1. De voorzitter, de leden en de secretaris van het tuchtgerecht kunnen op eigen verzoek tussentijds worden ontslagen.
2. De voorzitter, de leden en de secretaris kunnen worden ontslagen op de gronden aangegeven in de
artikelen 46c, tweede lid,
46d, tweede lid,
46l, eerste en derde lid en
46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en indien zij wegens ziekte ongeschikt zijn voor hun taak, mits de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd en herstel binnen zes maanden na de termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten.
3. De voorzitter, de leden en de secretaris wordt in ieder geval ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt.