Rechtspraak Raad van State 2010-08-11
ECLI:NL:RVS:2010:BN4245
Bestuursrecht
201005891/1/H2 en 201005891/2/H2. Datum uitspraak: 11 augustus 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de stichting Rijnlandse Molenstichting (hierna: de stichting), gevestigd te Leiden, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 mei 2010 in zaak nr. 09/509 in het geding tussen: [appellant A] en het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude. Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het college aan de stichting een monumentenvergunning verleend voor het restaureren van "de Geremolen" op het perceel Westgerepolder 3 te Hazerswoude-Dorp. Bij uitspraak van 18 mei 2010, verzonden op 26 mei 2010 en gerectificeerd op 14 juni 2010, heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 juli 2010. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2010, heeft de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juli 2010, waar [appellant B], in persoon en bijgestaan door mr. F.R. Schouten-Korwa, advocaat te Leiden, en de stichting, vertegenwoordigd door [vice-voorzitter] van de stichting, en het college, vertegenwoordigd door R.M. Klerks, zijn verschenen. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door [appellant B]; II. bevestigt de aangevallen uitspraak; III. wijst het verzoek af; IV. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan de stichting Rijnlandse Molenstichting het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het verzoek vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat. w.g. Van Altena w.g. Poot voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010 362. 2.1. [appellant B] heeft geen beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 31 oktober 2008. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat dit redelijkerwijs niet aan haar kan worden verweten. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met artikel 6:24 van die wet, dient haar hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. 2.2. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning: a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Ingevolge artikel 12 wordt een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Ingevolge artikel 14, eerste lid, beslist het college omtrent de aanvraag, bedoeld in artikel 12 […]. Ingevolge artikel 16, eerste lid, legt het college in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 voor advies voor aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de gevallen, bedoeld in de eerste volzin, zendt het college onmiddellijk afschrift van de aanvraag om vergunning aan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. De gevallen, bedoeld in de eerste volzin, kunnen onder meer betreffen het afbreken van een beschermd monument, het reconstrueren van een beschermd monument en het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument. Ingevolge het zevende lid wordt de werking van de vergunning opgeschort totdat […] op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan […] de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. […]. 2.3. De stichting verzoekt om opheffing van de opschorting van de werking van de vergunning die artikel 16, zevende lid, van de Monumentenwet 1988 verbindt aan het instellen van hoger beroep. Nu de stichting heeft aangegeven zo spoedig mogelijk gebruik te willen maken van de monumentenvergunning en de haar verleende bouwvergunning ten behoeve van de restauratie, is daarmee het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening gegeven. Anders dan [appellanten] betogen is daartoe niet vereist dat de stichting aantoont dat het recht op subsidie vervalt wanneer zij niet onmiddellijk een aanvang maakt met de restauratie. 2.4. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Toestemming van partijen is daarvoor niet vereist, nu artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State niet van toepassing is op hoger beroep. 2.5. Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het college aan de stichting een monumentenvergunning verleend voor het restaureren van de Geremolen. De restauratie is gericht op het herstel van de fundering en het weer maalvaardig maken van de molen. De vergunning behelst in hoofdzaak het vernieuwen van de voorwaterloop en de wielbak, het verdiepen van de achterwaterloop en opleider, het weer aanbrengen van een scheprad en onderwiel en het opnieuw funderen van de molen. 2.6. De rechtbank heeft het besluit van 31 oktober 2008 vernietigd, omdat het college dat heeft gebaseerd op een advies van de Rijksdienst voor archeologie, cultuur en monumenten (thans: de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; hierna: de RCE) met als enkele motivering dat de restauratie de molen weer in goede bouwtechnische staat brengt. Het college heeft door dat advies aan zijn besluit ten grondslag te leggen niet voldaan aan de vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:9 van de Awb. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dat besluit evenwel in stand gelaten, omdat de RCE het advies bij brief van 16 december 2009 als volgt heeft toegelicht: "De restauratie brengt de molen weer in goede bouwtechnische staat. Door deze restauratie krijgt de molen zijn oorspronkelijke bemalingsfunctie weer terug zoals altijd de bedoeling is geweest. De RCE heeft destijds over de plannen voor vervijzeling van de molen negatief geadviseerd omdat het teveel afbreuk deed aan de authentieke manier van polderbemaling in Zuid-Holland. De molen zakt scheef door de slechte fundering. Hierdoor komen de voor- en achterwaterloop los van de molen. Dit zorgt voor verdere verzakking van de molen, erf en dijklichaam door onderloopsheid. Een degelijke fundatie van zowel de waterloop als ook de molen is noodzakelijk en met deze restauratie gewaarborgd. De laatste verdieping van de wielbak en het scheprad vond in 1895 plaats. Deze restauratie tot een bedrijfsvaardige molen leidt tevens tot meer draaien en malen en dus tot minder onderhoudskosten over de jaren" en het college zich gelet op die nadere toelichting op het advies in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de werkzaamheden aan de molen de monumentale waarden niet aantasten. 2.7. Het hoger beroep van [appellant A] richt zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het besluit van 31 oktober 2008. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 31 oktober 2008 in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Daartoe betoogt hij dat de door de RCE beoordeelde aanvraag onvolledig is, omdat een tekening van de bestaande situatie ontbreekt en de stellingen in de adviezen van de RCE niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Voorts betoogt hij dat de beoogde werkzaamheden afbreuk zullen doen aan de cultuurhistorische waarde van de molen en aan het beeldbepalende aanzien van de molen. 2.7.1. Vooropgesteld moet worden dat het college dient te beslissen over de bij hem voorliggende aanvraag voor het restaureren van de Geremolen. Gelet op artikel 11 van de Monumentenwet 1998 is verlening van een dergelijke vergunning ook mogelijk indien door de beoogde werkzaamheden het monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht. In dat geval dient het college de belangen bij de gevraagde vergunning af te wegen tegen het belang bij het behoud van de monumentale waarden. De belangen van de stichting bij de gevraagde vergunning zijn gelegen in de noodzaak de verzwakte fundering te vernieuwen en in het herstel van de bemalingsfunctie met de mogelijkheid van noodbemaling bij calamiteiten, waardoor de stichting inkomsten kan genereren die kunnen worden aangewend voor het onderhoud van haar molens. 2.7.2. [appellant A] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de vergunde werkzaamheden aan de fundering niet nodig zijn voor het behoud van de Geremolen en deze door plaatsing van een scheprad en onderwiel wordt ontsierd een advies overgelegd van deskundige ir. P.H. Mans. Mans stelt in zijn advies dat door het slopen van de wielbak met zijn oorspronkelijke plavuizen vloer een groot deel van de nog bestaande historische waarde verloren gaat. Het weer maalvaardig maken van de molen door een groter scheprad dat verschilt van vorm met het oorspronkelijke, maakt dat het onderwiel vergroot moet worden ten opzichte van het oorspronkelijke. Volgens Mans voegen deze ingrepen niets toe aan de historische waarde van de molen. De RCE heeft bij brief van 16 december 2009 desgevraagd ook een reactie gegevens op het advies van Mans. Daarin stelt de RCE zich op het standpunt dat, anders dan Mans stelt, sprake is van verzwakking van de fundering, zodat vernieuwing van de fundering noodzakelijk is voor het behoud van de molen. Het slopen van de wielbak met de plavuizen vloer uit 1895 is onvermijdelijk bij herstel van de fundering.