Rechtspraak Raad van State 2001-02-15
ECLI:NL:RVS:2001:AB1436
Bestuursrecht
Raad van State 200001817/01 Datum uitspraak: 15 februari 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: A, h.o.d.n. C, wonend te B, appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 27 maart 2000 in het geding tussen: appellant en de Algemeen Directeur van de RDW. Bij besluit van 16 oktober 1998 heeft de Algemeen Directeur van de RDW (hierna: de Directeur) de erkenning van appellant voor de (APK-) keuringsplaats […] […] te B met keuringsinstantienummer […] voor de categorie tot en met 3500 kg ingetrokken voor een periode van twaalf weken. Bij besluit van 9 juli 1999 heeft de Directeur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 27 maart 2000, verzonden op 4 april 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 april 2000, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 mei 2000. Laatstgenoemde brief is aangehecht. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.B. van Soerland, advocaat te Heerlen, en de Directeur, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. Bischoff, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. vernietigt de aangevallen uitspraak; II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; III. vernietigt het besluit van de Directeur van 9 juli 1999; IV. veroordeelt de Directeur in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.840,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Dienst Wegverkeer te worden betaald aan appellant; V. gelast dat de Dienst Wegverkeer aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (f 225,00 en f 340,00; totaal f 565,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.J.R. Bakker, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat. w.g. Bakker w.g. Dallinga Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001 18. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, 2.1. Ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), voorzover hier van belang, wordt een keuringsbewijs afgegeven indien het motorrijtuig heeft voldaan aan de eisen die ingevolge artikel 71 wat betreft bouw, inrichting en staat van onderhoud aan dat voertuig worden gesteld. Artikel 71 van de WVW 1994 luidt als volgt: "Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent: a. de eisen waaraan moet worden voldaan met betrekking tot voertuigen waarmee over de weg wordt gereden; b. de inrichting van voertuigen die op de weg staan. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van die regels voorschriften worden vastgesteld." Ingevolge artikel 76, derde lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop wordt onderzocht of een voertuig voldoet aan de in artikel 75 bedoelde eisen, alsmede omtrent hetgeen verder met betrekking tot de behandeling van de aanvraag van een keuringsbewijs noodzakelijk is. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder b en f, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdelen a en b, of de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, een keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, of handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen. Artikel 5.2.29 van het Voertuigreglement (een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in onder meer artikel 71 van de WVW 1994), welk artikel handelt over permanente eisen met betrekking tot de stuurinrichting van personenauto's, luidt als volgt: "1. De bestuurde wielen van personenauto's moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. 2. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. 3. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. 4. Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. 5. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. 6. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. 7. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. 8. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. 9. Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, vijfde en zesde lid." In artikel 3 van de - gelet op artikel 76, derde lid, van de WVW 1994 totstandgekomen - Regeling wijze van keuren APK (Stcrt. 1994, 231, zoals nadien gewijzigd) is bepaald dat voor de periodieke keuring van personenauto's bijlage 1 van toepassing is, waarbij in de linkerkolom zijn weergegeven de keuringseisen van hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement en in de rechterkolom de daarbij behorende wijzen van keuren. In die bijlage staat met betrekking tot het zesde lid van evengenoemd artikel 5.2.29 het volgende: "1. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. 2. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de personenauto op de wielen rust; b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. 3. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. 4. Op de speling is artikel 2.7.3 van de Regeling permanente eisen van toepassing." Dit artikel 2.7.3 van de Regeling permanente eisen (een ministeriële regeling van 27 april 1998, Stcrt. 1998, 84, nadien gewijzigd bij de regeling van 27 april 1999, Stcrt. 1999, 88) luidt als volgt: "1. Stuurkogels en de overige stuurverbindingen in het stangenstelsel mogen, naast eventuele oorspronkelijke speling, door slijtageverschijnselen niet meer speling hebben dan: a. 1,0 mm, in radiale richting, zoals weergegeven in figuur 11; b. 1,0 mm, in axiale richting, zoals weergegeven in figuur 11. 2. De in het eerste lid genoemde oorspronkelijke speling van de stuurkogel die het gevolg is van de indrukking van het veerelement in de kogel, wordt vastgesteld: a. met behulp van het werkplaatshandboek of soortgelijke informatie, dan wel b. door middel van indrukking van een nieuwe kogel." 2.2. Bij het besluit van 16 oktober 1998, zoals gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 9 juli 1999, heeft de Directeur, met toepassing van artikel 5, onder c en d, van de Bekendmaking vaststelling cusumsysteem Erkenningsregeling-APK, de erkenning van appellant ingetrokken omdat één afzonderlijke cusumbijdrage 9,4 of hoger was en appellant in een periode van twaalf maanden drie maal in de P(enalty)-klasse was geplaatst. Aan deze cusumbijdrage en de plaatsing lag met name ten grondslag een overtreding van artikel 2.7.3 van de Regeling permanente eisen. De speling van de stuurkogels van een door appellant goedgekeurd voertuig, een Fiat 600, zou de toegestane marge overschrijden. Die marge bedroeg slechts 1 mm omdat appellant niet over de in het tweede lid van dit artikel genoemde informatie beschikte. Zelfs indien enkele stuurkogels een speling van 3 mm mochten bezitten, komt de totale cusumbijdrage op 9,4, aldus de Directeur. Volgens hem had appellant, nu hij niet over de middelen dan wel informatie beschikte om de oorspronkelijke en toegestane speling van de stuurkogels te achterhalen, niet tot goedkeuring mogen overgaan. Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de Directeur terecht en op goede gronden tot zijn besluit is gekomen. 2.2.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat een stuurkogel met veerelement nimmer in axiale (verticale) richting een slijtage kan vertonen, omdat de veerkracht op de kogel voor een zelfinstellende werking zorgt. De stuurkogels hadden daarom niet mogen worden afgekeurd, aldus appellant. Voorts heeft appellant erop gewezen dat de herkeuring op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. 2.3. De Afdeling stelt voorop dat artikel 90 van de WVW 1994 noch artikel 8:4, onder f, van de Awb zich verzet tegen een beoordeling door de rechter van het bestreden besluit, nu het hier niet zozeer gaat om (het inhoudelijke resultaat van) een technische beoordeling van een voertuig als zodanig, maar om de (procedurele) wijze waarop deze beoordeling heeft plaatsgevonden en om de vraag of daarbij de juiste criteria zijn gehanteerd. Dit is in dit geval te meer van belang omdat het resultaat van de steekproef en de herkeuring een rol speelt in het cusumsysteem en daarmee direct doorwerkt in de op te leggen sanctie. Deze sanctie is punitief van aard omdat daarbij het bevorderen van de naleving van rechtsnormen door middel van toevoeging van extra leed, ter afschrikking, voorop staat. Een dergelijke sanctie dient in rechte te kunnen worden getoetst. 2.3.1. Juist omdat het gaat om een punitieve sanctie, dienen aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen te worden gesteld. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting spitst het geschil zich toe op de vraag of die motivering in dit geval voldoende is.