Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:866
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2804 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (het college), verweerder, (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor griffierecht. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor griffierecht. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 7 mei 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college eisers aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college zijn gemachtigde, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] . Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1 Eiser heeft een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor het griffierecht dat hij verschuldigd is in verband met een procedure bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (Tuchtcollege). 3.2 Met het primaire besluit van 19 februari 2025 heeft het college deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat ook na herhaald verzoek eiser niet de benodigde gegevens verstrekt heeft. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 3.3 Met het bestreden besluit van 7 mei 2025 heeft het college dit bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, gegrond verklaard en eisers aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college stelt dat eisers aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Op het moment dat het primaire besluit genomen werd, was de fase waarin redelijkerwijs nog kon worden gesproken over een incomplete aanvraag gepasseerd. Het college wijst eisers aanvraag af omdat eiser de noodzakelijkheid van de procedure bij het Tuchtcollege, ondanks dat hij daartoe meermaals in de gelegenheid is gesteld, niet heeft aangetoond. Beroep 4.1 Eiser stelt dat het college herhaaldelijk onrechtmatige eisen heeft gesteld, zoals het motiveren van de noodzaak van de procedure en het overleggen van bewijs van indiening van de klacht bij de Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg (SKGE). 4.2 Uit rechtspraak volgt volgens eisers dat bijzondere bijstand voor griffierechten een objectieve kostenpost vormen. Gemeentes mogen de inhoudelijke merites van de onderliggende procedure niet toetsen. Toetsing van de noodzakelijkheid moet terughoudend zijn en mag niet verder gaan dan het vaststellen dat de procedure niet evident kansloos is. De jurisprudentie waar in het bestreden besluit naar wordt verwezen, ziet niet specifiek op tuchtprocedures. 4.3 Het college heeft met het stellen van de eis, dat de klacht eerst moet worden besproken met de zorgverlener of de SKGE, eisers vrije keuze om een juridische route te bewandelen onrechtmatig beperkt. Er is een ontoelaatbare inperking van eisers toegang tot de rechter en het Tuchtcollege. Dit is in strijd met artikel 6 van het EVRM en artikel 17 van de Grondwet. 4.4 Eiser wijst verder op de afhandeling van de formele klacht die hij heeft ingediend tegen mevrouw [naam] vanwege belangenverstrengeling, onzorgvuldige communicatie en onrechtmatige inmenging in juridische zaken. Als gevolg daarvan is onderhavige besluitvorming volgens eiser onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser verzoekt de rechtbank om te bepalen dat [naam] wordt vervangen. Toetsingskader 5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Oordeel van de rechtbank 6.1 De rechtbank overweegt allereerst over eisers grond over zijn klacht tegen [naam] dat zij in deze bestuursrechtelijke procedure niet kan oordelen over (de afwikkeling van) die klacht. Als eiser het daarmee niet eens is, kan hij zich wenden tot de Ombudsman, zoals ook is vermeld in de beslissing op zijn klacht van 20 augustus 2025. De bestuursrechter is evenmin bevoegd om te bepalen dat [naam] wordt vervangen vanwege belangenverstrengeling. Het enige dat de rechtbank in deze procedure kan beoordelen is of het college op goede gronden geweigerd heeft om bijzondere bijstand voor griffierecht aan eiser toe te kennen. 6.2 Op grond van artikel 35 van de Participatiewet (PW) kan recht bestaan op bijzondere bijstand. Bij de toepassing van dit artikel dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel aanwezig indien krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Indien van een toevoeging geen sprake is, dient het bijstandverlenend orgaan zich aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zelfstandig een oordeel te vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om de gestelde noodzakelijkheid van de procedure van een toereikende onderbouwing te voorzien en aannemelijk te maken. Hierbij past niet een al te indringende toets van de noodzaak van de procedure. Het bijstandverlenend orgaan zal daarom terughoudendheid moeten betrachten bij de toetsing van de noodzaak van de procedure. 6.3 Eiser heeft gesteld dat griffierecht een objectieve kostenpost is en dat dat uit rechtspraak blijkt. De rechtbank heeft dat echter niet kunnen afleiden uit gepubliceerde rechtspraak. De door eiser genoemde uitspraken zijn niet gepubliceerd c.q. bestaan niet. Uit de rechtspraak blijkt alleen de hiervoor onder r.o. 6.2 vermelde toets. 6.4 Het college heeft gesteld dat de procedure bij het Tuchtcollege betrekking heeft op een klacht tegen een huisarts. De huisartsenpraktijk biedt zelf de mogelijkheid om een klacht bespreekbaar te maken. Wordt er niet uitgekomen dan kan de klacht worden voorgelegd aan de SKGE. Het college heeft aan eiser gevraagd of van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt en wat de uitkomst is. Met deze vraag is volgens het college beoogd op een niet te indringende wijze de noodzakelijkheid van de procedure en kosten te beoordelen. Eiser heeft echter geen antwoord gegeven op de vraag zodat de noodzaak niet beoordeeld kan worden. 6.5 Niet in geschil is dat aan eiser voor de procedure bij het Tuchtcollege geen toevoeging is verleend voor rechtsbijstand. Het college diende zich daarom een zelfstandig oordeel te vormen over de noodzaak van die procedure. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, in dat kader, aan eiser kunnen vragen of hij de (klacht)procedure bij de huisartsenpraktijk en de SKGE gevolgd heeft. Daarmee is niet gevraagd naar de (medische) inhoud van de klacht en deze toets is niet indringend van aard. Deze vraag valt dus binnen de terughoudende toetsing door het college. Eiser heeft alleen aangegeven dat hij een procedure bij het Tuchtcollege wil starten in verband met medische nalatigheid. Op verdere vragen van het college heeft eiser niet geantwoord.