1. De nertsenhouder zorgt er voor dat een door hem gehouden fokdier, met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid, jaarlijks in de periode vanaf 1 december tot 1 maart wordt gevaccineerd tegen de hondenziekte.
2. De nertsenhouder zorgt er voor dat een door hem gehouden fokdier dat conform het eerste lid is gevaccineerd, uiterlijk binnen twaalf maanden na de in het eerste lid bedoelde vaccinatie voor een tweede keer wordt gevaccineerd tegen de hondenziekte, met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid.
3. In het geval een fokdier op jongere leeftijd dan 12 maanden al eenmaal is gevaccineerd tegen de hondenziekte, zorgt de nertsenhouder er voor dat dit fokdier uiterlijk binnen twaalf maanden na de eerste vaccinatie voor een tweede keer wordt gevaccineerd tegen de hondenziekte, met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid.
4. De nertsenhouder zorgt er voor dat een door hem gehouden fokdier uiterlijk op een leeftijd van 24 maanden twee maal is gevaccineerd tegen de hondenziekte, met inachtneming van het bepaalde in het zesde lid.
5. Vervallen.
6. De nertsen worden in overeenstemming met het in de
Wet uitoefening diergeneeskunde bepaalde en met een conform de
Diergeneesmiddelenwet voor dat doel geregistreerd vaccin, tegen de hondenziekte gevaccineerd.
7. De nertsenhouder is verplicht verschijnselen die kunnen duiden op de aanwezigheid van hondenziekte op zijn bedrijf, dan wel enige verdenking van de aanwezigheid van de hondenziekte onverwijld te melden of namens hem door zijn dierenarts te laten melden aan de GD.
8. De voorzitter kan de GD verzoeken om namens hem onderzoek te doen naar de aanwezigheid van hondenziekte op een locatie waar de nertsenhouderij wordt uitgeoefend.