Rechtspraak Raad van State 2012-04-04
ECLI:NL:RVS:2012:BW0779
Bestuursrecht
201105321/1/T1/A1. Datum uitspraak: 4 april 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A], [appellante B], [appellant C] en [appellant D], wonend te Zwolle, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder. Bij besluit van 9 maart 2011 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [vergunninghoudster], rechtsvoorgangster van Rijkswaterstaat - Directie Oost-Nederland, bouwvergunning verleend voor het plaatsen van twee geluidsschermen langs de A28/IJsselbrug in de gemeente Zwolle. Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2011, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2011, waar [appellant A] en [appellant C], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.S.C. van Dop, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Aan de zijde van het college is tevens verschenen R.L.J. van der Maat. Voorts is verschenen Rijkswaterstaat, vertegenwoordigd door mr. F.J.G. van den Elsen. Tevens is aan zijn zijde verschenen J. van de Werfhorst, ing. V.R. Veenstra en ir. A.A. van Beuzekom. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: draagt het college van burgemeester en wethouders van Zwolle op om binnen dertien weken na de verzending van deze tussenuitspraak: - met inachtneming van overweging 2.6. het besluit van 9 maart 2011, kenmerk 109801 alsnog toereikend te motiveren en dat besluit te herstellen dan wel in de plaats daarvan een ander besluit te nemen; - het herstelde dan wel vervangende besluit aan de Afdeling toe te zenden. Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Oudenaller voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012 473. 2.1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: de WRvS), kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. 2.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, is, voor zover thans van belang, afdeling 2 van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten. In bijlage 1 van de Chw is als categorie 5.1 opgenomen 'de aanleg of wijziging van hoofdwegen als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet'. 2.3. Het besluit van 9 maart 2011 is voorbereid overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 van de Tracéwet'. Het college heeft het besluit genomen met het oog op de uitvoering van het Tracébesluit A28 Zwolle-Meppel van 10 juli 2009. Bij het besluit is, voor zover thans van belang, een reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van geluidsschermen langs de A28 ter plaatse van de brug over de IJssel ter plaatse van kilometer 90.730 tot en met kilometer 91.113. De geluidsschermen worden, voor zover thans van belang, geplaatst op een zogenoemde halve stepbarrier. 2.4. Onder verwijzing naar een rapport van Alferink-van Schieveen van 3 mei 2011 betoogt [appellant] dat het college heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003. Hij voert daartoe aan dat de zogenaamde halve stepbarrier, die onderdeel uitmaakt van het bouwplan, niet voldoet aan NEN-EN 1317 en geen CE-markering heeft, omdat de daartoe vereiste botsproeven niet zijn verricht. 2.4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de richtlijn van de raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde producten (89/106/EEG) (hierna: de richtlijn) worden de fundamentele voorschriften concreet uitgewerkt in documenten (basisdocumenten), waarmee het vereiste verband wordt gelegd tussen de fundamentele voorschriften overeenkomstig lid 1 en de normalisatiemandaten, mandaten voor richtlijnen voor Europese technische goedkeuring of de erkenning van andere technische specificaties in de zin van de artikelen 4 en 5. Ingevolge artikel 4, eerste lid, worden in deze richtlijn normen en technische goedkeuringen "technische specificaties" genoemd. In deze richtlijn wordt verstaan onder geharmoniseerde normen: de technische specificaties die door het CEN of het CENELEC, dan wel door beide instanties, zijn vastgesteld op grond van de door de Commissie overeenkomstig Richtlijn 83/189/EEG verstrekte mandaten, aan de hand van een advies van het in artikel 19 bedoelde Comité, en in overeenstemming met de op 13 november 1984 ondertekende algemene bepalingen voor de samenwerking tussen de Commissie en deze beide instanties. Het EG-merkteken geeft, voor zover thans van belang, aan dat de produkten in overeenstemming zijn met de nationale normen waarin de geharmoniseerde normen zijn getransponeerd, en waarvan de referenties in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn gepubliceerd. De Lid-Staten publiceren de referenties van deze nationale normen. Ingevolge artikel 7, eerste lid, moeten, om de kwaliteit van de geharmoniseerde normen voor produkten te waarborgen, deze normen door de Europese normalisatie-instellingen worden opgesteld op basis van mandaten die de Commissie hun overeenkomstig de procedure van Richtlijn 83/189/EEG, na raadpleging van het in artikel 19 bedoelde Comité, verleent in overeenstemming met de op 13 november 1984 ondertekende algemene bepalingen voor de samenwerking tussen de Commissie en deze instanties. 