Arbeidsveiligheidsbesluit I BES
Hoofdstuk I
De dagverlichting
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Hoofdstuk II
Het verkrijgen van voldoende en doelmatige verlichting door kunstlicht
Artikel 6
2. De kunstverlichting moet zijn aangepast aan de aard van het werk. De verlichtingssterkte moet voldoende zijn voor de te verrichten werkzaamheden.
3. Een lichtbron moet zodanig geplaatst en ingericht zijn, dat het licht de arbeider direct of indirect tijdens de arbeid niet hinderlijk in de ogen schijnt.
Artikel 7
Artikel 8
Hoofdstuk III
Bevorderen van zindelijkheid
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
2. In een werklokaal, waarin voor de arbeid veel water wordt gebruikt, moet de vloer zodanig zijn ingericht, dat het water behoorlijk kan aflopen.
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
2. Het aantal beschikbare wasgelegenheden moet bedragen tenminste één op elke tien of minder arbeiders, die gelijktijdige rust- en schafttijden hebben, wanneer het stof of vuil niet van vergiftigde aard en gemakkelijk te verwijderen is en in de andere gevallen tenminste één op elke vijf of minder dier arbeiders.
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Hoofdstuk IV
De privaten en urinoirs
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
1e. tenminste één privaat voor elke vijftien of minder vrouwelijke personen;
2e. tenminste één privaat en één urinoir voor elke vijf en twintig of minder mannelijke personen;
3e. één privaat voor tien of minder mannelijke personen.
Hoofdstuk V
Kleedkamers, klederbergplaatsen, schaftgelegenheden en de verblijfplaatsen waar, uit hoofde van de wijze van bedrijfsuitoefening of de plaats waar het bedrijf wordt uitgeoefend, de arbeiders de nacht moeten doorbrengen
Artikel 28
2. Voor de kleren, die bij de arbeid in het eerste lid bedoeld, zijn gedragen, moeten opzettelijk daartoe aangewezen bergplaatsen beschikbaar zijn, gescheiden van de bergplaatsen der overige klederen.
Artikel 29
Artikel 30
2. Deze klederbergplaatsen mogen geen deel uitmaken van schadelijke werklokalen.
Artikel 31
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing waar tien of meer personen werkzaam zijn, die een rusttijd hebben van meer dan een half uur en niet in de gelegenheid zijn, zich gedurende die rusttijd naar huis te begeven.
3. Een schaftlokaal, als in dit artikel bedoeld, moet voor het aantal personen, dat gelijktijdig schafttijd heeft, een vloeroppervlakte hebben van tenminste 1.25 m2 per persoon. De hoogte moet tenminste 2.50 m bedragen. Een schaftlokaal moet behoorlijke zitgelegenheden bevatten voor alle personen, die daarvan tegelijkertijd gebruik maken.
4. Een schaftlokaal mag niet als werklokaal, bergplaats of slaapplaats worden gebruikt.
Artikel 32
2. Een behoorlijke schaftgelegenheid wordt geacht beschikbaar te zijn, indien een lokaliteit ter beschikking is, waarin voor de personen, als bedoeld in het eerste lid, een tafel en behoorlijke zitgelegenheden aanwezig zijn. Deze lokaliteit mag niet als een schadelijk werklokaal worden gebruikt.
Artikel 33
Artikel 34
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing daar waar arbeiders werkzaam zijn die in verband met de uitoefening van het bedrijf tussen 22.00 uur en 07.00 uur ten minste vier uren aanwezig moeten zijn, en die niet doorlopend arbeid verrichten of geen vastgestelde rusttijden hebben.
Artikel 35
2. Een nachtverblijf moet zijn voorzien van in de buitenlucht uitkomende ramen, die zodanig kunnen worden geopend, dat de gezamenlijke doorlaatopening niet minder dan 1/25 van de vloeroppervlakte en in geen geval minder dan 1.00 m2 bedraagt; het gezamenlijke lichtoppervlak der ramen moet tenminste 1/30 van het vloeroppervlak bedragen.
