Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:4082
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-306510-25 Vonnis van de meervoudige kamer van 13 mei 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 2002, niet ingeschreven in de basisregistratie personen in Nederland, ingeschreven op het adres [adres] (Canarische Eilanden). 1 Onderzoek op de terechtzitting Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 april 2026. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte feit 1: [slachtoffer 1] heeft mishandeld; feit 2: [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel in de vorm van littekens in het gezicht heeft toegebracht, dan wel dat hij dat heeft geprobeerd, dan wel dat hij hem heeft mishandeld; feit 3: zich met geweld heeft verzet tegen zijn aanhouding. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2 primair en 3 heeft begaan. Hij verzoekt partiële vrijspraak voor het trappen onder feit 1, omdat hiervoor onvoldoende ondersteund bewijs is. 4.2. Het oordeel van de rechtbank 4.2.1. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.2.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 De rechtbank is van oordeel dat de mishandeling van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen kan worden. Feit 2 Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de zware mishandeling van [slachtoffer 2] (primair) wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit blijvende littekens in zijn gezicht, toegebracht door hem met een glas in zijn gezicht te slaan. Feit 3 Ook de wederspannigheid, bestaande uit het met geweld verzetten tegen de aanhouding door verbalisant [verbalisant] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. 4.3. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 op 9 september 2025 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen in/op/tegen het gezicht en lichaam te slaan; 2 op 12 oktober 2025 te Tilburg aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten littekens in het gezicht, heeft toegebracht door die [slachtoffer 2] met glas in het gezicht te slaan; 3 op 12 oktober 2025 te Tilburg zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening te weten ter aanhouding van verdachte, door in een andere richting te bewegen en zijn armen aan te spannen en zijn armen weg te trekken en zijn armen op en neer te bewegen, zodat de transportboeien niet aangebracht konden worden bij verdachte. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. 6.2. Het oordeel van de rechtbank Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling, een zware mishandeling en wederspannigheid. De mishandeling van [slachtoffer 1] vond plaats in de nacht en op de openbare weg in september 2025. Door het slaan tegen het gezicht heeft [slachtoffer 1] een hersenschudding opgelopen, waarvan hij nog lang de gevolgen heeft ondervonden. Ook heeft dit incident ertoe geleid dat [slachtoffer 1] psychische klachten ervaarde, bestaande uit herbelevingen en slapeloosheid. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . In oktober 2025 vierde slachtoffer [slachtoffer 2] zijn verjaardag in een café met familie overgekomen vanuit het buitenland. Wat begon als een bijzondere en fijne avond veranderde die nacht in een nachtmerrie. Uit het niets werd [slachtoffer 2] door verdachte met een glas in zijn gezicht geslagen. Hierdoor liep hij meerdere snijverwondingen in zijn gezicht op, waaronder een forse snee van maar liefst vier centimeter op zijn rechterwang. Dit heeft geleid tot meerdere ontsierende littekens in zijn gezicht. [slachtoffer 2] is pas 32 jaar en zal de rest van zijn leven elke dag opnieuw worden geconfronteerd met dit feit door de blijvende littekens. Daarnaast ervaart [slachtoffer 2] ook psychische gevolgen door dit incident. Er is sprake van aanhoudende angst- en stressklachten die zijn dagelijks functioneren sterk beïnvloeden. Hij ondergaat voor deze klachten een langdurende behandeling bij de psycholoog. Verdachte is, zonder dat er enige aanleiding bestond, overgegaan tot gewelddadig optreden tegenover de slachtoffers. De rechtbank begrijpt dat de slachtoffers een gevoel van machteloosheid en onbegrip hebben en dat zij zich afvragen waarom zij het slachtoffer zijn geworden. Het is heel zorgelijk dat verdachte zo lichtvaardig overgaat tot deze handelingen en daarbij willekeurig zijn slachtoffers kiest. Naast het leed dat dit soort feiten voor de slachtoffers met zich brengt, veroorzaken dit soort incidenten ook gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Daarnaast heeft verdachte zich tijdens zijn aanhouding ook met geweld verzet tegen een verbalisant die zijn werk slechts doet ten behoeve van de samenleving. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel blijkt daaruit dat verdachte is gedagvaard voor een mishandeling die gepleegd zou zijn zeer kort na deze incidenten, namelijk in januari 2026. Het is zorgelijk dat verdachte kort nadat hij bij de politie is geconfronteerd met het letsel dat hij heeft veroorzaakt wederom in aanraking komt met politie en justitie voor een soortgelijk misdrijf. Straf Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat enkel met de oplegging van een gevangenisstraf kan worden volstaan. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht als uitgangspunt genomen en rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel. Alles overwegend zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van tien maanden met aftrek van voorarrest. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 7 De vorderingen van de benadeelde partijen 7.1. De vordering van [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 2.163,81 bestaande uit € 1.163,81 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Materiële schade Door de benadeelde is schadevergoeding gevorderd vanwege het verlies van arbeidsvermogen. Het gevorderde bedrag betreft het verschil tussen het gemiddelde inkomen en het ontvangen loon in de periode na het incident. Het gemiddelde bedrag is gebaseerd op de loonstroken van drie maanden voorafgaand aan het incident en één maand na het incident. Uit deze loonstroken blijkt niet dat de benadeelde in de zomerperiode aanzienlijk meer uren heeft gewerkt. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag redelijk is en zal dit bedrag volledig toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Immateriële schade De hoogte van de gevorderde immateriële schade is deels gebaseerd op lichamelijk letsel en deels op psychisch letsel. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van lichamelijk letsel bestaande uit een hersenschudding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende onderbouwd dat hij naast lichamelijk letsel ook ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is ook sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat een bedrag aan immateriële schade passend is. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend in aanmerking genomen. De rechtbank acht vergoeding van een bedrag van € 750,00 billijk. Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden op dit moment niet voldoende vast staan. Nader onderzoek naar dat deel van de vordering is aangewezen. Dit verdere onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie Het totaalbedrag dat de rechtbank aan schadevergoeding zal toewijzen bedraagt € 1.913,81, bestaande uit € 1.163,81 voor materiële schade en € 750,00 voor immateriële schade. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegekende schadebedrag vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 9 september 2025. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. 7.2. De vordering van [slachtoffer 2] De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert voor feit 2 een schadevergoeding van € 17.882,32, bestaande uit € 882,32 aan materiële schade en € 17.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Materiële schade Een gedeelte van de gevorderde materiële schade bestaat uit het eigen risico voor 2026. De rechtbank stelt vast dat deze post ziet op mogelijke toekomstige kosten. De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen of het volledige eigen risico op zal gaan aan de kosten voor de psychische behandeling. De rechtbank acht dit deel van de vordering daarom onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De overige gevorderde materiële schade acht de rechtbank voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Immateriële schade De hoogte van de gevorderde immateriële schade is deels gebaseerd op lichamelijk letsel en deels op psychisch letsel. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van lichamelijk letsel bestaande uit verwondingen en ontsierende littekens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende onderbouwd dat hij naast lichamelijk letsel ook ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is ook sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat een bedrag aan immateriële schade passend is. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank de Rotterdamse schaal, alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend in aanmerking genomen. De rechtbank acht vergoeding van een bedrag van € 6.000,00 billijk. Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden op dit moment niet voldoende vast staan. Nader onderzoek naar dat deel van de vordering is aangewezen. Dit verder onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Conclusie Het totaalbedrag dat de rechtbank aan schadevergoeding zal toewijzen bedraagt € 6.497,32, bestaande uit € 497,32 voor materiële schade en € 6.000,00 voor immateriële schade. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegekende schadebedrag vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 12 oktober 2025. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 180, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9 Beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: mishandeling feit 2 primair: zware mishandeling feit 3: wederspannigheid - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tien (10) maanden ; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partijen T.a.v. feit 1 - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.913,81, waarvan € 1.163,81 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 september 2025 tot aan de dag der voldoening; - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 1.913,81 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 september 2025 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 19 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; T.a.v. feit 2 - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 6.497,32, waarvan € 497,32 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening; - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 6.497,32 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 57 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. D.H. Hamburger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 mei 2026. De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I: De tenlastelegging 1 hij, op of omstreeks 9 september 2025 te Tilburg , [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of lichaam te slaan en/of te trappen; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij, op of omstreeks 12 oktober 2025 te Tilburg , aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer littekens in het gezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] met glas in het gezicht te slaan en/of uit te halen; ( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 12 oktober 2025 te Tilburg , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met glas in het gezicht heeft geslagen en/of heeft uitgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 12 oktober 2025 te Tilburg , [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met glas in het gezicht te slaan en/of uit te halen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een of meer littekens in het gezicht; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht ) 3 hij, op of omstreeks 12 oktober 2025 te Tilburg , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdache, door in een andere richting te bewegen en/of zijn armen aan te spannen en/of zijn armen weg te trekken en/of zijn armen op en neer te bewegen, zodat de transportboeien niet aangebracht konden worden bij verdachte; ( art 180 Wetboek van Strafrecht )