijke of digitale stukken bestaan aangaande uw betrokkenheid bij de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] en de uitkeringen hiervan. Graag nodig ik u nogmaals uit om de gevraagde informatie te verstrekken. Zo u zelf niet beschikt verzoek k u zich in te spannen om de informatie aan mij te verstrekken en hiervoor derden te benaderen. Ik wij u in dit verband op onderstaande: Als adviseur heeft u recht op informatie op grond van Charter (zie o.a. section 14) en de Regulations (zie o.a. punt 'whereas' en artikel 4 en 7 Regulations). Als Begunstigde (welke u tenminste was in 2009 en 2010) heeft u recht op informatie op grond van de Charter (section 11) en de Regulations (zie o.a. artikel 4 en 8 Regulations). Graag afschriften van alle inspanningen die u (of Paritax International Taxadvisors dan wel anderen namens u) op het punt van het verkrijgen van de verzochte informatie heeft (hebben) verricht. 3. Ik wil u nogmaals verzoek om afschriften van de vergaderingen en verslagen van de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] waarbij u betrokken bent (vraag 10 in de brief van 11 december 2013). U heeft aangegeven hierover geen beschikking te hebben, maar ik wil u wijzen op hetgeen ik hieromtrent vermeldt bij vraag 2 in deze brief, tweede alinea. 4. Ik wil u nogmaals verzoek om de jaarstukken ter inzage te verstrekken van de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] . U heeft aangegeven hierover geen beschikking te hebben, maar ik wil u wijzen op hetgeen ik hieromtrent vermeldt bij vraag 2 in deze brief, tweede alinea. 5. Ik wil u nogmaals verzoeken om de openingsbescheiden en kopieën van dagafschriften te verstrekken van de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] (Vraag 12 in de brief van 11 december 2013). U heeft aangegeven hierover geen beschikking te hebben, maar ik wil u wijzen op hetgeen ik hieromtrent vermeldt bij vraag 2 in deze brief, tweede alinea. 6. Wij verzoeken u alsnog vraag 22 en 23 in de brief van 11 december 2013 te beantwoorden omdat we hierop nog geen reactie hebben ontvangen. Verder hebben we vastgesteld dat we nog enkele informatie van u nodig hebben: 7. Graag ontvangen wij de ontvangstbewijzen van de twee uitkeringen van de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] . Weliswaar heeft u twee ontvangstbewijzen (€ 222.102,30 van 31-12- 2009 [bank] en € 3.673,39 van 29 juni [bank]) verstrekt echter deze uitkeringen zien op [Foundation 7] en niet [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] . Als het zo is dat de ontvangsten ter grootte van € 222.102,30 en € 3.673,39 zien op de uitkeringen van de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] verzoek ik u dit aan te tonen. 8. Graag ontvangen we een overzicht van de dividendstromen binnen de nieuwe [B.V. 1] vanaf 2007 en een overzicht op welke wijze het vermogen van de vennootschappen binnen de nieuwe [B.V. 1] is vereffend. 9. Graag ontvangen we een gespecificeerd overzicht van het vermogen van [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] vanaf oprichting tot heden. 10. Uit de door u ingezonden informatie lijkt het erop dat de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] niet meer actief is. Is de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] nog actief? Zo nee, dan ontvang ik graag een afschrift van alle bescheiden van de ontbinding en de vereffening van het vermogen. 11. Is [SA] nog actief? Zo nee, op welke wijze is het vermogen van de SA vereffend? Zo ja, graag bewijs hiervan. 12. Uit de informatie die u momenteel ter inzage hebt verstrekt kan de inspecteur alleen afleiden, dat het vermogen van de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] uit de aandelen [SA] . Op het moment dat de [Foundation 9] fiscaal transpaarant is op basis van BNB [nummer 1] , dan wordt het inkomen en het vermogen van de [Foundation 9] ieder jaar aan u toegerekend. Aldus is van belang vast te stellen wanneer [SA] een dividenduitkering heeft gedaan aan [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] . Als het tijdstip van de onderliggende dividenduitkeringen wordt bezien zou het best kunnen zijn dat de SA reeds in 2008 een dividenduitkering heeft verricht in de SA. Het is aldus voor de heffing van de inkomstenbelasting relevant wanneer de SA de dividenduitkeringen heeft verricht aan de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] . Graag nodig ik u uit om de navolgende bescheiden ter inzage te verstrekken voor de periode van 2007 tot en met 2010: Een afschrift van de bankbescheiden van de [Foundation 1] binnen de [Foundation 1] . Een afschrift van de aandeelhoudersvergadering(en) van [SA] . Een afschrift van het verzoek tot dividenduitkering(en) door de aandeelhouder (lees: [Foundation 1] ), of enig ander persoon, uit het vermogen van [SA] . Zo er een bankrekening aanwezig is bij [SA] dan verzoek ik u om afschriften van deze bankafschriften, alsmede inzichtelijk te maken wie tekeningsbevoegd is voor deze bankrekening." 2.11. Naar aanleiding van een verzoek om informatie van belanghebbende bij [Group 1] , heeft [Group 1] het volgende geantwoord: ‘Please note that as advisor to the foundation [Foundation 1] of the [Foundation 1] you do not have a right to obtain any of documents pertaining to the companies you refer to. As regards to your question related to the foundation, I have forwarded the request for information to the current founcil council in Panama.’ 2.12. De inspecteur heeft op 27 mei 2014 informatiebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2012 vastgesteld, omdat belanghebbende niet of niet geheel aan het informatieverzoek heeft voldaan. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikkingen. 2.13. Bij de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen gehandhaafd, omdat de vermelde vragen genummerd 1 tot en met 6 en 8 tot en met 12 niet dan wel onvoldoende zijn beantwoord door belanghebbende. Vraag 7 is in de bezwaarfase alsnog wel voldoende beantwoord volgens de inspecteur, evenals - hiervoor niet vermelde - (andere) vragen over resultaat uit een werkzaamheid en box 3. 2.18. Belanghebbende heeft in het hoger beroep tegen de informatiebeschikkingen een overzicht overgelegd met als opschrift 'dividend en aflossing lening'. Hierin is vermeld dat in totaal € 784.000 is overgemaakt door [Ltd 3] . aan [Ltd 4] ., welk bedrag als volgt is gesplitst: - een bedrag van € 140.000 als aflossing van een lening op 19 december 2007; - een bedrag van € 160.000 als aflossingen van een lening in de periode 15 april 2008 tot en met 12 september 2008; - een bedrag van € 254.000 als dividenduitkeringen in de periode 12 september 2008 tot en met 8 november 2008; en - een bedrag van € 230.000 als dividenduitkeringen in de periode 18 februari 2009 tot en met 2 december 2009. 2.14. Bij het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2018 zijn de informatiebeschikkingen over 2009 tot en met 2012 onherroepelijk komen vast te staan. 2.19. De inspecteur heeft de door belanghebbende op 30 december 2009 en 31 december 2009 ontvangen bedragen (van in totaal € 223.952) aangemerkt als inkomsten uit aanmerkelijk belang. Hiervan is de helft, zijnde € 111.976, toegerekend aan belanghebbende. De andere helft is toegerekend aan de partner. Belanghebbende en de partner hebben ter zitting afgesproken dat die inkomsten geheel moeten worden toegerekend aan belanghebbende. 2.20. In de jaren 2010, 2011, 2012 en 2016 heeft belanghebbende inkomsten gehad uit zijn eenmanszaak [Eenmanszaak] . 2.21. Belanghebbende heeft de inkomsten uit zijn eenmanszaak in zijn aangiften 2010, 2011 en 2012 verwerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Bij de vaststelling van de (navorderings)aanslagen heeft de inspecteur de inkomsten aangemerkt als winst uit onderneming. Hierbij is geen rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling. Daarnaast heeft de inspecteur een deel van de in aftrek gebrachte kosten gecorrigeerd. Het betreft de volgende correcties: Kosten 2010 Aangifte Navorderingsaanslag Reiskosten € 8.219 (43.256 km x 0,19) € 2.850 (15.000 x 0,19) Beveiligingskosten € 1.960 € 0 Afschrijvingen € 5.065 € 0 Kosten [B.V. 2] € 3.500 € 0 Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij akkoord gaat met de correctie van de beveiligingskosten en de kosten [B.V. 2] . Kosten 2011 Aangifte Definitieve aanslag Reiskosten € 6.200 (32.630 km x 0,19) € 2.850 (15.000 x 0,19) Afschrijvingen € 6.487 € 0 [beveiligingsbedrijf] (beveiligingskosten) € 184 € 0 Apparatuur Apple € 573 € 0 ISDN - aansluiting € 448 € 0 Lidmaatschapskosten [lidmaatschap] € 555 € 0 Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij akkoord gaat met de correctie van de beveiligingskosten en de kosten van de ISDN-aansluiting. Kosten 2012 Aangifte Definitieve aanslag Reiskosten € 8.259 (43.470 km x 0,19) € 3.610 (19.000 x 0,19) Communicatiekosten - - Facturen Banning € 1.924 € 0 Afschrijvingen € 1.622 € 0 Lidmaatschapskosten [lidmaatschap] - - Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij akkoord gaat met de correctie van de communicatiekosten en de lidmaatschapskosten [lidmaatschap]. 2.22. De inspecteur heeft bij de vaststelling van de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 eveneens het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd. Voor 2011 bedraagt de totale correctie € 1.042. Hiervan is de helft, € 521, toegerekend aan belanghebbende. De andere helft is toegerekend aan de partner. Voor 2012 bedraagt de totale correctie € 6.546. Hiervan is de helft, € 3.273, toegerekend aan belanghebbende. De andere helft is toegerekend aan de partner. 2.22. In 2016 was belanghebbende directeur en enig aandeelhouder van [B.V. 2] . Belanghebbende heeft namens [B.V. 2] voor [broodjes zaak] als medewerker in een broodjeszaak gewerkt en daarnaast als chauffeur bij een vervoersbedrijf. Hij heeft in dit kader een (gebruikelijk) loon ontvangen van € 21.861. Bij de vaststelling van de aanslag 2016 heeft de inspecteur het (gebruikelijk) loon verhoogd naar € 44.000. Daarnaast heeft de inspecteur de door belanghebbende aangeven winst uit onderneming gecorrigeerd: hij heeft de aftrek geweigerd van een factuur van [advocatuur] van € 3.500. 3. Tussen partijen zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil: i) is het inkomen uit aanmerkelijk belang in de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 terecht en tot een juist bedrag vastgesteld? Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een dividenduitkering of een gift en of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard gelet op de onherroepelijke informatiebeschikking; ii) is de belastbare winst uit onderneming juist vastgesteld over de jaren 2010, 2011, 2012 en 2016? iii) is het gebruikelijk loon terecht vastgesteld op € 44.000 in de aanslag IB/PVV 2016? iv) zijn de vergrijpboeten terecht en tot een juist bedrag opgelegd? v) heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting? 4. Ter zitting heeft de inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat de correcties die zien op het inkomen uit sparen en beleggen in 2011 en 2012 dienen te vervallen. De rechtbank verklaart daarom de beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 gegrond. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen over deze jaren wordt verminderd tot nihil. Is het inkomen uit aanmerkelijk belang voor het jaar 2009 terecht en tot een juist bedrag vastgesteld? Onherroepelijke informatiebeschikking 5. Met het arrest van de Hoge Raad is de informatiebeschikking onherroepelijk komen vast te staan. De rechtmatigheid van de informatiebeschikking kan daarom in onderhavige procedure niet meer aan de orde worden gesteld. Dit neemt niet weg dat de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast op haar plaats is, in onderhavige procedure opnieuw aan de orde kan worden gesteld. 5.1. