1. De in artikel 5, lid 3, van de E.E.G.-verordening nr. 1907/90 bedoelde vergunning wordt door de Voorzitter van het Productschap verleend aan de ondernemer, die beschikt over bedrijfsruimten en technische voorzieningen, welke voldoen aan de voorwaarden, gesteld in de leden 2, 3 en 4 van artikel 3 van de E.E.G.-verordening nr. 1274/91. Op het bewijs van de vergunning wordt het registratienummer vermeld, als bedoeld in het tweede lid van artikel 4 van de E.E.G.-verordening nr. 1274/91.
2. De vergunning kan worden ingetrokken, indien niet meer aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
3. Het bestuur stelt bij besluit nadere regels vast betreffende de procedure voor het verkrijgen van de in het eerste lid bedoelde vergunning.
4. Het bestuur kan bij besluit een retributie vaststellen die de ondernemer bij de aanvraag van een vergunning bedoeld in het eerste lid dient te betalen.
5. Het bestuur stelt bij besluit vast wat als kenteken, bedoeld in artikel 21 lid 2, van de E.E.G.-verordening nr. 1274/91, wordt aangewezen.
6. De etiketten en banderollen, bedoeld in de E.E.G. verordeningen, dienen, onverminderd het bepaalde dienaangaande in genoemde verordeningen, overeen te komen met de door het bestuur bij besluit vast te stellen modellen.