De besturen van de bedrijfslichamen stellen in hun verordeningen, bedoeld in de
artikelen 77,
83,
85 jo.
77,
88 jo.
77 en
88a jo.
77 van de wet, de vergoedingen vast voor de leden van het bestuur, de voorzitter van het bedrijfslichaam, de leden van het dagelijks bestuur, de leden en voorzitters van de commissies uit het midden van het bestuur en van de organen bedoeld in
artikel 88a van de wet, alsmede voor hun plaatsvervangers, met inachtneming van de in de bijlage bij deze verordening gevoegde richtlijnen. Zij kennen geen andere vergoedingen toe en stellen de vergoedingen niet vast op hogere bedragen dan in de richtlijnen genoemd.