3. Een nachtverblijf mag voor geen ander doel worden gebezigd en moet van een werklokaal geheel zijn afgescheiden door dichte wanden, vloer en zoldering, behoudens de voor de toegang dienende deuren. Een nachtverblijf mag niet in directe verbinding staan met een schadelijk werklokaal, noch deel uitmaken van een schaftlokaal.
4. Een nachtverblijf, waarin geen buitendeur aanwezig is, moet behalve de voor gewoon gebruik dienende toegang of uitgang, nog een uitgang hebben, die gelegenheid biedt tot ontkoming.
Artikel 36
Artikel 37
2. Slaapplaatsen mogen niet boven elkaar zijn aangebracht.
3. Een nachtverblijf mag uitsluitend dienen voor personen van gelijk geslacht ten getale van ten hoogste 20.
Artikel 38
Hoofdstuk VI
Bevorderen van voldoende luchtverversing en beschutting tegen regen en zon
Artikel 39
Artikel 40
Artikel 41
Artikel 42
Artikel 43
Artikel 44
Hoofdstuk VII
Het tegengaan van het ontstaan of de verspreiding en het verwijderen van schadelijke of hinderlijke dampen of gassen of van stof
Artikel 45
Artikel 46
Artikel 47
Artikel 48
Artikel 49
Hoofdstuk VIII
Verschaffen van hulp bij ongevallen
Artikel 50
Artikel 51
Artikel 52
Artikel 53
Artikel 54
Artikel 55
2. Het verlenen van eerste hulp bij ongevallen mag uitsluitend geschieden door de in het eerste lid bedoelde personen, tenzij omstandigheden in het belang van de door een ongeval getroffene onmiddellijk ingrijpen of medewerken van anderen noodzakelijk maken.
Hoofdstuk IX
Het verstrekken van goed drinkwater of andere alcoholvrije dranken
Artikel 56
Hoofdstuk X
Voorkoming van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten
Artikel 57
2. Giftige stoffen moeten zodanig worden bewaard, dat het gevaar voor vergiftiging zoveel mogelijk wordt voorkomen.
3. Zware vergiften, zoals arsenicum, cyaankalium e.d. moeten op zodanige wijze worden bewaard, dat zij niet in handen van onbevoegden kunnen komen.
Artikel 58
a. tegen de schadelijke werking van de straling bij autogeen lassen en snijden en van electrisch booglicht: doelmatige beschuttingsmiddelen voor de ogen;
b. tegen de schadelijke werking van de straling bij electrisch lassen en snijden: doelmatige beschuttingsmiddelen voor de ogen en de onbedekte huid;
c. tegen de schadelijke werking van andere dan de onder a en b genoemde straling: doelmatige beschuttingsmiddelen voor de ogen en de aan de stralen blootgestelde huid;
d. tegen aanraking van de huid door daarop schadelijk inwerkende of daarin doordringende stoffen: doelmatige bedekking voor de huid;
e. tegen de inademing van giftige of bijtende dampen, gassen, rook, nevels of van stof: doelmatige ademtoestellen, helmen of respiratoren;
f. tegen het gevaar van besmetting bij het verwerken van delen van dieren, die besmet of verdacht waren besmet te zijn: doelmatige ontsmettingsmiddelen, hand- en armbedekkingen en brillen;
g. tegen de inwerking van schadelijke geluidstrillingen op het gehoororgaan: doelmatige beschuttingsmiddelen.
