Artikel 1
1. Het dek van een zeeschip moet voor havenarbeiders, die aan boord van het schip stuwadoorsarbeid gaan verrichten, veilig te bereiken zijn.
2. Indien voor het geven van toegang tot het zeeschip loopplanken gebruikt worden, moeten deze aan de boordzijde stevig bevestigd zijn; zij moeten eene breedte hebben van ten minste 0,50 m en moeten ten minste aan één zijde van voldoend sterke leiders zijn voorzien, die op doelmatige hoogte zijn aangebracht.
3. Indien voor het geven van toegang andere ladders dan touwladders worden gebruikt, moeten deze ten minste 0,80 m boven de verschansing reiken; zij moeten doelmatig geplaatst en aan de bovenzijde tegen zijdelings verschuiven beveiligd zijn.
4. Ter plaatse, waar loopplanken, trappen of ladders toegang tot het zeeschip geven, moeten goed vaststaande trappen of andere doelmatige hulpmiddelen van den bovenkant der verschansing naar het dek leiden.
2. Indien voor het geven van toegang tot het zeeschip loopplanken gebruikt worden, moeten deze aan de boordzijde stevig bevestigd zijn; zij moeten eene breedte hebben van ten minste 0,50 m en moeten ten minste aan één zijde van voldoend sterke leiders zijn voorzien, die op doelmatige hoogte zijn aangebracht.
3. Indien voor het geven van toegang andere ladders dan touwladders worden gebruikt, moeten deze ten minste 0,80 m boven de verschansing reiken; zij moeten doelmatig geplaatst en aan de bovenzijde tegen zijdelings verschuiven beveiligd zijn.
4. Ter plaatse, waar loopplanken, trappen of ladders toegang tot het zeeschip geven, moeten goed vaststaande trappen of andere doelmatige hulpmiddelen van den bovenkant der verschansing naar het dek leiden.