1. Het bestuur beslist over de bestemming van de middelen van het fonds.
2. Het bestuur neemt geen besluit over de bestemming van de middelen van het fonds dan na advies van de commissie groothandel.
3. De commissie groothandel kan namens het bestuur over de bestemming van de middelen van het fonds besluiten op basis van een voor dat jaar door het dagelijks bestuur vastgestelde begroting van de commissie groothandel, welke deel uitmaakt van de door het bestuur voor dat jaar voor het, productschap vastgestelde begroting.
4. De commissie groothandel kan de bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, doormandateren aan de voorzitter van het productschap en de voorzitter van de commissie groothandel tezamen door in de begroting te bepalen voor welk deel door hen gezamenlijk besloten kan worden over de specifieke invulling bij de aanwending van deze middelen.
5. Een besluit als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid wordt niet genomen dan na advies van de mede betrokken bestuursadviescommissie die door het bestuur is ingesteld voor de desbetreffende deelsector waarvoor het besluit wordt genomen.
6. Bij de bestemming van de middelen dient te allen tijde voldaan te worden aan de voorwaarden gesteld in de Europese en nationale regelingen met betrekking tot steun- en subsidieverlening.
7. Door de secretaris van de commissie groothandel wordt schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur gedaan van besluiten ten aanzien van de besteding van de middelen, bedoeld in het vierde lid. Ook deze mededeling is te allen tijden voorzien van een schriftelijke motivatie.
8. Bij uitvoering van het bepaalde in het eerste, derde en vierde lid, kan de voorzitter beschikkingen of besluiten nemen als bedoeld in
titel 4.2 Subsidies van de Algemene wet bestuursrecht.