Artikel 59
Artikel 60
Artikel 60a
Hoofdstuk XI
Het voorkomen van ongevallen
Artikel 61
a. krachtwerktuigen, bijv. vliegwielen, krukken, drijfstangen, assen, spieën, riemen, kettingen, snaren, schijven, tandraderen, uitstekende zuigerstangen, regulateurballen en molenwieken;
b. drijfwerken, bijv. krukken, assen, kettingen, snaren, riemen, schijven, raderen, spieën, bouten, koppelingen en stelschroeven;
c. door een krachtwerktuig gedreven werktuigen, bijv. vliegwielen, raderen, krukken, assen, spieën, stelschroeven, bouten, koppelingen, snaren, riemen, kettingen en schijven;
d. niet door een krachtwerktuig gedreven werktuigen, bijv. vliegwielen van drukpersen, ponsmachines, metaalscharen, spantenbuigers, en andere werktuigen, raderen, bijv. van boormachines, draaibanken, centrifuges, lieren en hijskranen en slingers van ponsmachines, metaal-knipmachines, schroefpersen en ander werktuigen, moeten, voor zover zij gevaar opleveren, zo mogelijk doelmatig beschut zijn.
Artikel 62
2. Een krachtwerktuig moet op zodanige wijze worden getornd en in gang gebracht, dat daarbij gevaar zoveel mogelijk wordt vermeden.
3. Een krachtwerktuig, met uitzondering van een windmolen, moet zodanig zijn ingericht, dat de veilige snelheid niet kan worden overschreden.
Artikel 63
Artikel 64
Artikel 65
Artikel 66
Artikel 67
a. buiten dat werklokaal is opgesteld, of
b. in dat werklokaal is opgesteld op een afstand van 20 m of meer, moeten zonodig op doelmatige plaatsen een of meer inrichtingen aanwezig zijn, waardoor – in geval van nood – dat drijfwerk of het krachtwerktuig dadelijk tot stilstand kan worden gebracht.
Artikel 68
Artikel 69
Artikel 70
Artikel 71
Artikel 72
Artikel 73
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, indien de drijfriemen, kabels, snaren of kettingen voor betrekkelijk korte tijd buiten gebruik zijn of door de plaatsing van drijfriemen, kabels, snaren of kettingen en door de wijze van verbinden der einden het uit het drijfwerk nemen bezwaarlijk is, een en ander onder voorwaarde, dat zij zodanig op vaste dragers rusten, dat zij niet in aanraking kunnen komen met de bewegende delen van het drijfwerk of van de werktuigen.
Artikel 74
Artikel 75
Artikel 76
Artikel 77
a. het werktuig door een uitsluitend voor het bewegen van dat werktuig bestemd krachtwerktuig in beweging kan worden gebracht en dit van de plaats af, waar de bedienende persoon zijn werk verricht, onmiddellijk kan worden stilgezet;
b. het werktuig van dien aard is of zodanig is opgesteld, ingericht of beveiligd, dat het bij gewoon gebruik geen gevaar oplevert, in welk geval echter nimmer herstellingen of andere gevaar veroorzakende werkzaamheden aan het in gang zijnde werktuig mogen geschieden;
c. het werktuig behoort tot een groep van werktuigen, die uit hoofde van het bedrijf alle gelijktijdig moeten worden stilgezet en in gang gebracht, in welk geval de gehele groep veilig en met zekerheid moet kunnen worden stilgezet en niet dan opzettelijk weder in gang gebracht.
Artikel 78
Artikel 79
a. aan het werktuig en een snelheid heeft van meer dan 800 omwentelingen per minuut of een geringere snelheid, doch niettemin gevaar voor ongevallen ontstaat, wanneer, tengevolge van de wrijving van de losse schijf op de as, die as in beweging geraakt;
b. op een drijfas of tussendrijfwerkas, welke meer dan 800 omwentelingen per minuut maakt.
2. Voor de aandrijving van werktuigen met snel draaiende assen moet zonodig een tussendrijfwerk met losse en vaste schijf zijn toegepast.
Artikel 80
Artikel 81
2. Zo nodig en mogelijk moeten de bij dergelijke werktuigen werkzame arbeiders van doelmatige beschuttingsmiddelen zijn voorzien.
Artikel 82
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
Artikel 86
Artikel 87
Artikel 88
Artikel 89
Artikel 90
2. Vloeren, bordessen, gaanderijen, trappen en loopplanken moeten in goede staat van onderhoud verkeren; voor zover zij gevaar opleveren, moeten doelmatige maatregelen daartegen zijn getroffen.
Artikel 91
2. Zo nodig moet een trap, waarvan de breedte 2 m of meer bedraagt, tevens in het midden van de breedte van een stevige leuning zijn voorzien.
3. Een loopplank moet voldoende breed zijn en vastliggen en gewaarborgd zijn tegen kantelen, wippen, dompen, breken en te sterk doorbuigen.
Artikel 92
Artikel 93
Artikel 94
Artikel 95
Artikel 96
Artikel 97
Artikel 98
Artikel 99
Artikel 100
Artikel 101
Artikel 102
2. De te hijsen last mag het veilig maximum hefvermogen niet overschrijden.
Artikel 103
Artikel 104
Artikel 105
2. Zo dikwijls zulks ter waarborging van een veilig gebruik nodig is, kan geëist worden dat hijskettingen en kettingstroppen worden uitgegloeid en met een voldoende trekkracht worden beproefd door een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkende deskundige. Van deze beproeving wordt de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES, op eerste aanvrage een door de deskundige opgesteld bewijs overgelegd.
Artikel 106
a. rails, wissels en draaischijven in goede staat van onderhoud verkeren; voor zover zij gevaar opleveren, moeten daartegen doeltreffende maatregelen zijn getroffen.
b. de draaischijven behoorlijk kunnen worden vastgezet;
c. maatregelen zijn genomen tegen knelling tussen wagens of bakken en vaste delen als muren, palen en kolommen alsmede tegen het gevaar van verwondingen veroorzaakt door trekkabels bij het vervoer van wagens langs bochtig spoor;
d. maatregelen zijn genomen tegen aanrijding op plaatsen, waar geregeld verkeer plaats heeft.
Artikel 107
Artikel 108
Artikel 109
Artikel 110
Artikel 111
Artikel 112
Artikel 113
Artikel 114
2. Maatregelen moeten zijn getroffen tegen ongevallen door het overlopen van kuipen of bakken met hete of bijtende vloeistoffen.
Artikel 115
Artikel 116
2. Bij het uitschenken van zodanige vloeistof moeten ter voorkoming van morsen en spatten doeltreffende middelen worden aangewend.
Artikel 117
2. Deze bepaling geldt niet:
a. ten aanzien van de stoomleidingen, indien daarin twee goed werkende en gesloten afsluitingen tussen de ketel of elk der ketels met geopend mangat en de stoomleiding aanwezig zijn;
b. ten aanzien van de voedingsleidingen, indien de voedingskraan van de ketel of de ketels met geopend mangat is gesloten en de voedingklep op doeltreffende wijze in gesloten stand is vastgezet, met dien verstande, dat deze afsluitingen met een ketting, slot en sleutel of op andere even zekere wijze zijn geborgd tegen ondoordacht opendraaien.
Artikel 118
Artikel 119
Artikel 120
2. Kookketels, reservoirs en toestellen, waarin zich stoom, hete vloeistoffen of gassen bevinden, moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld, dat zij bij normaal gebruik zo weinig mogelijk gevaar opleveren.
3. Ketels, ovens en dergelijke moeten zodanig zijn ingericht en onderhouden en van een zodanige inrichting zijn voorzien, dat het gevaar getroffen te worden door een uitslaande vlam, zoveel mogelijk is voorkomen.
Artikel 121
Artikel 122
Artikel 123
2. Flessen of vaten, als in het eerste lid bedoeld, moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij niet kunnen omvallen.
3. Een fles, die opgelost acetyleen bevat, moet gesloten worden, zodra er geen gas meer aan onttrokken wordt, en gesloten worden bewaard. Ook een fles, die opgelost acetyleen bevat heeft, moet gesloten worden bewaard.