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende ook na het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking niet alle gevraagde bescheiden (volledig) heeft verstrekt. Het gaat dan om de in vraag 1 tot en met 6 en 8 tot en met 12 van de informatiebeschikking gevraagde gegevens (zie 2.10.). Belanghebbende heeft daarom niet aan zijn informatieverplichting voldaan. De omstandigheid dat volgens belanghebbende die bescheiden niet meer verkrijgbaar zijn doet daar niet aan af. Dat komt immers voor zijn risico. De gevraagde stukken zijn van wezenlijk belang om de relatie van belanghebbende tot de [Foundation 1] en de daarbij horende structuur te kunnen beoordelen. Er is namelijk sprake van een aanzienlijk bedrag aan uitkeringen in 2009 van € 223.952,30, waarvan de achtergrond en het belang voor de heffing nu niet objectief te achterhalen valt. Naar het oordeel van de rechtbank is het gebrek zodanig dat de omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd is. 5.2. Uitgaande van omkering en verzwaring van de bewijslast, zal de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke − niet willekeurige − schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslag, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, onjuist is. 5.3. Belanghebbende heeft in 2009 in totaal € 223.952,30 ontvangen vanuit [Foundation 1] . Dit is tussen partijen niet in geschil. De inspecteur heeft het vanuit [Foundation 1] ontvangen bedrag aangemerkt als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Vervolgens heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor de helft toegerekend aan belanghebbende. Dit betreft een bedrag van € 111.976. De andere helft heeft de inspecteur in aanmerking genomen bij de partner van belanghebbende. Dat de inspecteur dit bedrag heeft aangemerkt als inkomen uit aanmerkelijk belang acht de rechtbank niet onredelijk, gelet op de betrokkenheid van belanghebbende bij [X] nr. 704. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur bij de vaststelling van de navorderingsaanslag uitgegaan is van een redelijke schatting. 5.4. Vervolgens rust de last op belanghebbende om te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van inkomen uit aanmerkelijk belang maar van een gift en voert daarvoor het volgende aan. Na de verkoop van de door belanghebbende gehouden aandelen in [Ltd 1] . aan [Ltd 3] . in 2007, is belanghebbende geen aandeelhouder, bestuurder of uiteindelijk gerechtigde meer. De aandeelhouders van [Ltd 3] . zijn [Ltd 4] ., [SA 1] , [SA] en [Foundation 1] . Dit zijn willekeurige derden en zij hebben naar eigen zeggen geen enkele band met belanghebbende. Belanghebbende heeft in 2009 geld ontvangen van de [Foundation 1] naar aanleiding van zijn verzoek om een gift voor het opstarten van een onderneming. Belanghebbende verwijst daarbij naar de ‘ [Foundation 6] Resolution’ waarin het besluit is genomen om een gift aan belanghebbende toe te kennen voor een bedrag van € 226.000. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet doen blijken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. Belanghebbende heeft een internationale dividendstructuur gecreëerd in overeenstemming met een advies van [advies kantoor] en [Group 1] . Dit is een structuur die pleegt te worden opgezet om voor de Nederlandse Belastingdienst onzichtbaar te maken wie de [eigenaar] ([eigenaar]) is. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de [eigenaar] is van [Foundation 1] , gelet op het feit dat belanghebbende betrokken was bij de verkoop van de [B.V. 1] voor het creëren van de structuur, hij in loondienst bij de [B.V. 1] is gebleven en hij als ‘advisor’ betrokken was bij deze [Foundation 9] . Weliswaar heeft belanghebbende een besluit van de ‘ [Foundation 6] Resolution’ van de [Foundation 1] overgelegd waarin staat dat aan hem een gift wordt toegekend, maar uit datzelfde document volgt dat belanghebbende als ‘advisor’ zelf om de uitkering heeft verzocht. Kort na de uitkering is [Foundation 1] ontbonden. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend aangetoond dat sprake is van een gift. 5.6. De conclusie is dat het inkomen uit aanmerkelijk belang juist is vastgesteld en daarmee dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Is de belastbare winst uit onderneming juist vastgesteld over de jaren 2010, 2011, 2012 en 2016? Navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2010 6. De inspecteur heeft zich nader op het standpunt gesteld dat alsnog een deel van de kosten in aftrek moet worden toegelaten. Het betreft beperkt aftrekbare kosten van € 259. Daarnaast heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende recht heeft op de MKB-winstvrijstelling van € 2.163. Hierdoor moet de belastbare winst uit onderneming worden verminderd met € 2.422. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en hieronder ingaan op de aftrekposten die nog in geschil zijn. De vermindering heeft geen invloed op de navorderingsaanslag Zvw, omdat het bijdrage-inkomen nog steeds hoger is dat het maximum van € 33.189. Reiskosten 6.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de reiskosten ten onrechte heeft beperkt tot € 2.850. Volgens belanghebbende heeft hij recht op een aftrek van € 8.219. Hij heeft daarbij een overzicht overgelegd met daarop het aantal ritten en de bijbehorende kilometers per opdrachtgever. Voor 2010 komt dit op een totaal van 43.256 kilometer tegen € 0,19 per kilometer. 6.2. Dat belanghebbende werkzaamheden heeft verricht op het vestigingsadres van zijn klanten wordt niet bestreden door de inspecteur. De inspecteur accepteert ook de vergoeding van € 0,19 per kilometer. In geschil is hoeveel kilometer belanghebbende heeft gereden. Belanghebbende heeft voor de jaren 2010 tot en met 2012 achteraf een berekening gemaakt. Uit de op de omzetfacturen vermelde kilometers is af te leiden dat belanghebbende 13.132 kilometer heeft gedeclareerd. De inspecteur heeft dit naar 15.000 kilometer afgerond, waarbij de inspecteur net als belanghebbende zelf rekening heeft gehouden met € 0,19 per kilometer. 6.3. Naar het oordeel van de rechtbank komt aan belanghebbende geen hogere aftrek van kosten toe dan waarmee de inspecteur reeds rekening heeft gehouden. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft de door hem opgevoerde kosten onvoldoende onderbouwd. De inspecteur heeft de aftrekbare kosten terecht beperkt tot € 2.850. Afschrijvingen 6.4. Belanghebbende stelt dat de afschrijvingskosten van € 5.065 ten onrechte zijn gecorrigeerd. Het betreffen afschrijvingskosten in het kader van de investering in een beamer en een server hetgeen zakelijke kosten zijn, aldus belanghebbende. 6.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de afschrijvingen terecht gecorrigeerd. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft geen facturen of andere informatie verstrekt waaruit zou volgen dat het zakelijke investeringen betreft en dat de afschrijvingen tot het door hem geclaimde bedrag in aftrek kunnen worden gebracht. Samenvatting 2010 6.6. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de belastbare winst uit onderneming voor het jaar 2010 en daarmee het belastbare inkomen uit werk en woning moeten worden verminderd met € 2.422 naar € 25.426. Het bijdrage-inkomen voor de Zvw blijft ongewijzigd, namelijk het maximum van € 33.189. Aanslagen IB/PVV en ZVW 2011 6.7. De inspecteur heeft zich nader op het standpunt gesteld dat alsnog een deel van de kosten in aftrek moet worden toegelaten. Het betreft een verhoging van de aftrekbare reiskosten met € 250 en een aftrek in verband met beveiligingskosten van € 95. Daarnaast heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende recht heeft op de MKB-winstvrijstelling van € 542 en dat de zelfstandigenaftrek dient te worden verhoogd met € 1.551 naar € 8.817. Hierdoor moeten de belastbare winst uit onderneming en het bijdrage-inkomen worden verminderd met € 2.438. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en hieronder ingaan op de aftrekposten die nog in geschil zijn. Reiskosten 6.8. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de reiskosten ten onrechte heeft beperkt tot € 3.100. Volgens belanghebbende heeft hij recht op een aftrek van € 6.200. Hij heeft daarbij een overzicht overgelegd met daarop het aantal ritten en de bijbehorende kilometers per opdrachtgever. Voor 2011 komt dit op een totaal van 32.630 kilometer tegen € 0,19 per kilometer. 6.9. Naar het oordeel van de rechtbank komt aan belanghebbende geen hogere aftrek van kosten toe dan waarmee de inspecteur reeds rekening heeft gehouden. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft de door hem opgevoerde kosten onvoldoende onderbouwd. De inspecteur heeft de aftrekbare kosten terecht beperkt tot € 3.100. Afschrijvingen 6.10. Belanghebbende stelt dat de afschrijvingskosten van € 6.487 ten onrechte zijn gecorrigeerd. De rechtbank verwijst naar hetgeen overwogen is in 6.5. Kosten [lidmaatschap] 6.11. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een aftrek van (afgerond) € 555 in verband met lidmaatschapskosten van zijn [lidmaatschap] kaart. Belanghebbende heeft een maandafrekening overgelegd van [lidmaatschap] over november 2011 op zijn persoonlijke naam. Op dit overzicht staat een kaartlidmaatschapsbijdrage van € 555. 6.12. De inspecteur stelt dat belanghebbende enkel een betalingsbewijs van [lidmaatschap] heeft overgelegd zonder bijvoeging van onderliggende facturen en/of andere bewijsmiddelen waaruit de zakelijkheid van de uitgaven zou moeten blijken. De rekening van [lidmaatschap] staat op naam van belanghebbende dus niet op naam van de eenmanszaak. De inspecteur concludeert dat belanghebbende de zakelijkheid van de uitgaven niet heeft aangetoond. 6.13. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat belanghebbende als consultant de [lidmaatschap] kaart ook zakelijk heeft gebruikt. Omdat de rechtbank op basis van de stukken niet precies kan beoordelen voor welk deel de kaart zakelijk is gebruikt, stelt de rechtbank de aftrek in goede justitie vast op € 250. Apparatuur Apple 6.14. Belanghebbende heeft een iPad met toebehoren en een armband van Apple aangeschaft voor € 573. Volgens belanghebbende betreffen dit zakelijke kosten. Dat de factuur gericht is aan " [naam] " is mogelijk een fout door Apple bij het opstellen van de factuur. De adresgegevens kloppen wel en de factuur is van de zakelijke rekening betaald. 6.15. De inspecteur stelt dat niet geconcludeerd kan worden dat de gekochte producten bestemd zijn voor de zakelijke activiteiten van belanghebbende. De gekochte producten zijn naast zakelijk doorgaans ook privé in gebruik. Het is niet ondenkbaar dat de goederen bestemd zijn voor een van de vennootschappen van belanghebbende of wellicht voor belanghebbende privé. Mocht sprake zijn van een bedrijfsmiddel dan zou dit geactiveerd dienen te worden en zou er op moeten worden afgeschreven, aldus de inspecteur. 6.16. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de kosten terecht heeft gecorrigeerd. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zakelijke investeringen betreft. Samenvatting 2011 6.17. Samenvattend heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank recht op een extra aftrek van € 250 ten opzichte van de toezeggingen van de inspecteur. Dit betekent dat de MKB-winstvrijstelling moet worden verminderd met € 30. De conclusie is dat de belastbare winst uit onderneming en daarmee het belastbare inkomen uit werk en woning worden verminderd met € 2.658 naar € 2.356. Het bijdrage-inkomen voor de Zvw wordt verminderd met € 2.658 naar € 3.411. Aanslagen IB/PVV en ZVW 2012 6.18. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het jaar 2012 sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Gelet op het hiernavolgende behoeft de vraag of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast geen behandeling en gaat de rechtbank hier niet op in. 6.19. De inspecteur heeft zich nader op het standpunt gesteld dat belanghebbende recht heeft op de MKB-winstvrijstelling van € 3.631. Hierdoor moeten de belastbare winst uit onderneming en het bijdrage-inkomen worden verminderd met € 3.631. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en hieronder ingaan op de aftrekposten die nog in geschil zijn. Reiskosten 6.20. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de reiskosten ten onrechte heeft beperkt tot € 3.610. Volgens belanghebbende heeft hij recht op een aftrek van € 8.259. Hij heeft daarbij een overzicht overgelegd met daarop het aantal ritten en de bijbehorende kilometers per opdrachtgever. Voor 2012 komt dit op een totaal van 43.470 kilometer tegen € 0,19 per kilometer. De inspecteur is uitgegaan van 19.000 kilometer tegen € 0,19 per kilometer, waarbij rekening is gehouden met een hogere omzet ten opzichte van 2010 en 2011. 6.21. Naar het oordeel van de rechtbank komt aan belanghebbende geen hogere aftrek van kosten toe dan waarmee de inspecteur reeds rekening heeft gehouden. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft de door hem opgevoerde kosten onvoldoende onderbouwd. De inspecteur heeft de aftrekbare kosten terecht beperkt tot € 3.610. Afschrijvingen 6.22. Belanghebbende stelt dat de afschrijvingskosten van € 1.622 ten onrechte heeft gecorrigeerd. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in 6.5. Samenvatting 2012 6.23. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de belastbare winst uit onderneming en daarmee het belastbare inkomen uit werk en woning moet worden verminderd met € 3.631 naar € 19.616. Daarnaast wordt het bijdrage-inkomen verminderd met € 3.631 naar € 26.626. Aanslag IB/PVV 2016 6.24. Belanghebbende stelt dat de factuur van [advocatuur] van € 3.500 ten onrechte is gecorrigeerd. Het betreft kosten in verband met de gerechtelijke procedures tegen de informatiebeschikkingen, waardoor volgens belanghebbende in elk geval een deel als zakelijke kosten aftrekbaar is. 6.25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze kosten terecht heeft gecorrigeerd. De afgegeven informatiebeschikking zag aanvankelijk ook op het resultaat uit overige werkzaamheden en box 3. Uit de uitspraak op bezwaar bij de informatiebeschikking blijkt dat de vragen met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden en box 3 voldoende zijn beantwoord. De gerechtelijke procedure zag daarom alleen nog op de betrokkenheid van belanghebbende bij [Foundation 1] . Het betreft daardoor een aanmerkelijk belang-kwestie en daardoor een privékwestie, die niets van doen heeft met de eenmanszaak. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zakelijke kosten betreft. 6.26. De conclusie is dat de belastbare winst uit onderneming terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. Is het gebruikelijk loon terecht vastgesteld op € 44.000 in de aanslag IB/PVV 2016? 6.27. Ingevolge artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt onder loon verstaan loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Artikel 12a van de Wet LB bepaalt, kort gezegd, dat een aanmerkelijkbelanghouder voor zijn werkzaamheden in de vennootschap een gebruikelijk loon geniet. Het gebruikelijk loon wordt – voor zover hier van belang – op de voet van artikel 12a van de Wet LB voor het jaar 2016 in beginsel op minimaal € 44.000 (bedrag 2016) gesteld, tenzij aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is. Bij een deeltijdfunctie moet de belanghebbende aannemelijk maken dat een evenredig gedeelte van een gebruikelijk loon op voltijdsbasis, gelet op de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden, lager is dan de norm welke volgt uit artikel 12a van de Wet LB. 6.28. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het gebruikelijk loon ten onrechte dubbel heeft gecorrigeerd, namelijk door zowel de bijtelling voor het privé gebruik auto in de loonheffing te corrigeren als het gebruikelijk loon in de IB/PVV vast te stellen op € 44.000. Daarnaast stelt belanghebbende dat een gebruikelijk loon van € 44.000 te hoog is. Belanghebbende heeft namelijk in 2016 op jaarbasis rond de 400 uur voor [broodjes zaak] gewerkt en rond de 1.200 uur in het vervoer. Een jaarsalaris van € 25.000 á € 30.000 is daarom het maximum. Tot slot stelt belanghebbende hij niet meer dan voor 60% van een normaal dienstverband (parttime) gewerkt. Dit betekent dat het parttime percentage van toepassing is op het gebruikelijk loon zodat ook dan het gebruikelijk loon te hoog is vastgesteld. 6.29. De inspecteur stelt dat de correctie in verband met privé gebruik auto een aan de vennootschap opgelegde correctieverplichting betreft maar dat niet is nageheven. Er is dus geen loonheffing berekend en afgedragen over dit privégebruik. Daarnaast stelt de inspecteur dat belanghebbende miskent dat hij als directeur-aandeelhouder door de vennootschap is uitgeleend. Zijn werkzaamheden betreffen naast de directe werkzaamheden waarvoor hij is ingehuurd ook het besturen van de vennootschap en het verwerven van opdrachten. Door het eenvoudigweg vergelijken met alleen de directe werkzaamheden en daar een, niet onderbouwd en door de inspecteur niet meer te controleren, aantal uren in de beroepsfase aan toe te kennen legt belanghebbende een onjuiste maatstaf aan. 6.30. De bewijslast voor de stelling dat het gebruikelijke loon lager is, rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft zijn stelling dat sprake zou zijn van een dubbele correctie en zijn stelling met betrekking tot een lager salaris uitgaande van 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking niet nader onderbouwd. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dubbele correctie of dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking € 25.000 á € 30.000 bedraagt. Bij een deeltijdfunctie moet de belanghebbende aannemelijk maken dat een evenredig gedeelte van een gebruikelijk loon op voltijdsbasis, gelet op de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden, lager is dan norm welke volgt uit artikel 12a van de Wet LB. Hoewel het aantal declarabele uren een indicatie kan geven van de omvang van de werkzaamheden, is deze omstandigheid alleen – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – onvoldoende om te oordelen dat het loon als gevolg daarvan op een lager bedrag moet worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat voor hem een lager loon dan € 44.000 in aanmerking genomen moet worden. 6.31. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2016 ongegrond verklaren. Zijn de vergrijpboeten terecht en tot een juist bedrag opgelegd? Vergrijpboete bij navorderingsaanslag IB/PVV 2009 7. De inspecteur kan een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Het gaat daarbij om een dermate lichtvaardig handelen door belanghebbende dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven.Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijke opzet is niet alleen vereist dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Daarbij is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De inspecteur dient te doen blijken dat aan belanghebbende ten tijde van het indienen van de aangiften opzet of grove schuld kan worden verweten. 7.1. De inspecteur stelt dat vast is komen te staan dat belanghebbende een internationale structuur heeft opgezet. Binnen deze structuur is, mede door de inspanningen van belanghebbende, een fraaie winst behaald. Deze winst is vanuit Nederland via enkele buitenlandse schakels gestort op een door belanghebbende geopende Luxemburgse bankrekening. Deze handelwijze duidt erop dat belanghebbende voornemens was om de inkomsten buiten het zicht van de Belastingdienst te houden. Dit volgt eveneens uit het feit dat belanghebbende materieel en formeel een onjuiste aangifte over 2009 heeft ingediend door enerzijds het niet aankruisen van de trustvraag en anderzijds het niet aangeven van de aanmerkelijkbelangposities. Daarnaast stelt de inspecteur dat belanghebbende desgevraagd niet alle informatie heeft verstrekt. De inspecteur concludeert dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan, waarvoor een boete kan worden opgelegd van ten hoogste 50%. Omdat belanghebbende, ondanks verschillende verzoeken, geen openheid van zaken heeft gegeven in combinatie met de forse bedragen uit de door belanghebbende opgezette internationale structuur die op een buitenlandse rekening van belanghebbende zijn uitbetaald, is de vergrijpboete verhoogd naar 75%. De inspecteur ziet reden voor matiging van de boete gelet op de overschrijding van de redelijke termijn. 7.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende door het opzetten van een constructie, waarbij belanghebbende via een Luxemburgse bankrekening een bedrag ontvangt van de [Foundation 1] , belasting heeft willen ontduiken. Gebleken is dat belanghebbende een internationale dividendstructuur heeft opgezet, die pleegt te worden opgezet om voor de Nederlandse Belastingdienst onzichtbaar te maken wie de [eigenaar] is (zie 5.5). Uit de dividendstructuur heeft belanghebbende een aanzienlijk bedrag aan inkomsten genoten. Daartoe wijst de rechtbank op het ontvangen bedrag op de Luxemburgse bankrekening en de rekening bij de [bank]. De rechtbank acht ongeloofwaardig – voor zover belanghebbende dat al heeft willen betogen – dat belanghebbende niet heeft geweten dat het door hem behaalde resultaat op enigerlei wijze in de heffing van inkomstenbelasting zou moeten worden betrokken. Door desalniettemin deze inkomsten en zijn betrokkenheid bij de internationale structuur niet te vermelden in zijn aangifte inkomstenbelasting, heeft belanghebbende geweten dat te weinig belasting zou worden geheven. Onder deze omstandigheden is het aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven. De inspecteur verwijt belanghebbende derhalve terecht opzet aan het in artikel 67e, eerste lid, van de Wet vermelde vergrijp. 7.3. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval, gelet op de ernst van het door belanghebbende begane vergrijp en de listigheid van de in dat verband door of in opdracht van belanghebbende gecreëerde structuur, een boete van 75% passend en geboden. Bij de beoordeling of de boete passend en geboden is dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de verschuldigde belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast. Voor een matiging ziet de rechtbank in dit geval geen reden. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de juistheid van het belaste inkomen waarop de boete is gebaseerd, voldoende heeft aangetoond. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Undue delay 7.4. Wel vormt de duur van de procedure voor de rechtbank aanleiding tot ambtshalve matiging van de boeten, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 25 januari 2019 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijnomdat op dat moment de boete is aangekondigd door de kennisgeving van de vergrijpboete. De rechtbank doet uitspraak op 1 mei 2023. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan afgerond 52 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met een duur van meer dan 2 jaar. De boete zal daarom worden gematigd met 20% tot € 16.796. Vergrijpboete bij navorderingsaanslag IB/PVV en ZVW 2010 7.5. Voor het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 7. 7.6. De inspecteur stelt dat belanghebbende bewust verschillende kosten als zakelijk heeft opgenomen, terwijl deze niet als zodanig kwalificeren. Er zijn daardoor kosten in aftrek gebracht die niet op hem als ondernemer drukken. Door zo te handelen is de winst lager uitgevallen en is ook minder inkomstenbelasting betaald dan verschuldigd is. Deze gedragingen kwalificeert de inspecteur als het willens en wetens doen van een onjuiste aangifte. Belanghebbende wist door het boeken van privé-uitgaven als kosten dat hij hierdoor een onjuiste aangifte zou doen. Hierdoor is sprake van opzet en acht de inspecteur een boete van 50% gerechtvaardigd. Subsidiair stelt de inspecteur dat sprake is van grove schuld. De inspecteur ziet reden voor matiging van de boete gelet op de overschrijding van de redelijke termijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De inspecteur heeft met het door hem