Rechtspraak Raad van State 2008-01-16
ECLI:NL:RVS:2008:BC2115
Bestuursrecht
200608097/1. Datum uitspraak: 16 januari 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], thans verblijvende in detentie te [plaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 05/7276 van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 september 2006 in het geding tussen: appellant en het College van procureurs-generaal. Bij besluit van 11 februari 2005 heeft het College van procureurs-generaal (hierna: het college) het verzoek van appellant afgewezen om hem in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van hem betreffende persoonsgegevens, verkregen door middel van het opnemen van door hem gevoerde telefoongesprekken, voor zover die zijn vastgelegd op de originele gegevensdragers, daarbij bijgestaan door deskundigen ten einde de authenticiteit van deze opnamen te beoordelen. Bij besluit van 5 september 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 september 2006, verzonden op 3 oktober 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd voor zover dit strekte tot toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht en bepaald dat de rechtsgevolgen van voormeld onderdeel van het besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant onderscheidenlijk het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A. van der Plas, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. van Geloven, en bijgestaan door mr. H.C. Vermaseren, beiden medewerker bij het college, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [getuige], bijgestaan door D.L. Oz-Vermeulen, tolk. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom w.g. Scheerhout Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008 318. 2.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde onderdeel van het besluit op bezwaar in stand te laten. 2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder strafvorderlijke gegevens verstaan, gegevens over een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg verwerkt. Ingevolge artikel 39i, eerste lid, van de Wjsg deelt het college een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende strafvorderlijke gegevens zijn vastgelegd. Ingevolge artikel 39m, eerste lid, van de Wjsg kan degene aan wie overeenkomstig artikel 39i kennis is gegeven van hem betreffende strafvorderlijke gegevens het College van procureurs-generaal schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. 2.3. Het verzoek van appellant van 18 mei 2004 is tweeledig. Hij heeft naast het verzoek zoals omschreven in het besluit van 11 februari 2005 het college tevens verzocht hem mee te delen welke hem betreffende persoonsgegevens, verkregen door middel van het opnemen van door hem gevoerde telefoongesprekken, aan buitenlandse opsporingsautoriteiten zijn verstrekt. 2.4. Appellant heeft in de schriftelijk ingediende gronden van zijn hoger beroep noch ter zitting redenen aangevoerd waarom het oordeel van de rechtbank dat de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de afwijzing van het tweede gedeelte van het verzoek de toetsing in rechte kan doorstaan onjuist zou zijn. Nu bij dat oordeel geen kwesties van openbare orde betrokken zijn, ziet de Afdeling reeds daarom geen grond om op dit onderdeel tot een ander oordeel te komen. 2.5. Het eerste gedeelte van het verzoek van appellant strekt ertoe de beschikking te krijgen over de originele gegevensdragers waarop de afgeluisterde telefoongesprekken zijn vastgelegd, ten einde de authenticiteit van de opgenomen telefoongesprekken te kunnen controleren, door het doen verrichten van onderzoek aan die originele gegevensdragers (hierna: de moederbanden). Dit verzoek is ingegeven door zijn vermoeden dat de in het kader van het tegen hem gevoerde strafrechtelijk onderzoek opgenomen en in het daaropvolgende strafproces gebruikte telefoongesprekken zijn gemanipuleerd. Hij verwijst daartoe naar een aantal door hem overgelegde deskundigenrapporten, waaruit volgens hem blijkt dat beluistering van de op de kopiebanden weergegeven telefoongesprekken voldoende aanleiding geeft voor twijfel aan de authenticiteit van de opnames. 2.6. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit, zoals nader toegelicht in het bij de rechtbank ingediende verweer, heeft het college, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellant in het kader van de behandeling van zijn strafzaak reeds kennis heeft kunnen nemen van de opgenomen gesprekken door middel van het beluisteren van kopiebanden, zodat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) heeft voldaan aan het verzoek, en dat een verdergaand verzoek, gericht op het kunnen beluisteren van en het doen van onderzoek aan de moederbanden, de reikwijdte van artikel 39i Wjsg te buiten gaat. 2.7. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in gelegenheid is geweest de moederbanden te beluisteren. 2.7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in het kader van het tegen hem gevoerde strafproces kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de kopiebanden en niet in de gelegenheid is gesteld de moederbanden te beluisteren. Hoewel de rechtbank ten onrechte anders heeft overwogen, hoeft dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak te leiden. Het verzoek van appellant is er primair op gericht dat hij, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, de beschikking krijgt over de moederbanden ten einde daaraan onderzoek te doen verrichten. Het college heeft het verzoek aldus opgevat, gelet op het hierna overwogene, mogen afwijzen. 2.8. Appellant betoogt, kort weergegeven, dat de rechtbank een onjuiste, althans te beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 39i Wjsg. 2.8.1. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de opgenomen telefoongesprekken strafvorderlijke gegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, Wjsg. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2003/04, 28 886, nr. 3, p. 3), is gesteld dat het begrip strafvorderlijke gegevens ruim dient te worden opgevat. Ook het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat die gegevens als strafvorderlijke gegevens in voormelde zin moeten worden aangemerkt. De vraag of de gegevens zich lenen voor correctie op de voet van artikel 39m Wjsg staat, naar reeds werd overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2007 in zaak no. 200607796/1, www.raadvanstate.nl, los van de vraag of aanspraak bestaat op inzage van strafvorderlijke gegevens. De rechtbank heeft haar oordeel dat het college het verzoek om inzage heeft mogen afwijzen, dan ook ten onrechte gebaseerd op haar oordeel dat niet sprake is van strafvorderlijke gegevens die zich lenen voor correctie, nu het gaat om bewijsmiddelen over de authenticiteit waarvan de strafrechter tot in hoogste instantie een oordeel heeft gegeven. Het betoog van appellant slaagt derhalve, zij het op andere gronden dan door hem aangevoerd. Dit leidt evenwel, gezien het hierna overwogene, niet tot vernietiging van de uitspraak. Artikel 39i, eerste lid, van de Wjsg voorziet in kennisneming van strafvorderlijke gegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van die wet, in dit geval van de telefoongesprekken zoals die op de moederbanden zijn vastgelegd. De bepaling heeft niet betrekking op gegevensdragers, noch zijn daarin regels gesteld omtrent de wijze van kennisneming van de gegevens. Met dit oordeel wordt aangesloten bij de uitspraak van 24 januari 2007 in zaak no. 200600780/1, www.raadvanstate.nl, waarin ten aanzien van het inhoudelijk vergelijkbare artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens is overwogen dat dit artikel geen recht geeft op inzage in de documenten waarin persoonsgegevens zijn opgenomen, tenzij niet op andere wijze adequaat kan worden voorzien in kennisgeving van die gegevens dan wel de herkomst daarvan. In de toelichting bij de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II 2003/04, 28 886, nr. 8) is gesteld dat het OM op effectieve en toereikende wijze kan voldoen aan het recht op kennisneming door het verstrekken van een schriftelijke uitdraai van de gegevens die over betrokkene zijn verwerkt en dat deze wijze van kennisgeving de voorkeur verdient boven het verschaffen van inzage in stukken of het doen van mondelinge mededelingen. Hieruit heeft het college afgeleid dat het door appellant de gesprekken op de kopiebanden te laten beluisteren reeds op adequate en effectieve wijze is voorzien in het kennisnemingsrecht van appellant van de strafvorderlijke gegevens waarom het hier gaat. Nu door appellant niet is betwist dat de hem ter beschikking gestelde kopiebanden dezelfde gegevens behelzen als de moederbanden, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dat standpunt heeft mogen stellen. De Afdeling volgt het college in zijn standpunt dat het verzoek van appellant om de moederbanden te kunnen onderzoeken niet binnen de reikwijdte van artikel 39i Wjsg valt. Anders dan appellant aanvoert, vloeit uit het recht op kennisneming van strafvorderlijke gegevens niet voort een recht op onderzoek naar de wijze waarop die gegevens zijn vergaard en vastgelegd.