Rechtspraak Raad van State 2009-07-29
ECLI:NL:RVS:2009:BJ4095
Bestuursrecht
200900091/1/H3. Datum uitspraak: 29 juli 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 november 2008 in zaak nr. 08/2223 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bij besluit van 14 januari 2008 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geen bezwaar af te geven. Bij besluit van 15 april 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 november 2008, verzonden op 21 november 2008, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Eckhardt, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graat Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009 307. 2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) wordt in deze wet verstaan onder vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen. Ingevolge die aanhef en onder b wordt verstaan onder verklaring: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wvo meldt de werkgever een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD). Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld. Ingevolge het tweede lid omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie, waarbij uitsluitend wordt gelet op gegevens betreffende het aldaar onder a tot en met d vermelde. Onder a zijn vermeld de justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens uit politieregisters, als bedoeld in de Wet politieregisters. Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven. 2.2. In de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens van 30 januari 1997 (Stcrt. 1997, nr. 35, p. 9; hierna: de Beleidsregel) heeft de minister een leidraad gegeven voor het afgeven van verklaringen van geen bezwaar in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens. In artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel is als uitgangspunt neergelegd dat indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a van de Wvo, bij de beoordeling daarvan rekening wordt gehouden met: a. de aard van de gegevens; b. de ouderdom van de gegevens; c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben; d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen; e. het aantal in een bepaalde tijdspanne vastgelegde gegevens; f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens. Blijkens artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel wordt bij voormelde beoordeling in het bijzonder gelet op gegevens betreffende: […] d. zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling; […] g. openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling; […]. 2.3. [appellant], geboren op […], is op 23 augustus 2007 aangemeld bij de AIVD voor een veiligheidsonderzoek in verband met een door hem geambieerde vertrouwensfunctie op een Nederlandse burgerluchthaven. 2.4. De minister heeft de verklaring bij het in bezwaar gehandhaafde besluit geweigerd omdat uit informatie uit het Justitieel Documentatieregister is gebleken dat [appellant] op 24 maart 2003 door de kinderrechter is veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijk brand stichten, op 28 november 2003 door de kinderrechter is veroordeeld wegens zaaksbeschadiging, op 19 april 2004 door de kinderrechter wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen is veroordeeld tot 25 uren werkstraf subsidiair 12 dagen jeugddetentie en 2 weken voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren en op 1 juni 2005 door de politierechter wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen en diefstal door twee of meer verenigde personen is veroordeeld tot 60 uren werkstraf subsidiair 30 dagen hechtenis en 4 weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaren. In het besluit van 15 april 2008 heeft de minister daaraan toegevoegd dat hij de strafbare feiten waarvoor [appellant] in 2003 door de kinderrechter is veroordeeld aanmerkt als jeugdzonden. Het strafbare feit waarvoor hij op 19 april 2004 door de kinderrechter is veroordeeld wordt ondanks dat het op minderjarige leeftijd is gepleegd niet aangemerkt als een jeugdzonde, omdat het een geweldsdelict betreft. 2.5. [appellant] betoogt dat hij voorafgaand aan het besluit van 14 januari 2008 ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld een zienswijze naar voren te brengen en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat indien die mogelijkheid wel zou zijn geboden de minister dan tot een ander besluit zou zijn gekomen. 2.5.1. [appellant] heeft zijn zienswijze alsnog tijdens de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting kenbaar kunnen maken. Niet aannemelijk is gemaakt dat hij daardoor in zijn processuele belangen is geschaad, waarbij in aanmerking is genomen dat de minister zijn besluit in belangrijke mate op gegevens uit het Justitiële Documentatieregister heeft gebaseerd. Gelet hierop heeft de rechtbank in dit gebrek in de voorbereiding geen reden hoeven zien tot vernietiging van het besluit van 15 april 2008. 2.6. [appellant] betoogt dat het strafbare feit waarvoor hij op 1 juni 2005 door de politierechter is veroordeeld ondanks zijn meerderjarige leeftijd ten tijde van het plegen daarvan als een jeugdzonde moet worden aangemerkt, omdat de diefstal van een fiets een reactie uit frustratie was op een diefstal van zijn eigen fiets. De Beleidsregel biedt daarvoor ruimte gelet op de daarin gebezigde formulering. Deze veroordeling had derhalve niet aan de weigering ten grondslag mogen worden gelegd, aldus [appellant]. 2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder andere haar uitspraak van 3 mei 2006 in zaak nr. 200506814/1 duidt het in de toelichting bij artikel 1 van de Beleidsregel opgenomen woord "doorgaans" erop dat de minister een gegeven dat is vastgelegd voordat de betrokkene de leeftijd van achttien jaar bereikte, niet in alle gevallen aanmerkt als een jeugdzonde. Daarmee heeft de minister zich ruimte voorbehouden om ook als de betrokkene ten tijde van de voorvallen waarop de hem tegengeworpen gegevens betrekking hebben de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, deze gegevens toch in de beoordeling te betrekken. Deze ruimte heeft, anders dan [appellant] betoogt, slechts betrekking op gegevens die zien op voorvallen die hebben plaatsgevonden op een tijdstip dat betrokkene nog minderjarig was. Nu vaststaat dat de veroordeling door de politierechter van 1 juni 2005 betrekking heeft op een op meerderjarige leeftijd gepleegd strafbaar feit, slaagt het betoog reeds daarom niet. 2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de minister de door de politierechter op 1 juni 2005 opgelegde werkstraf van 60 uren ten onrechte als zwaar heeft aangemerkt. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de door de rechtbank niet onredelijk geachte vaste gedragslijn van de minister dat taakstraffen van meer dan 40 uur niet langer als "licht" kunnen worden aangemerkt, weinig realiteitswaarde heeft als onderscheidend criterium tussen lichte en zware straffen. Voorts betoogt [appellant] dat door de diefstal van een fiets en het openbreken van het slot daarvan als een gekwalificeerde diefstal onderscheidenlijk openlijke geweldpleging aan te merken ten onrechte het beeld wordt opgeroepen, dat hij ernstige delicten heeft gepleegd. 2.7.1. Bij een veiligheidsonderzoek wordt onder andere onderzoek gedaan naar de in de justitiële documentatie voorkomende gegevens.