1. Indien een betrokkene op of na de datum van zijn ontslag uit hoofde van arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft of krijgt op doorbetaling van zijn laatstgenoten bezoldiging, wordt de uitvoering van artikel 2opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.
2. De betrokkene die in het genot is van een uitkering ingevolge artikel 2en die wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten, ontvangt gedurende de tijd van bedoelde verhindering, doch ten hoogste gedurende een tijdvak van 52 weken een uitkering overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de
Ziektewet.
3. De betrokkene, bedoeld in het tweede lid, die na afloop van het in dat lid genoemde tijdvak van 52 weken arbeidsongeschikt is, ontvangt zolang die ongeschiktheid duurt, doch uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, een uitkering overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Indien de betrokkene niet te kennen heeft gegeven dat hij in aanmerking wenst te worden gebracht voor een verlaging van de pensioenbijdrage, bedoeld in
artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, is de hoogte van het vervolgdagloon bedoeld in
artikel 21b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, gelijk aan het dagloon bedoeld in artikel 21 van die wet.