1. Onverminderd het in het tweede lid bepaalde, worden de door het hoofdbedrijfschap krachtens
artikel 126, eerste lid, van de wet op te leggen heffingen vastgesteld op grondslag van de in iedere onderneming bereikte, naar geldswaarde of hoeveelheid berekende omzet, met dien verstande dat het tarief voor verschillende in de heffingsverordening aangewezen groepen van ondernemingen verschillend kan zijn. Boven of in de plaats van zodanige heffing kan een bedrag worden geheven dat voor alle ondernemingen of groepen daarvan gelijk is.
2. Heffingen waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur van het hoofdbedrijfschap in verband met die bestemming passend acht.
3. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde heffingen worden zodanig vastgesteld dat de uitgaven ten behoeve van een commissie als bedoeld in artikel 5, naar het oordeel van het bestuur van het hoofdbedrijfschap kunnen worden bekostigd uit de opbrengst van hetgeen wordt geheven van degenen die de ondernemingen drijven die naar het oordeel van het bestuur bij die commissie zijn betrokken.