Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-16
ECLI:NL:GHARL:2025:8046
Civiel recht
Hoger beroep
14,056 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.224
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 588997
beschikking in het incident van 16 december 2025
in de zaak van
E.S.P. Consultancy B.V.
die is gevestigd in Hank (gemeente Altena)
hierna: ESP
advocaat: mr. H. Loonstein
en
1 [geïntimeerde1]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats1]
3. [geïntimeerde3]
die woont in [woonplaats1]
hierna: samen [geïntimeerden] (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg
4 [belanghebbende1]
die woont in [woonplaats2] (Turkije)
hierna: [belanghebbende1]
advocaat: mr. C.G. Mensink
5Poppema Vastgoed B.V.
die is gevestigd in Schagen
hierna: Poppema
advocaat: mr. I.R. van der Rest
en als belanghebbende:
6. [curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [belanghebbende1]
die kantoor houdt in Utrecht
hierna: de curator
advocaat: L. van den Reek
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
ESP heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter), locatie Utrecht op 11 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift van ESP
het verweerschrift van [geïntimeerden] met daarin een verzoek tot een voorlopige voorziening (hierna ook: het incident) ex artikel 223 Rv
het verweerschrift van Poppema
een akte van [geïntimeerden]
het verweerschrift in het incident van [belanghebbende1]
het verweerschrift in het incident van ESP.
1.2.
Het hof heeft daarna beschikking bepaald in het incident.
2De kern van de zaak
2.1.
Op 4 juli 2023 is [belanghebbende1] op verzoek van [geïntimeerden] failliet verklaard. Tot de boedel behoort een woning aan de [adres] die eigendom is van [belanghebbende1] . Op die woning is ten behoeve van ESP en [geïntimeerden] respectievelijk een eerste en een tweede hypotheekrecht gevestigd. De curator heeft ESP – als eerste hypotheekhouder – een termijn gegeven haar hypotheekrecht uit te winnen. Omdat ESP daar geen gebruik van heeft gemaakt, heeft de curator vervolgens [geïntimeerden] een termijn gegeven zijn hypotheekrecht uit te winnen. [geïntimeerden] heeft de parate executie van de woning ter hand genomen.
2.2.
[geïntimeerden] heeft op grond van artikel 3:268 lid 2 BW de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de verkoop van de woning onderhands zal geschieden middels de aan het verzoekschrift gehechte koopovereenkomst met Poppema als koper en verzocht die koopovereenkomst goed te keuren. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek van [geïntimeerden] toegewezen.
2.3.
ESP is, met een beroep op een doorbrekingsgrond omdat artikel 3:268 lid 3 BW hoger beroep uitsluit, in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de voorzieningenrechter. De bedoeling van het hoger beroep van ESP is dat het toegewezen verzoek van [geïntimeerden] alsnog wordt afgewezen. [geïntimeerden] heeft verweer gevoerd in hoger beroep en het hof verzocht, middels een incidenteel verzoek in zijn verweerschrift, de beschikking van de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.4.
Zowel ESP als [belanghebbende1] hebben verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek van [geïntimeerden] [belanghebbende1] verzoekt in haar verweerschrift primair het incidentele verzoek van [geïntimeerden] af te wijzen en verzoekt het hof subsidiair, voor zover het hof een voorlopige maatregel overweegt, te bepalen dat uitvoering van de beschikking slechts mogelijk is nadat door [geïntimeerden] zekerheid is gesteld ex artikel 235 Rv, in een door het hof te bepalen vorm en omvang die voldoende dekking biedt voor het verhaalsrisico van [belanghebbende1] en de boedel.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de beschikking van de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaren en licht dat hieronder toe.
Geen voorlopige voorziening maar incidenteel verzoek tot tenuitvoerlegging
3.2.
[geïntimeerden] verzoekt het hof een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de beschikking van de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Omdat [geïntimeerden] het hof vraagt een processuele beslissing te nemen, namelijk over de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beslissing in een vorige instantie, vat het hof het verzoek op, niet als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv, maar als een verzoek als bedoeld in artikel 234 Rv (in verbinding met artikel 360 lid 2 Rv). Het hof zal het verzoek van [geïntimeerden] daarom aan de hand van artikel 234 Rv beoordelen.
