BWBR0044212
Geldig vanaf 2022-08-01
Artikel 2.109
Wet voortgezet onderwijs 2020
1. Het bevoegd gezag van een school die op grond van artikel 2.66is aangewezen, kan leerlingen in de gelegenheid stellen om in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, deel te nemen aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/7.3.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB</a>of <a href="/wet/BWBR0028395/artikel/7.3.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB BES</a>, aan een instelling waarvoor wat die opleiding betreft, <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/1.4a.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.4a.1, eerste lid, WEB</a>of <a href="/wet/BWBR0028395/artikel/1.4.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.4.2 WEB BES</a>is toegepast, en die opleiding af te sluiten met een examen.
2. Het eerste lid wordt alleen toegepast om leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, te behalen.
3. Toepassing van het eerste lid is gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en het bevoegd gezag van de instelling, bedoeld in dat lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden het eerste lid kan worden toegepast en regels gesteld over welke onderwerpen de samenwerkingsovereenkomst in elk geval moet omvatten.
2. Het eerste lid wordt alleen toegepast om leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, te behalen.
3. Toepassing van het eerste lid is gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en het bevoegd gezag van de instelling, bedoeld in dat lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden het eerste lid kan worden toegepast en regels gesteld over welke onderwerpen de samenwerkingsovereenkomst in elk geval moet omvatten.