Rechtspraak Raad van State 2009-02-24
ECLI:NL:RVS:2009:BH4607
Bestuursrecht
200809116/2/R1. Datum uitspraak: 24 februari 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: 1. de vereniging Vereniging Bewoners Belangen Abcoude-West, gevestigd te Abcoude, 2. [verzoekster sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats], 4. [verzoeker sub 4], wonend te [woonplaats], verzoekers, en het college van gedeputeerde staten van Utrecht, verweerder. Bij besluit 4 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Abcoude (hierna: de raad) bij besluit van 13 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Meerlanden / De Weert-Zuid, 2e partiële herziening (derde brug)". Tegen dit besluit hebben de vereniging Vereniging Bewoners Belangen Abcoude-West (hierna: de Vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2008, [verzoekster sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2008, [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2008, en [verzoeker sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2008, beroep ingesteld. Bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 18 en 22 december 2008, hebben de Vereniging, [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld, heeft [verzoeker sub 4] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 10 februari 2009, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door J.G. Bosman, zowel [verzoekster sub 2] als [verzoeker sub 3], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.G. Jaspers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Verder is de raad, vertegenwoordigd door dr. J. Streng, de burgemeester van de gemeente, en mr. L. van Raaij, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst de verzoeken af. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren voorzitter w.g. Jansen ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2009 399. 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het plan voorziet in de tweede partiële herziening van het bestemmingsplan "Meerlanden / De Weert-Zuid" ten behoeve van de aanleg van een nieuwe brug over de Angstel in het centrum van Abcoude. In verband hiermee zal de route van het doorgaande verkeer door Abcoude worden gewijzigd. Met het plan wordt beoogd een oplossing te bieden voor de huidige verkeersproblematiek in Abcoude, waaronder de slechte bereikbaarheid van Abcoude-West voor de hulpdiensten. 2.3. Anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, heeft [verzoeker sub 4] in zijn beroep- en verzoekschrift redenen aangevoerd waarom volgens hem het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. [verzoeker sub 4] heeft namelijk gewezen op de onenigheid die tussen hem en de gemeente Abcoude bestaat over een aantal zaken betreffende zijn woning en hij heeft betoogd dat sprake is van fraude en corruptie. De voorzitter ziet hierin evenwel geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college en de raad niet zouden hebben voldaan aan de in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde eis van taakvervulling zonder vooringenomenheid. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verzoeker sub 4] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die betrekking hebben op het bij het bestreden besluit goedgekeurde plan. 2.4. De Vereniging en [verzoekster sub 2] stellen zich op het standpunt dat de bij de eerste partiële herziening van bestemmingsplan "Meerlanden / De Weert-Zuid" gestelde voorwaarde met betrekking tot het toegestane aantal motorvoertuigen op de Meerlandenweg en de brug had moeten worden gehandhaafd. Bij de eerste partiële herziening van bestemmingsplan "Meerlanden / De Weert-Zuid" is in artikel 4 van de planvoorschriften de voorwaarde opgenomen dat wordt afgezien van de aanleg van de brug wanneer uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde etmaalintensiteit op de Meerlandenweg en de brug meer dan 4.000 motorvoertuigen bedraagt. Deze voorwaarde moet blijkens de plantoelichting verouderd en, gelet op het onderzoek in het kader van het Beleidsplan Verkeer en Vervoer waarin hogere verkeersintensiteiten staan vermeld, in de praktijk onhoudbaar worden geacht. Bij de vaststelling van het thans aan de orde zijnde plan is artikel 4 van de planvoorschriften daarom gedeeltelijk ingetrokken. De voorzitter ziet in hetgeen de Stichting en [verzoekster sub 2] hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college hiermee niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen. 2.5. De Vereniging, [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] voeren aan dat meer inwoners van Abcoude met geluidhinder vanwege wegverkeer te maken zullen krijgen dan het college en de raad aannemen. Zij bestrijden dat een maximum snelheid van 30 kilometer per uur op de wegen die aansluiten op de brug reëel is. Het door het college en de raad gehanteerde akoestische rapport van RBOI van 7 oktober 2005 (hierna: het akoestisch rapport) is volgens hen ondeugdelijk, onder meer omdat daarin de toekomstige verkeersintensiteit voor de betrokken wegen te laag is ingeschat. 2.5.1. Het college en de raad stellen zich op het standpunt dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is op de wegen die aansluiten op de brug, aangezien voor deze wegen een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt. Vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is de te verwachten geluidsbelasting vanwege het wegverkeer volgens het college en de raad aanvaardbaar te achten. Daarbij hebben zij betrokken dat voor meer woningen sprake is van een afname dan van een toename van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer en dat de afname van de geluidsbelasting van bijzondere betekenis is voor de woningen die thans ernstig overbelast zijn. Verder hebben het college en de raad bij hun afweging betrokken dat zo nodig geluidwerende gevelmaatregelen kunnen worden getroffen. 2.5.2. Bij besluit van 31 januari 2001 is een maximum snelheid van 30 kilometer per uur in de bebouwde kom van Abcoude ingevoerd. In verband hiermee zijn verkeersremmende drempels en rotondes aangelegd. Verder zijn verkeersborden geplaatst. De voorzitter ziet in hetgeen de Vereniging, [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de maximum snelheid van 30 kilometer per uur onvoldoende zou zijn geëffectueerd. Dat deze maximum snelheid niet (meer) kan worden aangehouden wanneer de verkeersintensiteit op een aantal wegen verder toeneemt, heeft de Vereniging niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het in stand houden van voormelde maximum snelheid blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting niet onmogelijk is, indien de verkeersintensiteit meer dan 6.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Nu ingevolge artikel 74, tweede lid, van de Wet geluidhinder geen zone geldt voor wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt, hebben het college en de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de Wet geluidhinder in zoverre geen verplichtingen voorvloeien. 2.5.3. Blijkens het akoestisch rapport is voor 186 woningen sprake van een toename van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer variërend van 1 tot 8 dB(A). Daarbij is er van uitgegaan dat de huidige geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op deze woningen reeds 50 dB(A) bedraagt. Voor 206 woningen is sprake van een afname van geluidsbelasting vanwege het wegverkeer variërend van 1 tot 5 dB(A). Deze afname bedraagt 1 tot 2 dB(A) voor een aantal woningen in de oude kern van Abcoude die thans een geluidsbelasting vanwege het wegverkeer ondergaan van 66 dan wel 67 dB(A). De Vereniging, [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in het akoestisch rapport gehanteerde verkeersgegevens onjuist zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens het rapport van Goudappel Coffeng van 30 januari 2008 in de verkeersgegevens voor het jaar 2015 alle vastgestelde ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen, waaronder de geplande verbreding van de A2 en de woningbouw bij het nieuwe station van Abcoude, zijn meegenomen. Voor zover de Vereniging en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd dat in het akoestisch rapport de omrekening van waarneempunten naar woningen niet op een correcte wijze heeft plaatsgevonden, wordt het volgende overwogen. De vraag of hetgeen de Vereniging en [verzoeker sub 3] op dit punt hebben aangevoerd al dan niet doel treft, vergt nader onderzoek waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Voorshands ziet de voorzitter evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat aan het akoestisch rapport zodanige gebreken kleven dat het college en de raad zich hierop niet hebben kunnen baseren. De Vereniging, [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat voor de woningen waar een toename van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer wordt verwacht geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens het akoestisch rapport de geluidsreductie van een standaardgevel van een woning met kierdichting en dubbelglas in de regel ten minste 25 dB(A) bedraagt, zodat voor de woningen waarbij de toename van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer de 55 dB(A) niet te boven gaat, meestal zonder meer kan worden voldaan aan de binnenwaarde van 35 dB(A) die het college en de raad in dit verband aanvaardbaar achten. Mocht uit nader te verrichten akoestisch onderzoek blijken dat ten aanzien van deze woningen dan wel ten aanzien van de 34 woningen waarbij volgens het akoestisch rapport de toename van de geluidsbelasting meer dan 55 dB(A) bedraagt, desondanks niet aan voormelde binnenwaarde wordt voldaan, dan zullen blijkens de plantoelichting geluidswerende gevelmaatregelen worden getroffen. In verband hiermee is een bedrag beschikbaar van € 303.000,-.