Rechtspraak Raad van State 2013-04-03
ECLI:NL:RVS:2013:BZ7620
Bestuursrecht
201207125/1/A2. Datum uitspraak: 3 april 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 juni 2012 in zaak nr. 12/1387 in het geding tussen: de erven en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Bij besluit van 17 juni 2011 heeft het college het verzoek van de erven om de door hen ingediende Gecombineerde Opgave 2010 te wijzigen, afgewezen. Bij besluit van 11 januari 2012 heeft het college het door de erven daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 juni 2012 heeft de rechtbank het door de erven daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben de erven hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaken nrs. 201206627/1/A2, 201206647/1/A2 en 201206632/1/A2, ter zitting behandeld op 9 januari 2013, waar de erven, vertegenwoordigd door J.A. Rietveld, werkzaam bij Hans Rietveld Agrarisch Advies, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken (hierna: de Dienst Regelingen), zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat. w.g. Van Kreveld w.g. Dallinga voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013 18-686. 1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (hierna: Verordening EG/1975/2006) stellen de lidstaten, onverminderd de specifieke bepalingen van deze verordening, passende procedures voor de indiening van steunaanvragen vast. Ingevolge het tweede lid dient de begunstigde voor maatregelen die meerjarige verbintenissen inhouden, een jaarlijkse betalingsaanvraag in. De lidstaten kunnen echter zonder jaarlijkse fysieke betalingsaanvragen werken als zij doeltreffende alternatieve procedures invoeren voor de administratieve controles zoals bedoeld in artikel 11 of 26 naar gelang van het geval. Ingevolge het derde lid kunnen betalingsaanvragen te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit als zodanig wordt erkend. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (hierna: Verordening EG/1122/2009) mag een landbouwer die steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, slechts één verzamelaanvraag per jaar indienen. Ingevolge het tweede lid wordt de verzamelaanvraag ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum, die niet later is dan 15 mei. Ingevolge artikel 23, eerste lid, wordt, behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 75, bij indiening van een steunaanvraag na de desbetreffende uiterste datum een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. Onverminderd eventuele door de lidstaten te nemen bijzondere maatregelen in verband met de noodzaak dat enigerlei bewijsstukken tijdig worden ingediend om de programmering en uitvoering van doeltreffende controles mogelijk te maken, geldt de eerste alinea ook voor documenten, contracten of aangiften die overeenkomstig de artikelen 12 en 13 bij de bevoegde autoriteit moeten worden ingediend, voor zover die documenten, contracten of aangiften onmisbaar zijn om voor de betrokken steun in aanmerking te komen. In dat geval wordt de verlaging toegepast op het bedrag dat zou zijn betaald voor de betrokken steun. Wordt de aanvraag meer dan 25 kalenderdagen te laat ingediend, dan wordt deze afgewezen. Ingevolge het tweede lid wordt, behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 75, bij indiening van een wijziging in een verzamelaanvraag na de in artikel 14, lid 2, bepaalde uiterste datum een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen die verband houden met het werkelijke grondgebruik op de betrokken percelen landbouwgrond. Wijzigingen in een verzamelaanvraag worden slechts aanvaard tot en met de in lid 1, derde alinea, bedoelde uiterste datum voor een te late indiening van een verzamelaanvraag. Ingevolge artikel 75, eerste lid, behoudt een landbouwer, indien hij door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 31 van Verordening (EG) nr. 73/2009, zijn verplichtingen niet heeft kunnen nakomen, zijn recht op de steun voor de oppervlakte of dieren die subsidiabel was/waren toen de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheid zich voordeed. Voorts wordt, wanneer de randvoorwaarden als gevolg van dergelijke overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet worden nageleefd, de overeenkomstige verlaging niet toegepast. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder u, van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Zuid-Holland (hierna: de SNL) wordt onder peildatum verstaan: 15 mei. Ingevolge artikel 4.1.1.6, tweede lid, dient een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer uiterlijk op de peildatum van ieder beheerjaar, middels een door het college vastgesteld aanvraagformulier, bij het college een aanvraag in tot betaling van de jaarvergoeding voor dat beheerjaar, waarbij de artikelen 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 1975/2006: a. van toepassing zijn voor zover subsidie wordt verstrekt voor de agrarische beheerpakketten, opgenomen in bijlage 3, onderdeel B.1, en b. van overeenkomstige toepassing zijn voor zover deze subsidie wordt verstrekt voor de agrarische beheerpakketten, opgenomen in bijlage 3, onderdeel B.2. 2. Bij besluiten van 28 januari 2010 en 27 april 2010 heeft het college de erven subsidie verleend voor agrarisch natuurbeheer en collectief agrarisch natuurbeheer in de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015. Daarin is vermeld dat de erven jaarlijks via de Gecombineerde Opgave om uitbetaling van de subsidie moeten vragen. De erven hebben op 24 april 2010 de Gecombineerde Opgave 2010 digitaal verstuurd aan de Dienst Regelingen, die namens het college de SNL uitvoert. Bij de daarin opgenomen vraag of zij uitbetaling van de subsidie natuur- en landschapsbeheer aanvragen, hebben zij niet het vakje "ja", maar het vakje "nee" aangekruist. Op 9 augustus 2010 hebben de erven alsnog de uitbetaling van die subsidie aangevraagd. 3. Bij het besluit van 17 juni 2011, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 11 januari 2012, heeft het college die aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Verordening EG/1122/2009 een aanvraag om wijziging van de Gecombineerde Opgave wordt afgewezen, indien die meer dan 25 dagen na de peildatum van 15 mei, derhalve na 9 juni 2010, is ingediend. Volgens het college kan hiervan niet worden afgeweken, omdat het aankruisen van het verkeerde vakje in de Gecombineerde Opgave niet een kennelijke fout is. 4. De erven betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij zich bewust waren van de fout in de Gecombineerde Opgave en onduidelijk is waarom zij het college niet eerder van die fout op de hoogte hebben gesteld, in welk geval de subsidie had kunnen worden uitbetaald. Zij voeren in dit verband aan dat percelen waarvoor subsidie was verleend, niet op het digitale formulier stonden ingetekend en verzending van het formulier alleen mogelijk was door het vakje "nee" aan te vinken. Omdat alleen het antwoord "nee" mogelijk was, gingen zij ervan uit dat de subsidie was verleend op grond van de oude regeling, de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (hierna: de SAN), onder welke regeling het jaarlijks indienen van een betalingsaanvraag niet was vereist. Zij waren zich derhalve niet bewust van de fout in de Gecombineerde Opgave, zodat zij daarvan ook geen mededeling konden doen aan het college, aldus de erven. 4.1. De Afdeling gaat ervan uit dat de erven met het vorenstaande beogen te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het te laat indienen van de betalingsaanvraag was te wijten aan overmacht als bedoeld in artikel 75 van Verordening EG/1122/2009, in welk geval het college de aanvraag van de erven niet op grond van artikel 23, tweede lid, van die verordening had mogen afwijzen. 4.2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie bijvoorbeeld het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co.