4. De sleutel voor het openen en sluiten van de afsluiting van een fles die opgelost acetyleen bevat, moet, zolang de fles voor afgifte van gas in gebruik is, op de afsluiter zijn geplaatst of daaraan of aan de fles zijn opgehangen.
Artikel 124
2. De manometers van reduceerafsluiters moeten zodanig zijn aangebracht dat de aflezing kan geschieden van een plaats, waar de kans, om te worden getroffen door afgestoten delen van de reduceerafsluiter, het kleinst is.
Artikel 125
2. Het eerste lid is niet van toepassing op toestellen, die in de buitenlucht zijn opgesteld, noch op verplaatsbare toestellen, die tijdelijk in een fabriek of werkplaats worden gebruikt voor het autogeen snijden, lassen of verwarmen van vast opgestelde of moeilijk verplaatsbare voorwerpen.
Artikel 126
Artikel 127
Artikel 128
2. Het is verboden acetyleentoestellen te gebruiken, waarin het gas wordt ontwikkeld door het invallen van calciumcarbid in water, indien daarbij in het toestel een overdruk van 0.50 kg/cm2 of meer kan voorkomen, tenzij de carbidvulling 60 kg of meer bedraagt en gedurende de tijd, dat het toestel in gebruik is, voortdurend een deskundig persoon aanwezig is, die speciaal belast is met het toezicht op en de behandeling van het toestel.
3. Onverminderd het in het eerste en tweede lid bepaalde, moeten acetyleentoestellen, waarin de overdruk 0.50 kg/cm2 of meer bedraagt, zodanig zijn geconstrueerd, dat zij zonder blijvende vormverandering een overdruk van 5 kg/cm2 kunnen weerstaan, met dien verstande, dat de wanddikte van de toestellen ten minste 1.5 mm moet bedragen.
4. Op een toestel als bedoeld in het derde lid moet duidelijk leesbaar een uitsluitend voor dat toestel bestemd nummer zijn aangebracht. De gebruiker van het toestel moet in het bezit zijn van een certificaat afgegeven door Onze Minister van Sociale Zaken Werkgelegenheid of een door deze aangewezen instelling, waaruit blijkt, dat het toestel geperst is op een druk van 5 kg/cm2 en die druk heeft weerstaan zonder dat blijvende vormverandering optrad.
5. Op een toestel als bedoeld in het derde lid moet de werkdruk op duidelijk zichtbare wijze zijn aangegeven. De werkdruk mag niet meer dan 1.4 kg/cm2 bedragen.
6. Een toestel als bedoeld in het derde lid moet voorzien zijn van een goed werkende manometer, die de overdruk in het toestel in kg/cm2 duidelijk aanwijst. Deze manometer moet zodanig zijn ingericht, dat hij een druk tot 2.5 kg/cm2 op juiste wijze aangeeft. Op de schaalverdeling moet de toegestane werkdruk met een rode streep zijn aangeduid.
7. Een toestel als bedoeld in het derde lid moet zijn voorzien van twee veiligheidskleppen, tenzij het een verplaatsbaar toestel is en in de bedrijfstoestand minder dan 250 kg weegt, in welk geval met één veiligheidsklep kan worden volstaan.
8. Een veiligheidsklep als bedoeld in het zevende lid moet zijn aangesloten op een pijp van voldoende doorsnee, waardoor het ontsnappende gas rechtstreeks in de buitenlucht wordt afgevoerd, tenzij het betreft een verplaatsbaar toestel, dat tijdelijk in een fabriek of werkplaats wordt gebruikt voor het autogeen snijden, lassen of verwarmen van vast opgestelde of moeilijk verplaatsbare voorwerpen. Deze veiligheidsklep moet zodanig zijn ingericht:
a. dat de werkdruk met niet meer dan ten hoogste 0.1 kg/cm2 wordt overschreden en dat de klep ophoudt te werken als de druk 0.1 kg/cm2 beneden de werkdruk is gedaald;
b. dat haar goede werking niet kan worden verstoord door slijtage, roesten, vervuilen, vocht of dergelijke oorzaken;
c. dat zij niet op eenvoudige wijze kan worden ingesteld op een andere druk dan waarop zij behoort te werken, noch buiten werking gesteld.