gestelde niet doen blijken dat aan belanghebbende opzet kan worden verweten ten aanzien van het onjuist of onvolledig doen van aangifte. De rechtbank acht wel bewezen dat sprake is van grove schuld. Belanghebbende had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. Een vergrijpboete van 25% is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden. 7.7. De conclusie is dat de rechtbank de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV zal verminderen naar € 762 en de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag ZVW 2010 naar € 46. Undue delay 7.8. Daarnaast vormt de duur van de procedure voor de rechtbank aanleiding tot ambtshalve matiging van de boeten, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 25 januari 2019 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijnomdat op dat moment de boeten zijn aangekondigd door de kennisgeving van de vergrijpboete. De rechtbank doet uitspraak op 1 mei 2023. Sinds de aankondiging van de boeten zijn dan afgerond 52 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met een duur van meer dan 2 jaar. De boete voor de IB/PVV zal daarom worden gematigd met 20% tot € 609 en de boete voor de ZVW met 20% tot € 36. Vergrijpboeten bij de aanslag ZVW 2011 en de aanslagen IB/PVV en ZVW 2012 7.9. De inspecteur kan een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan.Voor het wettelijk kader verwijst de rechtbank eveneens naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van (voorwaardelijke) opzet onder 7. 7.10. De inspecteur stelt dat belanghebbende bewust verschillende kosten als zakelijk heeft opgenomen, terwijl deze niet als zodanig kwalificeren. Er zijn daardoor kosten in aftrek gebracht die niet op hem als ondernemer drukken. Door zo te handelen is de winst lager uitgevallen en is er ook minder inkomstenbelasting betaald. Deze gedragingen kwalificeert de inspecteur als het willens en wetens doen van een onjuiste aangifte. Belanghebbende wist door het boeken van privé-uitgaven als kosten dat hij hierdoor een onjuiste aangifte zou doen. Hierdoor is sprake van opzet en acht de inspecteur een boete van 50% gerechtvaardigd. 7.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast, nu de inspecteur niet heeft doen blijken dat aan belanghebbende opzet kan worden verweten ten aanzien van het onjuist of onvolledig doen van aangifte. Grove schuld is niet voldoende om bij de aanslagregeling een vergrijpboete op te kunnen leggen. De rechtbank zal de vergrijpboeten bij de aanslag ZVW 2011, de aanslag IB/PVV 2012 en de aanslag ZVW 2012 daarom vernietigen. Wat betekent dit voor de heffingsrente- en belastingrentebeschikkingen? 8. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente respectievelijk belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente aangevoerd. De rechtbank vermindert het bedrag van de heffingsrente respectievelijk belastingrente voor de jaren 2010, 2011 en 2012 overeenkomstig de vermindering van de (navorderings)aanslagen over die jaren. De rechtbank ziet voor de jaren 2009 en 2016 geen aanleiding af te wijken van de heffingsrentebeschikking respectievelijk belastingrentebeschikking, aangezien het bedrag van die (navorderings)aanslagen niet wijzigt. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding? 9. Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de onderhavige geschillen beslecht hadden moeten zijn. Belanghebbende stelt daarbij dat ondanks de gevoegde behandeling recht bestaat op een immateriële schadevergoeding voor belanghebbende en zijn partner afzonderlijk. 9.1. Voorop staat dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft.In een geval als het onderhavige, waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband voorts te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. 9.2. De rechtbank stelt vast dat in de zaken met betrekking tot de (navorderings)aanslagen 2010, 2011, 2012 en 2016 van belanghebbende (nagenoeg) dezelfde geschilpunten ter discussie staan. De motivering van het beroep is in de hiervoor genoemde zaken nagenoeg identiek, dan wel vergelijkbaar. Tenslotte zijn de hiervoor genoemde zaken gezamenlijk behandeld op de zitting van 9 februari 2023. Gelet hierop bestaat voor alle fasen van deze procedures samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriële schadevergoeding voor de zaken met betrekking tot de (navorderings)aanslagen 2010, 2011, 2012 en 2016 eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd. Voor het jaar 2009 is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van samenhang. Weliswaar is sprake van een gezamenlijke behandeling, maar het jaar 2009 heeft in hoofdzaak betrekking op een ander onderwerp, zijnde het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Nu de rechtbank heeft geconcludeerd dat geen samenhang in de hier bedoelde zin bestaat, heeft belanghebbende voor het jaar 2009 dus afzonderlijk recht op een vergoeding van € 500 per half jaar. 9.3. De bezwaarschriften zijn bij de inspecteur ingekomen op 2 mei 2019. De rechtbank doet uitspraak op 1 mei 2023. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 24 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 4.