Standpunten partijen; verzoek [belanghebbende1] tot zekerheidsstelling
3.3.
[geïntimeerden] stelt dat hij belang heeft bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking en onderbouwt dat als volgt. Als de beschikking nu niet ten uitvoer kan worden gelegd, kan de levering van de woning mogelijk pas over maanden plaatsvinden, zeker als de gang naar de Hoge Raad wordt gemaakt, wat niet uit te sluiten is. Dat strookt niet met de aard van de procedure (van artikel 3:268 lid 2 BW) die op een spoedig resultaat is gericht en dat strookt ook niet met het recht op parate executie van een hypotheekhouder. Daarbij komt dat ESP inmiddels al in verschillende procedures de mogelijkheid heeft gehad om haar standpunt duidelijk te maken en tot op heden elke procedure verloren heeft. Daarnaast zet de koper van de woning [geïntimeerden] onder druk, omdat hij de woning geleverd wil krijgen. Een poging om een notaris de woning te laten leveren op basis van de niet bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikking, heeft geen succes gehad. Verder heeft [geïntimeerden] van de rechter-commissaris in het faillissement van [belanghebbende1] tot 1 maart 2026 de tijd gekregen om als separatist gebruik te maken van het recht van parate executie, zodat haast geboden is.
3.4.
ESP voert aan dat [geïntimeerden] bij de voorzieningenrechter niet om uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking heeft verzocht en dat dit niet alsnog in hoger beroep kan worden gevraagd. [geïntimeerden] heeft daarnaast geen beroep gedaan op een doorbrekingsgrond, zodat het appelverbod van artikel 3:268 lid 3 BW voor [geïntimeerden] geldt. Verder betwist ESP dat de koper van de woning [geïntimeerden] onder druk zet en dat [geïntimeerden] een spoedeisend belang heeft. [geïntimeerden] heeft tot 1 maart 2026 om de woning te verkopen, wat voldoende tijd is volgens ESP. Bovendien kan die termijn op verzoek worden verlengd.
3.5.
[belanghebbende1] heeft eveneens verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek van [geïntimeerden] Zij voert aan dat uitvoerbaarheid bij voorraad onomkeerbare gevolgen zal hebben en dat daarom een verzoek daartoe met terughoudendheid moet worden beoordeeld. Daarbij stelt zij zich op het standpunt dat verkoop van de woning nu voorbarig zou zijn. Eerst moet definitief de rechtsgeldigheid van het hypotheekrecht van [geïntimeerden] komen vast te staan en daartoe, en ter bescherming van haar eigendomsrecht, dient zij effectieve rechtsbescherming te genieten. Bovendien heeft zij hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris in haar faillissement, die weigerde de curator opdracht te geven om het hypotheekrecht van [geïntimeerden] te onderzoeken en zou de uitkomst daarvan moeten worden afgewacht. Ook zij heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de voorzieningenrechter die heeft bepaald dat de woning onderhands verkocht mag worden.
3.6.
Voor het geval het hof het verzoek van [geïntimeerden] tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wil toewijzen, verzoekt [belanghebbende1] daaraan een zekerheidsstelling te verbinden, tot een bedrag van € 810.000 omdat uitvoerbaarheid bij voorraad voor [belanghebbende1] onevenredige risico’s met zich zou brengen. Ook dat baseert zij op de veronderstelling dat later kan blijken dat het hypotheekrecht van [geïntimeerden] niet geldig zou zijn, maar dat dan de gevolgen bij verkoop onomkeerbaar zouden zijn.
Juridisch kader
3.7.
Het hof stelt het volgende voorop. Voor zowel de beoordeling van een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad (artikel 234 Rv) als voor die van een incidentele vordering tot zekerheidsstelling (artikel 235 Rv) geldt het hierna volgende kader. Dit kader vindt in verzoekschriftprocedures overeenkomstige toepassing.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren, zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident of kort geding uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de vorige rechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de vorige rechter is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de vorige rechter wordt afgeweken. De eiser of verzoeker hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.
