Rechtspraak Raad van State 2008-11-19
ECLI:NL:RVS:2008:BG4692
Bestuursrecht
200801458/1. Datum uitspraak: 19 november 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het R.K. Kerkbestuur Onze Lieve Vrouwe Onbevlekt Ontvangen Meerburg, gevestigd te Zoeterwoude-dorp, gemeente Zoeterwoude, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 januari 2008 in zaak nr. 06/7482 in het geding tussen: het R.K. Kerkbestuur Onze Lieve Vrouwe Onbevlekt Ontvangen Meerburg en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij besluit van 8 november 2005 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) de aan het R.K. Kerkbestuur Onze Lieve Vrouwe Onbevlekt Ontvangen Meerburg (hierna: het kerkbestuur) verleende subsidie ten behoeve van de restauratie van de klokkentorens van de R.K. Kerk Meerburg (hierna: de kerk) vastgesteld op € 67.687,00 en geweigerd de kosten van het meerwerk goed te keuren en geweigerd daarvoor een aanvullende subsidie te verlenen. Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) het door het kerkbestuur daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 januari 2008, verzonden op 18 januari 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door het kerkbestuur daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het kerkbestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 april 2008. De minister heeft een verweerschrift en een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2008, waar het kerkbestuur, vertegenwoordigd door mr. M.R.M. van Vliet-Ahsmann, [bestuurslid], en [bouwadviseur] van het Bisdom Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. El Addouti, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink w.g. Bindels lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2008 85-506. 2.1. Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, voor zover thans van belang, kan de minister subsidie verstrekken ten behoeve van het herstel en de instandhouding van beschermde monumenten. Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid. Bij besluit van 27 maart 1997 (Stb. 1997, 145) is, gelet op onder meer artikel 34 van de Monumentenwet 1988, het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (hierna: het Brrm 1997) vastgesteld. Ingevolge artikel 1, eerste lid en onder b, van het Brrm 1997 wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder eigenaar verstaan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een beschermd monument. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder d, wordt subsidie in ieder geval niet verstrekt, indien met de restauratie is begonnen voordat de minister de subsidiabele restauratiekosten heeft vastgesteld. Ingevolge artikel 26 doet de eigenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister, indien zich omstandigheden voordoen die van invloed kunnen zijn op de subsidieverlening onder overlegging van de relevante stukken. Ingevolge artikel 31, eerste lid, dient de eigenaar drie maanden na afloop van de restauratie in tweevoud een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij het college van burgemeester en wethouders. Ingevolge het vierde lid kan de aanvraag tot subsidievaststelling geen kosten bevatten die niet reeds bij de verlening als subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld. Ingevolge artikel 36 kan de minister artikelen van dit besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat dit besluit beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bij besluit van 16 januari 2006 (Stb. 2006, 31) is het Brrm 1997 ingetrokken en het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (hierna: het Brim) vastgesteld. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Brim wordt subsidie, verleend op grond van het Brrm 1997, afgehandeld overeenkomstig dat besluit. 2.2. Bij besluit van 25 juni 2002 heeft de staatssecretaris aan het kerkbestuur € 67.687,00 subsidie verleend ten behoeve van de restauratie van de klokkentorens van de kerk. Bij besluit van 8 november 2005, door de minister gehandhaafd in bezwaar, heeft de staatssecretaris de subsidie overeenkomstig de verlening vastgesteld en geweigerd de kosten van het meerwerk aan de rechtertoren goed te keuren en geweigerd daarvoor aanvullende subsidie te verlenen, omdat, samengevat weergegeven, deze kosten - naar niet in geschil is − voorafgaand aan de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden niet formeel door hem zijn vastgesteld, zoals artikel 3, aanhef en onder d, van het Brrm 1997 eist. 2.3. Het kerkbestuur betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule in artikel 36 van het Brrm 1997. Het stelt in dit kader dat nadat met de aanbesteding en feitelijke uitvoering van de restauratie was begonnen, bleek dat deze wegens prijsstijgingen en onvoorziene gebreken aan de klokkentorens niet kon worden gerealiseerd voor het aanvankelijk begrote bedrag. Het kerkbestuur voert in dit verband aan dat, samengevat weergegeven, wegens tijdsdruk mondeling overleg is gevoerd met een medewerker van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (thans: de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten; hierna: de RDMZ) over de hogere kosten. Deze heeft derhalve de noodzaak van de hogere kosten kunnen beoordelen, zodat op deze wijze het belang om de subsidiabele kosten voorafgaand aan de uitvoering van de restauratie vast te stellen is gediend, aldus het kerkbestuur. Voorts betoogt het kerkbestuur dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat het niet wist dat ontheffing van het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder d, van het Brrm 1997 schriftelijk diende te worden aangevraagd. Volgens het kerkbestuur zou een aanvraag hiertoe, indien deze zou zijn ingediend, zijn ingewilligd. 2.3.1. De staatssecretaris heeft bij besluit van 8 november 2005, door de minister gehandhaafd in bezwaar, de subsidie terecht overeenkomstig artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en artikel 31, vierde lid, van het Brrm 1997 niet hoger vastgesteld dan op het in het besluit tot subsidieverlening vermelde bedrag. Het besluit van 8 november 2005 bevat tevens een weigering tot verhoging van de subsidieverlening. Ten aanzien van die weigering heeft de rechtbank, anders dan het kerkbestuur betoogt, in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de in artikel 36 van het Brrm 1997 neergelegde hardheidsclausule. De minister heeft zich in dat verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een overschrijding van de aanvankelijk voor een restauratie begrote kosten vaak samengaat met onvoorziene gebreken en tijdsdruk, zodat deze omstandigheden geen aanleiding geven voor afwijking van artikel 3, aanhef en onder d, van het Brrm 1997. Dat het kerkbestuur mondeling overleg heeft gevoerd met een medewerker van de RDMZ leidt niet tot een ander oordeel, nu het had kunnen weten dat niet met dit mondelinge overleg kon worden volstaan. Hierbij is in aanmerking genomen dat uit artikel 26 van het Brrm 1997 volgt dat, voor zover thans van belang, de eigenaar schriftelijk mededeling aan de minister doet, indien zich omstandigheden voordoen die van invloed kunnen zijn op de subsidieverlening. Voorts is van belang dat in de bij het besluit tot subsidieverlening gevoegde brochure "Lees dit eerst!" van de RDMZ onder andere is vermeld dat, indien tijdens de restauratie de verwachting ontstaat dat het in de beschikking vermelde subsidiabele bedrag zal worden overschreden, voor het overschrijdende deel van de kosten subsidie kan worden aangevraagd en deze aanvraag op dezelfde wijze als de eerste aanvraag moet worden ingediend. Het betoog van het kerkbestuur dat het bij brief, door het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude ontvangen op 1 september 2003 en doorgezonden naar de minister, heeft meegedeeld dat de voor de rechtertoren begrote kosten werden overschreden, biedt eveneens geen grond voor een ander oordeel, omdat − naar het kerkbestuur heeft gesteld - deze kostenoverschrijding reeds in februari 2003 bekend was en het kerkbestuur dit derhalve niet overeenkomstig artikel 26 van het Brrm 1997 zo spoedig mogelijk aan de minister heeft meegedeeld.