Rechtspraak Raad van State 2013-09-11
ECLI:NL:RVS:2013:1061
Bestuursrecht
201206430/1/A3. Datum uitspraak: 11 september 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Defensie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 juni 2012 in zaak nr. 12/84 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, en de minister. Bij besluit van 26 april 2011 heeft de minister geweigerd aan [wederpartij] een verklaring van geen bezwaar te verlenen. Bij besluit van 6 december 2011 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 juni 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 december 2011 vernietigd en gelast dat de minister, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar beslist. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 18 september 2012 heeft de minister het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 april 2011 ongegrond verklaard. [wederpartij] heeft tegen het besluit van 18 september 2012 beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, en mr. R. Hendrix, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort, zijn verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 juni 2012 in zaak nr. 12/84; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond; IV. vernietigt het besluit van de minister van 18 september 2012, kenmerk DIS2012013363. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat. w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013 97-773. 1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: Wvo) wordt in deze wet verstaan onder ‘verklaring’, een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon. Ingevolge artikel 2 treden voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 10 en 16, tweede lid, de Minister van Defensie en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: MIVD) in de plaats van respectievelijk de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD), indien een vertrouwensfunctie wordt uitgeoefend bij het Ministerie van Defensie, dan wel indien het een functie betreft die als vertrouwensfunctie moet worden aangemerkt in verband met de daarmee samenhangende noodzaak om toegang te hebben tot militaire installaties. Ingevolge artikel 4, eerste lid, meldt de werkgever een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de AIVD. Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES alsmede van gegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens en van gegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven. Ingevolge punt 6 van de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie (hierna: de Beleidsregeling) geldt dat, als één of meer veroordelingen aan de orde zijn, maar niet een onder punt 4 beschreven situatie, het individuele geval centraal staat; de persoonlijke gedragingen en omstandigheden van betrokkene en de achtergronden van het gepleegde strafbare feit worden in beschouwing genomen. In de beschouwing worden factoren betrokken zoals: a. de ernst van gepleegde strafbare feiten; b. de zwaarte van de opgelegde straffen en maatregelen; c. recidive; d. het aandeel van betrokkene bij delicten; e. de leeftijd van betrokkene; f. het persoonlijk profiel van betrokkene; g. de tijd die ligt tussen de gepleegde delicten en het veiligheidsonderzoek, waarbij ook te betrekken het element van rehabilitatie/resocialisatie sinds het plegen van de feiten; h. aard van, en aantal sepots; i. de vereisten van de (geambieerde) vertrouwensfunctie; het onderdeel van het betreffende krijgsmachtdeel. 2. [wederpartij] is op 1 oktober 2009 zonder verklaring van geen bezwaar in een vertrouwensfunctie van burgermedewerker bij het Commando Landstrijdkrachten aangesteld. Op 18 augustus 2010 is [wederpartij] aangemeld voor een veiligheidsonderzoek. 3. De minister heeft aan het besluit van 6 december 2011 ten grondslag gelegd dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat [wederpartij] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen, zoals bepaald in artikel 8 van de Wvo. De minister verwijst hierbij naar punt 6, aanhef en sub a, b, d, e, f, g en i, van de Beleidsregeling. Uit het veiligheidsonderzoek is gebleken dat [wederpartij] op 29 december 2008 door de militaire kamer van de rechtbank Arnhem is veroordeeld tot 160 uren werkstraf, subsidiair 80 dagen hechtenis waarvan 80 uren subsidiair 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens mishandeling, meermalen gepleegd en wegens een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid, te weten belaging. De aan hem opgelegde proeftijd liep tot 25 augustus 2012. [wederpartij] was in de pleegperiode 30 en 31 jaar oud. 4. De rechtbank heeft overwogen dat zij de minister niet kan volgen in zijn standpunt dat het de taak van de strafrechter is bij de veroordeling de achtergronden van de strafbare feiten mee te wegen en dat het niet aan de minister is om in het oordeel van een rechter te treden, nu punt 6 van de Beleidsregeling onder meer bepaalt dat de persoonlijke gedragingen en omstandigheden van betrokkene en de achtergronden van het gepleegde strafbare feit in beschouwing worden genomen. De minister verwijst in het bestreden besluit onder meer naar sub g van punt 6 van de Beleidsregeling en had derhalve de omstandigheid dat [wederpartij] sinds zijn veroordeling niet meer in aanraking is geweest met justitie en zijn functie altijd naar tevredenheid heeft vervuld bij de beoordeling moeten betrekken, aldus de rechtbank. Er heeft volgens de rechtbank dan ook geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden. 5. De minister betoogt dat hij bij de beoordeling van het bezwaar, anders dan de rechtbank overweegt, de persoonlijke omstandigheden van [wederpartij] en de achtergronden van het gepleegde strafbare feit wel heeft betrokken. De minister heeft met opmerkingen als "dat het niet aan de minister is om in het oordeel van een rechter te treden" bedoeld dat hij de feiten uit het strafvonnis - wat er gebeurd is en wat de achtergronden zijn van de feiten - tot uitgangspunt heeft genomen. De minister voert voorts aan dat in het besluit op bezwaar is opgenomen dat de ernst van de gepleegde strafbare feiten, de zwaarte van de opgelegde straf, de pleegperiode, de leeftijd van [wederpartij] ten tijde van het plegen van de strafbare feiten en de omstandigheid dat de proeftijd nog loopt, voldoende is de weigering van de verklaring van geen bezwaar in stand te laten. Deze persoonlijke omstandigheden zijn derhalve wel bij de beoordeling betrokken, aldus de minister. 5.1. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200705784/1), mag de minister voor de beoordeling of voldoende waarborgen aanwezig zijn, uitgaan van hetgeen in het Justitieel Documentatieregister over degene die een vertrouwensfunctie wil gaan vervullen is opgenomen en ligt het op diens weg eventuele bijzondere omstandigheden aan te voeren. Hetzelfde geldt voor hetgeen in het strafvonnis staat vermeld. De minister heeft mogen uitgaan van de persoonlijke omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en de achtergronden van deze feiten, zoals die in het strafvonnis zijn vastgesteld. In zoverre mocht de minister het strafvonnis tot uitgangspunt nemen. Voorts heeft de minister die feiten en persoonlijke omstandigheden in zijn beoordeling betrokken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 6. De minister betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de omstandigheden dat [wederpartij] sinds de veroordeling niet meer in aanraking is geweest met justitie en dat hij zijn functie altijd naar tevredenheid heeft vervuld, bij zijn beoordeling had moeten betrekken. De minister stelt deze omstandigheden wel bij de beoordeling te hebben betrokken. Zo heeft de minister in zijn beoordeling betrokken de omstandigheden dat de proeftijd nog niet was verlopen en dat het een actuele veroordeling betreft.