Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:2361
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 12079532 \ VV EXPL 26-9 Vonnis in kort geding van 30 maart 2026 in de zaak van Woonstichting Land van Altena gevestigd en kantoorhoudende te Nieuwendijk eisende partij hierna te noemen: Woonstichting Land van Altena gemachtigde: mr. R. Boekhoff tegen [gedaagde] zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Nederland gedaagde partij hierna te noemen: [gedaagde] niet in de procedure verschenen De zaak in het kort In deze kort gedingprocedure vordert de verhuurder Woonstichting Land van Altena de ontruiming van een door [gedaagde] gehuurde woning en betaling van een huurachterstand. [gedaagde] lijkt al enige maanden niet meer in de woning te verblijven. Hij voert geen verweer. De vorderingen worden toegewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de op 5 februari 2026 uitgebrachte dagvaarding met producties; - de mondelinge behandeling van de zaak op 16 maart 2026, waarbij door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de tijdens de mondelinge behandeling door Woonstichting Land van Altena overgelegde aanvullende productie. 1.2. Door middel van de dagvaarding, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 54 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij deze rechtbank werd betekend, terwijl een uittreksel van die dagvaarding bekend is gemaakt in de Staatscourant van 9 februari 2026, werd [gedaagde] opgeroepen om op 16 maart 2026 ter zitting te verschijnen. Op het verzoek van Woonstichting Land van Altena werd de in artikel 115 lid 2 Rv vermelde termijn van dagvaarding door de kantonrechter verkort (artikel 117 Rv). 1.3. [gedaagde] is, hoewel hij op de hierboven beschreven wijze behoorlijk werd gedagvaard met inachtneming van de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten, niet ter zitting verschenen en heeft ook niet tijdig een schriftelijk antwoord ingediend of om uitstel van de behandeling van de zaak gevraagd. Daarom werd ter zitting tegen hem verstek verleend. 2 De feiten 2.1. Met ingang van 4 november 2022 huurt [gedaagde] voor onbepaalde tijd van (de rechtsvoorganger van) Woonstichting Land van Altena de woning aan het adres [adres] (gemeente Altena). De huurprijs, vermeerderd met een voorschotbedrag voor de levering van diensten bedraagt thans € 564,24 per maand. 2.2. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de algemene huurvoorwaarden voor woonruimte van Mooiland (de rechtsvoorganger van Woonstichting Land van Altena) d.d. 1 juli 2019. Op grond van artikel 7.1 van die voorwaarden dient [gedaagde] de huurprijs en het voorschotbedrag voor de levering van diensten telkens uiterlijk op de eerste dag van iedere maand te voldoen. 2.3. Tevens is [gedaagde] op grond van artikel 8 van diezelfde voorwaarden gehouden om de woning uitsluitend als woonruimte te gebruiken, om de woning zelf daadwerkelijk te bewonen en daarin voortdurend zijn hoofdverblijf te hebben en om aan omwonenden geen overlast of hinder te (doen) veroorzaken, terwijl het ook niet is toegestaan om in de woning hennep te telen of ander gewassen te kweken die op grond van de Opiumwet verboden zijn en is hij verplicht om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan de woning. 2.4. Op 11 februari 2025 heeft Woonstichting Land van Altena met betrekking tot [gedaagde] aan de gemeente Altena melding gedaan als bedoeld in artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening. Vervolgens is begeleiding ingezet, die begin januari 2026 door de schuldbemiddelaar werd gestaakt. 2.5. Woonstichting Land van Altena heeft [gedaagde] bij brief van 1 december 2025 uitgenodigd om met hem te spreken over de bij die brief gevoegde gedragsaanwijzing. In de gedragsaanwijzing zijn de redenen daarvoor opgesomd. Aan [gedaagde] werd als alternatief voorgehouden dat hij de huurovereenkomst kon opzeggen. 2.6. Op 3 december 2025 schreef [gedaagde] in een e-mail aan zijn schuldbemiddelaar - verkort en zakelijk weergegeven - dat eind september zijn paspoort, sleutels en portemonnee zijn gestolen. Dieven zijn in de woning geweest en hebben vernielingen aangericht. Hij wil weer in Nederland wonen maar niet op hetzelfde adres. 2.7. In een tweede brief van 15 december 2025 constateerde Woonstichting Land van Altena dat [gedaagde] op haar uitnodiging niet is verschenen, zij geen huuropzegging heeft ontvangen en dat er een huurachterstand bestaat. Zij gaf [gedaagde] een termijn van een week op de huurovereenkomst op te zeggen alvorens zij rechtsmaatregelen zou nemen. 2.8. [gedaagde] heeft de huurovereenkomst niet opgezegd. 2.9. De gemeente Altena heeft [gedaagde] per 24 december 2025 uitgeschreven uit de Basisregistratie personen om de reden dat hij niet meer woont op het adres waar hij stond ingeschreven. 3 Het geschil 3.1. Woonstichting Land van Altena vordert samengevat - ontruiming van de woning aan het adres [adres] en betaling van de onbetaald gelaten huur en van een vergoeding ten bedrage van € 564,24 per maand tot aan de ontruiming. 3.2. Aan die vorderingen legt Woonstichting Land van Altena ten grondslag dat [gedaagde] in strijd met de toepasselijke algemene huurvoorwaarden de woning niet bewoont, hij zijn verplichting tot tijdige betaling van de huur niet nakomt en een betalingsachterstand heeft laten ontstaan, dat hij zich niet als een goed huurder gedraagt doordat bij een controlebezoek van de politie op 12 november 2025 in de woning veel rommel en rottende etensresten werden aangetroffen, in de woning vermoedelijk hennepteelt heeft plaatsgevonden en door-dat [gedaagde] niet reageert op oproepen tot gesprek vanwege Woonstichting Land van Altena. 3.3. Zoals hierboven reeds vermeld werd door [gedaagde] geen verweer gevoerd. 4 De beoordeling 4.1. Bij de beoordeling van de zaak staat voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. 4.2. Naar het oordeel van de kantonrechter is op grond van de niet betwiste stellingen van Woonstichting Land van Altena voldoende aannemelijk dat zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft, zodat zij daarin kan worden ontvangen. 4.3. Woonstichting Land van Altena stelt onweersproken dat [gedaagde] de woning niet bewoont. Volgens Woonstichting Land van Altena is naar aanleiding van een vermoeden van hennepteelt de politie op 12 november 2025 de woning binnengetreden. De politie constateerde onder andere veel rommel, maar geen persoonlijke eigendommen, alsook een sterke geur van rottende etensresten. Verder heeft [gedaagde] in een e-mail van 3 december 2025 aan zijn schuldbemiddelaar laten weten dat hij niet meer op het betreffende adres wilde wonen. Ook in december 2025 heeft de gemeente Altena [gedaagde] uitgeschreven uit de basisregistratie personen. En ten slotte heeft een medewerker van Woonstichting Land van Altena op 22 januari 2026 een huisbezoek af willen leggen maar trof [gedaagde] niet aan. Wel was de brievenbus overvol en maakte de woning nog steeds een onbewoonde indruk, aldus Woonstichting Land van Altena. Overwogen wordt dat uit deze omstandigheden voldoende blijkt dat [gedaagde] niet (langer) zijn woonstede in het gehuurde heeft. Daardoor schiet hij tekort in de nakoming van een van zijn belangrijkste verplichtingen uit de huurovereenkomst. 4.4. Een andere belangrijke verplichting die [gedaagde] volgens Woonstichting Land van Altena niet nakomt betreft de (tijdige) betaling van de huur c.a. Ter zitting heeft Woonstichting Land van Altena een overzicht van de nog openstaande bedragen overgelegd. Daaruit volgt dat geen betaling werd ontvangen voor de maanden december 2025 tot en met maart 2026.