ECLI:NL:RVS:2011:BP1338
201003214/1/H2.
Datum uitspraak: 19 januari 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 februari 2010 in zaken nrs. 08/2446 en 08/3827 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht.
Bij besluit van 27 februari 2008 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (hierna: het algemeen bestuur) het peilbesluit Tussen Kromme Rijn en Amsterdam-Rijnkanaal en het inrichtingsplan, behorende bij het Watergebiedsplan Tussen Kromme Rijn en Amsterdam-Rijnkanaal, vastgesteld.
Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het college goedkeuring verleend aan dit peilbesluit.
Bij besluit van 1 december 2008 heeft het college het door [appellant] tegen het inrichtingsplan ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 februari 2010, verzonden op 23 februari 2010, heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 april 2010.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het algemeen bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. A. Vinkenborg, rechtsbijstandverlener te Zoetermeer en drs. J.T. Buma, werkzaam bij Bureau Deltares, het college, vertegenwoordigd door ir. J. Mankor, werkzaam bij de provincie, en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door R.S.P. Plaizier, werkzaam bij het hoogheemraadschap, zijn verschenen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.
w.g. Wortmann w.g. Bindels
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011
85-630.
2.1. Ingevolge artikel 148 van de Waterschapswet, zoals dit luidde ten tijde van belang, zijn buiten de bij de wet aangewezen besluiten, voor zover zulks bij reglement is bepaald, aan de goedkeuring van het college slechts onderworpen de besluiten van het waterschapsbestuur die betrekking hebben op de regeling van de waterbeheersing en de beslissingen van dat bestuur tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken door het waterschap.
Ingevolge artikel 149, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de goedkeuring slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Ingevolge artikel 153, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dit luidde ten tijde van belang, kunnen belanghebbenden administratief beroep instellen bij het college enkel tegen de in artikel 148 bedoelde, niet aan goedkeuring van het college onderworpen, besluiten omtrent de regeling van de waterbeheersing of tot de aanleg of verbetering van waterstaatswerken.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet op de waterhuishouding, zoals dit luidde ten tijde van belang, is een kwantiteitsbeheerder in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht voor oppervlaktewateren onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast te stellen. De kwantiteitsbeheerder draagt er zorg voor dat de in het peilbesluit aangegeven waterstanden gedurende daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Bij het vaststellen van het peilbesluit wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op de oppervlaktewateren waarop het peilbesluit betrekking heeft.
Ingevolge artikel 21 van het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008 gelezen in samenhang met artikel 1, zoals dit luidde ten tijde van belang, is voor de toepassing van de bepalingen in de Waterschapswet met betrekking tot het toezicht op het waterschapsbestuur, met inbegrip van het beroep tegen besluiten van het waterschapsbestuur, en voor de toepassing van artikel 9, derde lid, van de Wet op de waterhuishouding, het college bevoegd.
Ingevolge artikel 22 zijn peilbesluiten als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding, aan de goedkeuring van het college onderworpen, met inachtneming van hetgeen hieromtrent is bepaald in de verordening, bedoeld in artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding.
2.2. Op 27 februari 2008 heeft het algemeen bestuur het Watergebiedsplan Tussen Kromme Rijn en Amsterdam-Rijnkanaal vastgesteld. Als doelstellingen van het Watergebiedsplan zijn geformuleerd: het vaststellen van de oppervlaktewaterpeilen, het voorkomen van wateroverlast en het robuust en gezond maken van het watersysteem. Het plangebied heeft volgens het Watergebiedsplan twee belangrijke knelpunten. Het eerste knelpunt is dat de grondwaterstanden in vrijwel het gehele gebied diep onder maaiveld liggen. Het tweede knelpunt is dat veel watergangen te smal zijn voor het huidige gebruik. Onderdelen van het Watergebiedsplan zijn de peilbesluiten en het inrichtingsplan. Deze zijn mede gebaseerd op de studie naar het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (hierna: het GGOR).
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bij de vaststelling van het peilbesluit en het inrichtingsplan ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn belangen. Hij stelt dat het peilbesluit en het inrichtingsplan nadelige gevolgen hebben voor het grondwaterpeil bij zijn woning. [appellant] betoogt in dit verband dat de rechtbank wat het inrichtingsplan betreft ten onrechte niet is ingegaan op het door hem ingediende rapport Boerkoel. Voorts betoogt hij dat de rechtbank wat het peilbesluit betreft ten onrechte geheel voorbij is gegaan aan het rapport Deltares en aan de notitie "Wateroverlast in groot gedeelte van Werkhoven".
2.3.1. De woning van [appellant] staat in het peilgebied KRA035. Het peilbesluit heeft tot gevolg dat voor dit peilgebied het zomerpeil op 1,60 meter en het winterpeil op 1,50 meter is vastgesteld.
2.3.2. Voorop staat dat bij de rechtbank, wat het peilbesluit betreft, het goedkeuringsbesluit van het college van 3 juni 2008 ter toetsing voorlag. Het college kan slechts goedkeuring onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen komt aan het college, gelet op artikel 149 van de Waterschapswet, bij de beoordeling of goedkeuring aan het peilbesluit zal worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang een zekere mate van beoordelingsvrijheid toe.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de studie naar het GGOR van Grontmij van 26 juli 2007 - dat onderdeel uitmaakt van het Watergebiedsplan - blijkt dat de grondwaterstand is gelegen op 1,00 meter onder het maaiveld. Dit is dieper dan de algemeen aanvaarde norm van 0,70 meter onder het maaiveld bij een stedelijke functie. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] deze algemeen aanvaarde norm niet heeft betwist en dat de vastgestelde waterstand al ruim twintig jaar bestaande praktijk is. Er is dan ook niet gebleken dat de grondwaterstand als gevolg van het peilbesluit is verhoogd. Uit de studie naar GGOR is gebleken dat de gewenste grondwaterstand 0,70 meter onder het maaiveld gegarandeerd blijft. Dat deze grondwaterstand zou worden overschreden, volgt ook niet uit de aanvullende notitie van Deltares van 26 oktober 2010. Volgens deze notitie kan een structurele verhoging van het peil een structurele verhoging van de grondwaterstand ter plaatse van de woning van [appellant] veroorzaken van 10% tot 30%. Dat de gewenste grondwaterstand van 0,70 meter hierbij niet blijft gegarandeerd is echter niet aannemelijk geworden.
Met het rapport Deltares van 6 november 2009 en de notitie 'Wateroverlast in groot gedeelte van Werkhoven' heeft [appellant] evenmin aannemelijk gemaakt dat het college zijn besluit niet heeft kunnen baseren op de studie naar het GGOR van Grontmij van 26 juli 2007. Ook uit het rapport Deltares kan niet de conclusie worden getrokken dat het peilbesluit leidt tot een onaanvaardbare stijging van de grondwaterstand bij de woning van [appellant].
Voorts dient bij de goedkeuring van het peilbesluit meer dan één belang te worden afgewogen. De enkele omstandigheid dat [appellant] ten gevolge van het peilbesluit nadeel kan ondervinden, brengt niet mee dat het college daaraan goedkeuring had dienen te onthouden.
Gelet op het vorenstaande kon het college in redelijkheid tot de conclusie komen dat geen grond bestaat om wegens strijd met het recht of het algemeen belang goedkeuring aan het peilbesluit te onthouden. Niet kan worden geoordeeld dat de betrokken belangen onvoldoende zijn meegewogen en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.
Het betoog faalt.
2.4. Het inrichtingsplan bevat maatregelen die zijn gericht op het tot stand brengen van een duurzaam watersysteem, uitgaande van de huidige functies van het plangebied en de daarbij gemaakte belangenafweging. Het inrichtingsplan bestaat in hoofdlijnen uit het verbeteren van het watersysteem, het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en het verbeteren van het beheer en onderhoud van de watergangen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2007 in zaak nr. 200609300/1) was het college niet gehouden een besluit van het algemeen bestuur als hier aan de orde indringend te toetsen. Het is aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om de belangen die bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een inrichtingsplan zijn betrokken tegen elkaar af te wegen.