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt 4/24 deel (afgerond € 667) voor rekening van de inspecteur, en de rest (€ 3.333) voor rekening van de Minister. De rechtbank merkt de Minister in zoverre mede aan als partij in dit geding. De rechtbank: - verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2010, de aanslag ZVW 2011, de aanslagen IB/PVV en ZVW 2012, de daarbij behorende heffingsrente- en belastingrente- en boetebeschikkingen, de aanslag IB/PVV 2011 en de boetebeschikking behorende bij de navorderingsaanslag ZVW 2010 gegrond; 2009 - vernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 opgelegde boetebeschikking; - vermindert de boete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 tot € 16.796; 2010 - vernietigt de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en de daarbij opgelegde heffingsrentebeschikking en boetebeschikking en ten aanzien van de bij de navorderingsaanslag ZVW 2010 opgelegde boetebeschikking, behoudens de beslissing over de vergoeding van de kosten van de bezwaarfase; - vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.426 met behoud van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig; - vermindert de boetebeschikking die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot € 609; - vermindert de boetebeschikking die is opgelegd bij de navorderingsaanslag ZVW 2010 tot € 36; 2011 - vernietigt de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de aanslagen IB/PVV en ZVW 2011 en ten aanzien van de bij de aanslag ZVW 2011 opgelegde heffingsrentebeschikking en boetebeschikking, behoudens de beslissing over de vergoeding van de kosten van de bezwaarfase; - vermindert de aanslag IB/PVV 2011 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.631 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, met behoud van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de aanslag ZVW 2011 tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 3.631; - vermindert de heffingsrentebeschikking bij de aanslag ZVW 2011 dienovereenkomstig; - vernietigt de boetebeschikking die is opgelegd bij de aanslag ZVW 2011; 2012 - vernietigt de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de aanslagen IB/PVV en ZVW 2012 en de daarbij opgelegde belastingrentebeschikkingen en boetebeschikkingen, behoudens de beslissing over de vergoeding van de kosten van de bezwaarfase; - vermindert de aanslag IB/PVV 2012 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.616 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, met behoud van de overige elementen van de aanslag; - vermindert de belastingrentebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2012 dienovereenkomstig; - vernietigt de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2012; - vermindert de aanslag ZVW 2012 tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 26.626; - vermindert de belastingrentebeschikking bij de aanslag ZVW 2012 dienovereenkomstig; - vernietigt de boetebeschikking die is opgelegd bij de aanslag ZVW 2012; - verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - veroordeelt de inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van immateriële schade van € 667; - veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 3.333; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.000 aan proceskosten aan belanghebbende; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 48 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Hage, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. drs. M.H. van Schaik, leden, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 1 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer). Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze. Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2209. Op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001. Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2209. Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130. Volgens artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001. 12% van € 250 op grond van artikel 3.79a van de Wet IB 2001. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4426. Artikel 67e van de AWR. Hoge Raad 24 augustus 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2845. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, r.o. 3.4.5. Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 r.o. 3.2. Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962. In de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713 In de zin van artikel 6 van het EVRM. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713 Artikel 67d van de AWR. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540. Zijnde tweemaal € 2.000 gelet op de overweging 9.2. € 600 (bezwaarfase) + € 1.884 (beroepsfase). Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR. 10. De beroepen tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2010, 2011 en 2012 en de aanslagen ZVW 2011 en 2012 zijn gegrond. Daarnaast zijn de beroepen tegen de boetebeschikkingen 2010 en 2012 voor de IB/PVV en de boetebeschikkingen over 2010, 2011 en 2012 voor de ZVW gegrond. Hetzelfde geldt voor de beroepen tegen de heffingsrente- en belastingrentebeschikkingen over die jaren. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond. Ook heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 4.000. 10.1. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. 10.2. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. De vergoeding is daarom met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de bezwaarfase geldt het volgende. Belanghebbende en zijn partner zijn bij hun verzoek om een proceskostenvergoeding uitgegaan van samenhang. De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken. 10.3. Voor de bezwaarfase geldt het volgende. Ter zitting heeft de inspecteur ermee ingestemd om aan de zaken het gewicht ‘zwaar’ toe te kennen. De kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt dan vastgesteld op € 1.332 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek met een waarde per punt van € 296, een wegingsfactor van 1,5 en een factor wegens samenhangende zaken van 1,5). Omdat belanghebbende en zijn partner in de bezwaarfase al een vergoeding hebben gehad van € 732, resteert nog een te vergoeden bedrag door de inspecteur van € 600. 10.4. Met betrekking tot de beroepsfase geldt het volgende. De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt vastgesteld op € 1.884 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 837, een wegingsfactor van 1,5 en een factor wegens samenhangende zaken van 1,5). Voor de bezwaarfase en beroepsfase tezamen bedraagt de proceskostenvergoeding aldus € 2.484, naast hetgeen al bij de uitspraak op bezwaar was toegekend. 10.5. De rechtbank ziet aanleiding om van de totale proceskostenvergoeding € 2.000 toe te kennen aan belanghebbende en de rest aan de partner.