1. De voorzitter is, namens het bestuur, belast met de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.
2. De voorzitter kan, namens het bestuur, nadere regels vaststellen ter uitvoering van het bepaalde ten aanzien van:
het vaststellen van de heffing, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;
de betaling, als bedoeld in artikel 3 van deze verordening;
het verstrekken van de gegevens, als bedoeld in artikel 3 van deze verordening;
het in rekening brengen van voorschotbedragen, als bedoeld in artikel 3 van deze verordening.
3. De voorzitter kan, namens het bestuur, in bepaalde gevallen of groepen van gevallen geheel of gedeeltelijk vrijstelling of ontheffing verlenen van de bepalingen in de artikelen 2 en 3 van deze verordening. Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een verleende vrijstelling of ontheffing kan te allen tijde door de voorzitter, namens het bestuur, worden ingetrokken.