9. Acetyleentoestellen, waarin gas voorkomt onder een overdruk groter dan 0.1 kg/cm2 doch geringer dan 0.5 kg/cm2, moeten voorzien zijn van een goed werkende manometer en van een goed werkende veiligheidsklep van zodanige afmetingen en inrichting, dat de overdruk niet hoger kan stijgen dan 0.5 kg/cm2, tenzij de inrichting van het toestel zodanig is, dat geen grotere overdruk dan 0.5 kg/cm2 kan worden verkregen.
10. Het in het vierde lid bedoelde nummer, de in het vijfde lid bedoelde werkdruk en het in het zevende lid bedoelde gewicht moeten duidelijk en duurzaam zijn vermeld op een rechthoekige plaat van messing, waarvan de grootte tenminste 6 bij 9 cm bedraagt. Deze plaat moet aan het toestel op een duidelijk zichtbare plaats deugdelijk zijn bevestigd, zodanig, dat de in het vierde lid bedoelde dienst of instelling na gunstige afloop van de in het vierde lid bedoelde beproeving het merk van goedkeuring op zodanige wijze kan aanbrengen, dat verwijdering van de plaat zonder beschadiging van het merk van goedkeuring niet mogelijk is.
11. Een acetyleentoestel, als bedoeld in het derde lid, moet voorzien zijn van een door de in het vierde lid bedoelde dienst of instelling aangebracht merk van goedkeuring, waarvan een afbeelding moet zijn aangegeven in het certificaat, bedoeld in het vierde lid, en welk merk van goedkeuring zodanig moet zijn aangebracht, dat verwijdering van de in het tiende lid bedoelde plaat zonder beschadiging van dit merk niet mogelijk is.
12. Het in het vierde lid bedoelde certificaat moet de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES, op eerste aanvrage ter inzage worden verstrekt.
Artikel 129
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet ten aanzien van:
a. verplaatsbare toestellen, die tijdelijk in een fabriek of werkplaats worden gebruikt voor het autogeen snijden, lassen of verwarmen van vast opgestelde of moeilijk verplaatsbare voorwerpen;
b. toestellen, waarvan de lading niet meer dan 1 kg carbid kan bedragen en waarvan het gas gebruikt wordt zonder toevoer van zuurstof.
Artikel 130
2. Op elk waterslot of elke inrichting, als bedoeld in het eerste lid, mag niet meer dan één snij- of één lasbrander zijn aangesloten.
3. Indien meer dan één waterslot of inrichting, als bedoeld in het eerste lid, op een gasleiding of een toestel is aangesloten, moet elk waterslot of elke zodanige inrichting afzonderlijk van die leiding of het toestel kunnen worden afgesloten.
Artikel 131
Artikel 132
Artikel 133
Hoofdstuk XII
Vermijding van het gevaar van giftige verf
Artikel 134
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor:
a. witte verfstoffen, welke in de droge stof ten hoogste 2 gewichtsprocenten aan lood bevatten;
b. decoreren en aflijnen.
3. Als verfstof in de zin van het eerste lid wordt niet beschouwd het loodsulfaat, dat bij de bereiding van chromaatgeel is medegeprecipiteerd.
Artikel 135
Hoofdstuk XIII
Slotbepalingen
Artikel 136
2. Een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar kan met betrekking tot een individuele onderneming ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde bepalingen, tenzij met betrekking tot een dergelijke bepaling een nader voorschrift of aanwijzing als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES, is gegeven.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake het verlenen van een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid.
4. Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
5. Een vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing kan worden ingetrokken wanneer:
a. één of meer der redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen;
b. één of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden nageleefd;
c. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden voordoen dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.
6. De werking van een beschikking inzake een ontheffing wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist.