1. Tot 1 januari 1999 blijven van kracht alle op 31 juli 1997 geldende voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging met betrekking tot de instellingen, bedoeld in hoofdstuk II, titel I, en in hoofdstuk III, titel II en III, van die wet, een en ander met uitzondering van de voorschriften ingevolge de artikelen 47 en 48 van die wet.
2. Met ingang van 1 augustus 1997 eindigt het lidmaatschap van de leden van de bestuursraad van de instellingen, bedoeld in hoofdstuk III, titel II en III, van de Wet op de onderwijsverzorging, zoals die luidde op 31 juli 1997. Tot 1 januari 1998 benoemt en ontslaat Onze Minister de leden van de bestuursraad van deze instellingen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de te verrichten activiteiten en de uitvoering ingevolge het eerste lid, zo nodig in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging.
4. Tot 1 januari 1999 komt uitsluitend het Centrum voor Innovatie van Opleidingen voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking. Deze subsidie kan worden verleend ten behoeve van activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en c. Bij ministeriële regeling kunnen hieromtrent, voor zover dat van belang is in verband met de subsidiëring van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten waarin wordt voorzien met ingang van 1 januari 1998, regels worden gesteld, zo nodig in afwijking van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Tot het in de eerste volzin genoemde tijdstip is artikel 13 van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling worden hieromtrent nadere regels gegeven.
5. Van 1 januari 1999 tot 1 januari 2001 komen uitsluitend de volgende instellingen voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking:
a. voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a: 1°. de drie landelijke pedagogische centra, te weten het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum en het Katholiek Pedagogisch Centrum, en
2°. het Centrum voor Innovatie van Opleidingen,
1°. de drie landelijke pedagogische centra, te weten het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum en het Katholiek Pedagogisch Centrum, en
2°. het Centrum voor Innovatie van Opleidingen,
b. voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, het Instituut voor Toetsontwikkeling, en
c. voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, het Instituut voor Leerplanontwikkeling en het Centrum voor Innovatie van Opleidingen.
6. Van 1 januari 1997 tot het tijdstip waarop Onze Minister na en op grond van de evaluatie, bedoeld in artikel 18, tweede lid, anders besluit, komen voor de activiteit, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel
d, uitsluitend de landelijke pedagogische centra in gezamenlijkheid voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking. Onze Minister kan hierbij voorschriften stellen van procedurele aard.
7. Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt uitsluitend het Instituut voor Toetsontwikkeling voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel
b, voor zover deze betrekking hebben op toetsen en examens bij of krachtens de
Wet op het voortgezet onderwijsen de daarbij horende aanvullende activiteiten.
8. Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt uitsluitend het Instituut voor Leerplanontwikkeling voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel
c, voor zover deze betrekking hebben op:
a. het ontwikkelen van leerplannen in het kader van de verlening van diensten op verzoek van organisaties en instellingen ten behoeve van het onderwijs, bedoeld in de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. het verzorgen van een centrale registratie van leermiddelen, en
c. de eigen ontwikkelingsfunctie met het oog op toekomstige dienstverlening.
Met betrekking tot de procedure van subsidiëring voor de activiteiten, bedoeld in onderdeel
a, worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld.
9. Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komen uitsluitend de drie landelijke pedagogische centra, te weten het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum en het Katholiek Pedagogisch Centrum voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor de activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, onder 2°, voor zover het betreft studie, ontwikkelingsonderzoek en informatieverstrekking.
10. Van 1 januari 2001 tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt uitsluitend het Centrum voor Innovatie van Opleidingen voor subsidie op grond van deze wet in aanmerking voor de activiteiten, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, onder 2°, voor zover het betreft studie, ontwikkelingsonderzoek en informatieverstrekking alsmede de daaraan verbonden leerplanontwikkeling.