1. De raad stelt uit zijn midden vier permanente commissies in. De voorzitters van deze commissies worden uit de leden van de raad door Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat aangewezen.
2. Indien voor de voorbereiding van adviezen specifieke deskundigheid is vereist die niet reeds in voldoende mate in de raad aanwezig is, kunnen in afwijking van
artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges in de commissies, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste vijftien andere personen dan leden van de raad worden benoemd.
3. Op de in het tweede lid bedoelde commissieleden zijn de
artikelen 11 tot en met
14 van de Kaderwet adviescolleges van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze leden door Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat worden benoemd, geschorst en ontslagen.