3.8.
Omdat er door de voorzieningenrechter geen inhoudelijk gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad waarbij de belangen van partijen zijn afgewogen, zal het hof dit bij de beoordeling van het verzoek van [geïntimeerden] alsnog doen en zijn oordeel motiveren. Daarna bespreekt het hof het verzoek van [belanghebbende1] om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden.
Oordeel hof
3.9.
Het hof gaat niet mee in de stelling van ESP dat [geïntimeerden] , nu hij dat in eerste aanleg niet heeft gedaan, niet alsnog een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking kan verzoeken. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan ook voor het eerst in hoger beroep worden verzocht. Daarbij is [geïntimeerden] ook ontvankelijk in zijn incidenteel verzoek zonder zich te beroepen op een doorbrekingsgrond, omdat hij daarbij zelf niet in hoger beroep komt tegen de beschikking van de voorzieningenrechter maar ‘meelift’ op het door ESP ingestelde hoger beroep.
3.10.
Het hof wijst het incidentele verzoek van [geïntimeerden] toe, omdat het belang van [geïntimeerden] bij uitvoerbaarheid bij voorraad van de gegeven beschikking naar het oordeel van het hof zwaarder weegt dan het belang van ESP om de situatie te houden zoals hij is totdat op het hoger beroep is beslist.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
verklaart de beschikking van de voorzieningenrechter van 11 juli 2025 uitvoerbaar bij voorraad;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindbeschikking zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wallart, G.A. Diebels en R. Verkijk en is bij afwezigheid van de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar door mr. G.A. Diebels uitgesproken op 16 december 2025.
Hoge Raad 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:644.
Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Hoge Raad 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5715.
Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1376 (nr. 3).
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.224
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 588997
beschikking in het incident van 16 december 2025
in de zaak van
E.S.P. Consultancy B.V.
die is gevestigd in Hank (gemeente Altena)
hierna: ESP
advocaat: mr. H. Loonstein
en
1 [geïntimeerde1]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats1]
3. [geïntimeerde3]
die woont in [woonplaats1]
hierna: samen [geïntimeerden] (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg
4 [belanghebbende1]
die woont in [woonplaats2] (Turkije)
hierna: [belanghebbende1]
advocaat: mr. C.G. Mensink
5Poppema Vastgoed B.V.
die is gevestigd in Schagen
hierna: Poppema
advocaat: mr. I.R. van der Rest
en als belanghebbende:
6. [curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [belanghebbende1]
die kantoor houdt in Utrecht
hierna: de curator
advocaat: L. van den Reek
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
ESP heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter), locatie Utrecht op 11 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift van ESP
het verweerschrift van [geïntimeerden] met daarin een verzoek tot een voorlopige voorziening (hierna ook: het incident) ex artikel 223 Rv
het verweerschrift van Poppema
een akte van [geïntimeerden]
het verweerschrift in het incident van [belanghebbende1]
het verweerschrift in het incident van ESP.
1.2.
Het hof heeft daarna beschikking bepaald in het incident.
2De kern van de zaak
2.1.
Op 4 juli 2023 is [belanghebbende1] op verzoek van [geïntimeerden] failliet verklaard. Tot de boedel behoort een woning aan de [adres] die eigendom is van [belanghebbende1] . Op die woning is ten behoeve van ESP en [geïntimeerden] respectievelijk een eerste en een tweede hypotheekrecht gevestigd. De curator heeft ESP – als eerste hypotheekhouder – een termijn gegeven haar hypotheekrecht uit te winnen. Omdat ESP daar geen gebruik van heeft gemaakt, heeft de curator vervolgens [geïntimeerden] een termijn gegeven zijn hypotheekrecht uit te winnen. [geïntimeerden] heeft de parate executie van de woning ter hand genomen.
2.2.
[geïntimeerden] heeft op grond van artikel 3:268 lid 2 BW de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de verkoop van de woning onderhands zal geschieden middels de aan het verzoekschrift gehechte koopovereenkomst met Poppema als koper en verzocht die koopovereenkomst goed te keuren. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek van [geïntimeerden] toegewezen.
2.3.
ESP is, met een beroep op een doorbrekingsgrond omdat artikel 3:268 lid 3 BW hoger beroep uitsluit, in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de voorzieningenrechter. De bedoeling van het hoger beroep van ESP is dat het toegewezen verzoek van [geïntimeerden] alsnog wordt afgewezen. [geïntimeerden] heeft verweer gevoerd in hoger beroep en het hof verzocht, middels een incidenteel verzoek in zijn verweerschrift, de beschikking van de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.4.
Zowel ESP als [belanghebbende1] hebben verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek van [geïntimeerden] [belanghebbende1] verzoekt in haar verweerschrift primair het incidentele verzoek van [geïntimeerden] af te wijzen en verzoekt het hof subsidiair, voor zover het hof een voorlopige maatregel overweegt, te bepalen dat uitvoering van de beschikking slechts mogelijk is nadat door [geïntimeerden] zekerheid is gesteld ex artikel 235 Rv, in een door het hof te bepalen vorm en omvang die voldoende dekking biedt voor het verhaalsrisico van [belanghebbende1] en de boedel.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de beschikking van de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaren en licht dat hieronder toe.
Geen voorlopige voorziening maar incidenteel verzoek tot tenuitvoerlegging
3.2.
[geïntimeerden] verzoekt het hof een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de beschikking van de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Omdat [geïntimeerden] het hof vraagt een processuele beslissing te nemen, namelijk over de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beslissing in een vorige instantie, vat het hof het verzoek op, niet als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv, maar als een verzoek als bedoeld in artikel 234 Rv (in verbinding met artikel 360 lid 2 Rv). Het hof zal het verzoek van [geïntimeerden] daarom aan de hand van artikel 234 Rv beoordelen.
Standpunten partijen; verzoek [belanghebbende1] tot zekerheidsstelling
3.3.
[geïntimeerden] stelt dat hij belang heeft bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking en onderbouwt dat als volgt. Als de beschikking nu niet ten uitvoer kan worden gelegd, kan de levering van de woning mogelijk pas over maanden plaatsvinden, zeker als de gang naar de Hoge Raad wordt gemaakt, wat niet uit te sluiten is. Dat strookt niet met de aard van de procedure (van artikel 3:268 lid 2 BW) die op een spoedig resultaat is gericht en dat strookt ook niet met het recht op parate executie van een hypotheekhouder. Daarbij komt dat ESP inmiddels al in verschillende procedures de mogelijkheid heeft gehad om haar standpunt duidelijk te maken en tot op heden elke procedure verloren heeft. Daarnaast zet de koper van de woning [geïntimeerden] onder druk, omdat hij de woning geleverd wil krijgen. Een poging om een notaris de woning te laten leveren op basis van de niet bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikking, heeft geen succes gehad. Verder heeft [geïntimeerden] van de rechter-commissaris in het faillissement van [belanghebbende1] tot 1 maart 2026 de tijd gekregen om als separatist gebruik te maken van het recht van parate executie, zodat haast geboden is.
3.4.
ESP voert aan dat [geïntimeerden] bij de voorzieningenrechter niet om uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking heeft verzocht en dat dit niet alsnog in hoger beroep kan worden gevraagd. [geïntimeerden] heeft daarnaast geen beroep gedaan op een doorbrekingsgrond, zodat het appelverbod van artikel 3:268 lid 3 BW voor [geïntimeerden] geldt. Verder betwist ESP dat de koper van de woning [geïntimeerden] onder druk zet en dat [geïntimeerden] een spoedeisend belang heeft. [geïntimeerden] heeft tot 1 maart 2026 om de woning te verkopen, wat voldoende tijd is volgens ESP. Bovendien kan die termijn op verzoek worden verlengd.
3.5.
