1. Na indiening van de aanvraag en tot het moment van ontvangst van de beschikking tot subsidieverlening dient de aanvrager de productieactiviteit voort te zetten.
2. De commissie kan op verzoek van de aanvrager ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verplichting verlenen ingeval voortzetting van de productieactiviteit niet mogelijk is als gevolg van faillissement, surseance van betaling of een daarmee gelijk te stellen, van buiten de onderneming komende, oorzaak.
3. Aan de verlening van de stillegsubsidie zijn voor de aanvrager de volgende verplichtingen verbonden:
a. alle productieactiviteiten en in voorkomend geval tevens de verkoopactiviteiten in de bakkerij(-onderdelen) waarop de aanvraag betrekking heeft moeten worden gestaakt binnen maximaal 30 weken vanaf de mededeling van de beschikking tot subsidieverlening,
b. de productieapparatuur dient binnen twee weken na de stakingsdatum definitief buiten gebruik te worden gesteld door middel van vernietiging of op een andere door de commissie te bepalen wijze,
c. de aanvrager mag gedurende vijf jaar na de stakingsdatum de productie en in voorkomend geval tevens de verkoop van brood of banket direct noch indirect hervatten,
d. bij verkoop, verhuur, vestiging van een zakelijk genotsrecht of een andere wijze van terbeschikkingstelling van de grond en gebouwen is de aanvrager verplicht in het verkoop- of verhuurcontract op te nemen dat in het betreffende pand of op de betreffende locatie gedurende vijf jaar na de stakingsdatum geen bedrijf voor de productie of verkoop van brood of banket mag worden gevestigd,
e. ingeval de aanvrager werknemers in dienst heeft dient de aanvrager binnen een termijn van uiterlijk een maand na stakingsdatum de voor de toekenning van de inkomensvoorzieningen de pensioenvoorziening werknemers vereiste gegevens, aangevuld en mede ondertekend door de werknemer, in te dienen.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid, onder a, kan de commissie op verzoek van de aanvrager een andere termijn bepalen ingeval naleving van de termijn in redelijkheid niet van de aanvrager kan worden gevergd gelet op de aan de aanvrager gegeven beschikking krachtens de
Wet IOAZ .
5. De commissie kan aan de verlening van de subsidie nadere of aanvullende verplichtingen verbinden.