1. De voorzitter verleent degene van wie persoonsgegevens in het bestand zijn opgenomen of zijn gemachtigde, op diens verzoek zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken, inzage van de gegevens of verschaft hem een afschrift van de documenten waarin de gegevens zijn opgenomen, tenzij een van de omstandigheden bedoeld in
artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens zich voordoet.
2. De voorzitter neemt een verzoek als bedoeld in
artikel 35 of
36 van de Wet bescherming persoonsgegevens slechts in behandeling als de verzoeker het registratienummer van de ondernemer of onderneming aan hem heeft meegedeeld of indien de voorzitter de identiteit van de verzoeker op andere wijze heeft vastgesteld.
3. Aan een gemachtigde van een in het bestand opgenomen ondernemer worden slechts gegevens verstrekt als een schriftelijke machtiging is overlegd. Indien een gemachtigde telefonisch informatie vraagt, stelt de voorzitter, voordat hij de informatie verstrekt, vast dat de betrokkene inderdaad namens de ondernemer handelt.
4. Indien gegevens onjuist of onvolledig zijn, worden zij niet verwijderd maar wordt hiervan een aantekening gemaakt en worden de juiste of ontbrekende gegevens tevens in het bestand opgenomen.