1. Het bedrag, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder a, van de kostenregeling wordt vastgesteld:
a. voor kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° van de wet: 1°. wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een onderneming of instelling waarvan de staten op grond van artikel 55 van de wet niet op geconsolideerde basis in de staten van een op grond van de wet vergunninghoudende instelling worden opgenomen, of wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een dochtermaatschappij van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling, waarop de toezichthoudende autoriteit in de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is, onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, op € 35.500;
2°. wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een onderneming of instelling waarvan de staten op grond van artikel 55 van de wet op geconsolideerde basis in de staten van een op grond van de wet vergunninghoudende instelling worden opgenomen, of wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een dochtermaatschappij van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling, waarop de toezichthoudende autoriteit in de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is, voldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, op € 23.300.
1°. wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een onderneming of instelling waarvan de staten op grond van artikel 55 van de wet niet op geconsolideerde basis in de staten van een op grond van de wet vergunninghoudende instelling worden opgenomen, of wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een dochtermaatschappij van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling, waarop de toezichthoudende autoriteit in de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is, onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, op € 35.500;
2°. wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een onderneming of instelling waarvan de staten op grond van artikel 55 van de wet op geconsolideerde basis in de staten van een op grond van de wet vergunninghoudende instelling worden opgenomen, of wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een dochtermaatschappij van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling, waarop de toezichthoudende autoriteit in de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is, voldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, op € 23.300.
b. voor kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de wet: 1°. wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een onderneming of instelling waarvan de staten op grond van artikel 55 van de wet niet op geconsolideerde basis in de staten van een op grond van de wet vergunninghoudende instelling worden opgenomen, of wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een dochtermaatschappij van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling, waarop de toezichthoudende autoriteit in de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is, onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, op € 28.400;
2°. wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een onderneming of instelling waarvan de staten op grond van artikel 55 van de wet op geconsolideerde basis in de staten van een op grond van de wet vergunninghoudende instelling worden opgenomen, of wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een dochtermaatschappij van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling, waarop de toezichthoudende autoriteit in de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is, voldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, op € 23.300.
1°. wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een onderneming of instelling waarvan de staten op grond van artikel 55 van de wet niet op geconsolideerde basis in de staten van een op grond van de wet vergunninghoudende instelling worden opgenomen, of wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een dochtermaatschappij van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling, waarop de toezichthoudende autoriteit in de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is, onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, op € 28.400;
2°. wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een onderneming of instelling waarvan de staten op grond van artikel 55 van de wet op geconsolideerde basis in de staten van een op grond van de wet vergunninghoudende instelling worden opgenomen, of wanneer het betreft aanvragers van een vergunning voor een dochtermaatschappij van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling, waarop de toezichthoudende autoriteit in de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is, voldoende geconsolideerd toezicht uitoefent, op € 23.300.
2. Het bedrag, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder b, van de kostenregeling wordt vastgesteld op € 1.500.
3. Het bedrag, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder c, van de kostenregeling wordt vastgesteld op € 0.
4. Het bedrag, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder d, van de kostenregeling wordt vastgesteld op € 0.
5. Het bedrag, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, van de kostenregeling wordt vastgesteld op € 0.
6. Het bedrag, bedoeld in
artikel 6, derde lid, van de kostenregeling wordt vastgesteld op € 0.