2.4.2. De richtlijn is omgezet in het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit). Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van het Bouwbesluit is, indien bij of krachtens dit besluit een eis is gesteld ten aanzien van een bouwproduct waarvoor een op die eis toegesneden CE-markering is afgegeven, aan de betreffende eis voldaan indien dat bouwproduct overeenkomstig de CE-markering is toegepast. 2.4.3. De Afdeling stelt vast dat NEN-EN 1317 een geharmoniseerde norm is, als bedoeld in de richtlijn. Deze norm heeft betrekking op afschermende constructies voor wegen. Indien is getest volgens deze norm en wordt voldaan aan de daarin gestelde eisen zal het daartoe bevoegde orgaan een EG-verklaring van overeenstemming opstellen, wat de fabrikant het recht geeft het product te voorzien van een CE-markering. Ten tijde van het besluit voor de halve stepbarrier was een dergelijke CE-markering niet afgegeven. 2.4.4. In het Bouwbesluit is geen voorschrift opgenomen waarin is bepaald dat voor een bij het oprichten van een bouwwerk te gebruiken bouwproduct dat onder een geharmoniseerde norm valt, een CE-markering dient te zijn afgegeven. Artikel 1.6, tweede lid, van het Bouwbesluit behelst niet een zodanig voorschrift. Zoals ook tot uitdrukking is gebracht in de Memorie van Toelichting bij dit onderdeel, volgt uit dit artikellid slechts dat een bouwproduct met CE-markering, dat is toegepast overeenkomstig de CE-markering voldoende bewijs oplevert dat aan de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften is voldaan. Daarmee is de mogelijkheid om zulks op andere wijze aan te tonen niet uitgesloten. Het Bouwbesluit bevat evenmin een bepaling dat een bouwwerk uitsluitend omdat voor een van het bouwwerk onderdeel uitmakend bouwproduct geen CE-markering is afgegeven niet kan voldoen aan de eisen die worden gesteld ten aanzien van de veiligheid van de bouwconstructie. Het bestuursorgaan dient ook in deze gevallen te toetsen of aan de eisen die worden gesteld ten aanzien van de veiligheid van de bouwconstructie wordt voldaan, welke eisen, voor zover thans van belang, zijn opgenomen in afdeling 2.1 van het Bouwbesluit. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht getoetst aan deze afdeling. 2.5. [appellant] betoogt voorts dat het college heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit, nu de bevestiging van de geluidsschermen ondeugdelijk is. Onder verwijzing naar het rapport van Alferink-van Schieveen van 3 mei 2011 voert hij daartoe aan dat uit de aan de aanvraag ten grondslag gelegde rapporten niet blijkt dat de bevestiging van de stepbarrier voldoende is om de botsbelasting te kunnen opnemen. Volgens [appellant] is de zogenoemde botsbelasting niet in de berekeningen meegenomen. 2.5.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van het Bouwbesluit heeft een te bouwen bouwwerk een bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet overschreden bij de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 6702. Voorzover NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties, wordt uitgegaan van NEN 6700. Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie, onverminderd artikel 2.2, niet overschreden bij bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702. Daarbij wordt uitgegaan van: a. een gasexplosie, b. een botsing door een voertuig, en c. een extreme grondwaterstand. Indien NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties wordt uitgegaan van NEN 6700. 2.5.2. Volgens 6.1.1 van NEN 6702 moeten de representatieve waarden van de permanente belastingen zijn ontleend aan hoofdstuk 7, de veranderlijke belastingen aan hoofdstuk 8 en de bijzondere belastingen aan hoofdstuk 9. Volgens 6.2.1 van NEN 6702 moeten om te bepalen of een uiterste grenstoestand wordt overschreden, de representatieve waarden van belastingen volgens 6.1.1.