1. De inspecteurs-districtshoofden zijn, behalve met de taak, hun ingevolge de
Veewet opgelegd, belast met alle werkzaamheden, hun door of vanwege Onzen Minister door den directeur of bij afwezigheid of ontstentenis en namens dezen door den adjunct-directeur opgedragen.
2. Zij dienen Onzen Minister, den Directeur-Generaal en den directeur desgevraagd van advies en geven hun schriftelijk of mondeling de verlangde inlichtingen.
3. Zij stellen zich bij voortduring op de hoogte van den veestapel in hun district.
4. Zij verrichten, voor zooveel zulks hun door den directeur wordt opgedragen of zij zelf dit noodig achten, onderzoekingen en verzamelen gegevens, welke voor den veeartsenijkundigen dienst van belang zijn.
5. Zij brengen jaarlijks aan den directeur vóór een door dezen te bepalen datum en overeenkomstig diens aanwijzingen verslag uit omtrent hunne werkzaamheden en die der onder hen gestelde ambtenaren, zoomede omtrent den gezondheidstoestand van den veestapel in hun district.
6. Een inspecteur-districtshoofd wordt tijdens zijn afwezigheid of ontstentenis vervangen door een door de directeur aangewezen inspecteur-districtshoofd, adjunct-inspecteur of plaatsvervangend-inspecteur.