[belanghebbende1] heeft eveneens verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek van [geïntimeerden] Zij voert aan dat uitvoerbaarheid bij voorraad onomkeerbare gevolgen zal hebben en dat daarom een verzoek daartoe met terughoudendheid moet worden beoordeeld. Daarbij stelt zij zich op het standpunt dat verkoop van de woning nu voorbarig zou zijn. Eerst moet definitief de rechtsgeldigheid van het hypotheekrecht van [geïntimeerden] komen vast te staan en daartoe, en ter bescherming van haar eigendomsrecht, dient zij effectieve rechtsbescherming te genieten. Bovendien heeft zij hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris in haar faillissement, die weigerde de curator opdracht te geven om het hypotheekrecht van [geïntimeerden] te onderzoeken en zou de uitkomst daarvan moeten worden afgewacht. Ook zij heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de voorzieningenrechter die heeft bepaald dat de woning onderhands verkocht mag worden.
3.6.
Voor het geval het hof het verzoek van [geïntimeerden] tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wil toewijzen, verzoekt [belanghebbende1] daaraan een zekerheidsstelling te verbinden, tot een bedrag van € 810.000 omdat uitvoerbaarheid bij voorraad voor [belanghebbende1] onevenredige risico’s met zich zou brengen. Ook dat baseert zij op de veronderstelling dat later kan blijken dat het hypotheekrecht van [geïntimeerden] niet geldig zou zijn, maar dat dan de gevolgen bij verkoop onomkeerbaar zouden zijn.
Juridisch kader
3.7.
Het hof stelt het volgende voorop. Voor zowel de beoordeling van een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad (artikel 234 Rv) als voor die van een incidentele vordering tot zekerheidsstelling (artikel 235 Rv) geldt het hierna volgende kader. Dit kader vindt in verzoekschriftprocedures overeenkomstige toepassing.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren, zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident of kort geding uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de vorige rechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de vorige rechter is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de vorige rechter wordt afgeweken. De eiser of verzoeker hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.
3.8.
Omdat er door de voorzieningenrechter geen inhoudelijk gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad waarbij de belangen van partijen zijn afgewogen, zal het hof dit bij de beoordeling van het verzoek van [geïntimeerden] alsnog doen en zijn oordeel motiveren. Daarna bespreekt het hof het verzoek van [belanghebbende1] om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden.
Oordeel hof
3.9.
Het hof gaat niet mee in de stelling van ESP dat [geïntimeerden] , nu hij dat in eerste aanleg niet heeft gedaan, niet alsnog een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking kan verzoeken. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan ook voor het eerst in hoger beroep worden verzocht. Daarbij is [geïntimeerden] ook ontvankelijk in zijn incidenteel verzoek zonder zich te beroepen op een doorbrekingsgrond, omdat hij daarbij zelf niet in hoger beroep komt tegen de beschikking van de voorzieningenrechter maar ‘meelift’ op het door ESP ingestelde hoger beroep.
3.10.
Het hof wijst het incidentele verzoek van [geïntimeerden] toe, omdat het belang van [geïntimeerden] bij uitvoerbaarheid bij voorraad van de gegeven beschikking naar het oordeel van het hof zwaarder weegt dan het belang van ESP om de situatie te houden zoals hij is totdat op het hoger beroep is beslist.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
verklaart de beschikking van de voorzieningenrechter van 11 juli 2025 uitvoerbaar bij voorraad;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindbeschikking zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wallart, G.A. Diebels en R. Verkijk en is bij afwezigheid van de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar door mr. G.A. Diebels uitgesproken op 16 december 2025.
Hoge Raad 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:644.
Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Hoge Raad 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5715.
Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1376 (nr. 3).
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.224
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 588997
beschikking in het incident van 16 december 2025
in de zaak van
E.S.P. Consultancy B.V.
die is gevestigd in Hank (gemeente Altena)
hierna: ESP
advocaat: mr. H. Loonstein
en
1 [geïntimeerde1]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats1]
3. [geïntimeerde3]
die woont in [woonplaats1]
hierna: samen [geïntimeerden] (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg
4 [belanghebbende1]
die woont in [woonplaats2] (Turkije)
hierna: [belanghebbende1]
advocaat: mr. C.G. Mensink
5Poppema Vastgoed B.V.
die is gevestigd in Schagen
hierna: Poppema
advocaat: mr. I.R. van der Rest
en als belanghebbende:
6. [curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [belanghebbende1]
die kantoor houdt in Utrecht
hierna: de curator
advocaat: L. van den Reek
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
ESP heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter), locatie Utrecht op 11 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift van ESP
het verweerschrift van [geïntimeerden] met daarin een verzoek tot een voorlopige voorziening (hierna ook: het incident) ex artikel 223 Rv
het verweerschrift van Poppema
een akte van [geïntimeerden]
het verweerschrift in het incident van [belanghebbende1]
het verweerschrift in het incident van ESP.
1.2.
Het hof heeft daarna beschikking bepaald in het incident.
2De kern van de zaak
2.1.
Op 4 juli 2023 is [belanghebbende1] op verzoek van [geïntimeerden] failliet verklaard. Tot de boedel behoort een woning aan de [adres] die eigendom is van [belanghebbende1] . Op die woning is ten behoeve van ESP en [geïntimeerden] respectievelijk een eerste en een tweede hypotheekrecht gevestigd. De curator heeft ESP – als eerste hypotheekhouder – een termijn gegeven haar hypotheekrecht uit te winnen. Omdat ESP daar geen gebruik van heeft gemaakt, heeft de curator vervolgens [geïntimeerden] een termijn gegeven zijn hypotheekrecht uit te winnen. [geïntimeerden] heeft de parate executie van de woning ter hand genomen.
2.2.
[geïntimeerden] heeft op grond van artikel 3:268 lid 2 BW de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de verkoop van de woning onderhands zal geschieden middels de aan het verzoekschrift gehechte koopovereenkomst met Poppema als koper en verzocht die koopovereenkomst goed te keuren. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek van [geïntimeerden] toegewezen.
2.3.
ESP is, met een beroep op een doorbrekingsgrond omdat artikel 3:268 lid 3 BW hoger beroep uitsluit, in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de voorzieningenrechter. De bedoeling van het hoger beroep van ESP is dat het toegewezen verzoek van [geïntimeerden] alsnog wordt afgewezen. [geïntimeerden] heeft verweer gevoerd in hoger beroep en het hof verzocht, middels een incidenteel verzoek in zijn verweerschrift, de beschikking van de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.4.
Zowel ESP als [belanghebbende1] hebben verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek van [geïntimeerden] [belanghebbende1] verzoekt in haar verweerschrift primair het incidentele verzoek van [geïntimeerden] af te wijzen en verzoekt het hof subsidiair, voor zover het hof een voorlopige maatregel overweegt, te bepalen dat uitvoering van de beschikking slechts mogelijk is nadat door [geïntimeerden] zekerheid is gesteld ex artikel 235 Rv, in een door het hof te bepalen vorm en omvang die voldoende dekking biedt voor het verhaalsrisico van [belanghebbende1] en de boedel.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de beschikking van de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaren en licht dat hieronder toe.
Geen voorlopige voorziening maar incidenteel verzoek tot tenuitvoerlegging
3.2.
[geïntimeerden] verzoekt het hof een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de beschikking van de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Omdat [geïntimeerden] het hof vraagt een processuele beslissing te nemen, namelijk over de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beslissing in een vorige instantie, vat het hof het verzoek op, niet als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv, maar als een verzoek als bedoeld in artikel 234 Rv (in verbinding met artikel 360 lid 2 Rv). Het hof zal het verzoek van [geïntimeerden] daarom aan de hand van artikel 234 Rv beoordelen.
Standpunten partijen; verzoek [belanghebbende1] tot zekerheidsstelling
3.3.
[geïntimeerden] stelt dat hij belang heeft bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking en onderbouwt dat als volgt. Als de beschikking nu niet ten uitvoer kan worden gelegd, kan de levering van de woning mogelijk pas over maanden plaatsvinden, zeker als de gang naar de Hoge Raad wordt gemaakt, wat niet uit te sluiten is. Dat strookt niet met de aard van de procedure (van artikel 3:268 lid 2 BW) die op een spoedig resultaat is gericht en dat strookt ook niet met het recht op parate executie van een hypotheekhouder. Daarbij komt dat ESP inmiddels al in verschillende procedures de mogelijkheid heeft gehad om haar standpunt duidelijk te maken en tot op heden elke procedure verloren heeft. Daarnaast zet de koper van de woning [geïntimeerden] onder druk, omdat hij de woning geleverd wil krijgen. Een poging om een notaris de woning te laten leveren op basis van de niet bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikking, heeft geen succes gehad. Verder heeft [geïntimeerden] van de rechter-commissaris in het faillissement van [belanghebbende1] tot 1 maart 2026 de tijd gekregen om als separatist gebruik te maken van het recht van parate executie, zodat haast geboden is.
3.4.
ESP voert aan dat [geïntimeerden] bij de voorzieningenrechter niet om uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking heeft verzocht en dat dit niet alsnog in hoger beroep kan worden gevraagd. [geïntimeerden] heeft daarnaast geen beroep gedaan op een doorbrekingsgrond, zodat het appelverbod van artikel 3:268 lid 3 BW voor [geïntimeerden] geldt. Verder betwist ESP dat de koper van de woning [geïntimeerden] onder druk zet en dat [geïntimeerden] een spoedeisend belang heeft. [geïntimeerden] heeft tot 1 maart 2026 om de woning te verkopen, wat voldoende tijd is volgens ESP. Bovendien kan die termijn op verzoek worden verlengd.
3.5.
[belanghebbende1] heeft eveneens verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek van [geïntimeerden] Zij voert aan dat uitvoerbaarheid bij voorraad onomkeerbare gevolgen zal hebben en dat daarom een verzoek daartoe met terughoudendheid moet worden beoordeeld. Daarbij stelt zij zich op het standpunt dat verkoop van de woning nu voorbarig zou zijn. Eerst moet definitief de rechtsgeldigheid van het hypotheekrecht van [geïntimeerden] komen vast te staan en daartoe, en ter bescherming van haar eigendomsrecht, dient zij effectieve rechtsbescherming te genieten. Bovendien heeft zij hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris in haar faillissement, die weigerde de curator opdracht te geven om het hypotheekrecht van [geïntimeerden] te onderzoeken en zou de uitkomst daarvan moeten worden afgewacht. Ook zij heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de voorzieningenrechter die heeft bepaald dat de woning onderhands verkocht mag worden.
3.6.
Voor het geval het hof het verzoek van [geïntimeerden] tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wil toewijzen, verzoekt [belanghebbende1] daaraan een zekerheidsstelling te verbinden, tot een bedrag van € 810.000 omdat uitvoerbaarheid bij voorraad voor [belanghebbende1] onevenredige risico’s met zich zou brengen. Ook dat baseert zij op de veronderstelling dat later kan blijken dat het hypotheekrecht van [geïntimeerden] niet geldig zou zijn, maar dat dan de gevolgen bij verkoop onomkeerbaar zouden zijn.
Juridisch kader
3.7.
Het hof stelt het volgende voorop. Voor zowel de beoordeling van een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad (artikel 234 Rv) als voor die van een incidentele vordering tot zekerheidsstelling (artikel 235 Rv) geldt het hierna volgende kader. Dit kader vindt in verzoekschriftprocedures overeenkomstige toepassing.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren, zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident of kort geding uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de vorige rechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de vorige rechter is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de vorige rechter wordt afgeweken. De eiser of verzoeker hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.
3.8.
Omdat er door de voorzieningenrechter geen inhoudelijk gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad waarbij de belangen van partijen zijn afgewogen, zal het hof dit bij de beoordeling van het verzoek van [geïntimeerden] alsnog doen en zijn oordeel motiveren. Daarna bespreekt het hof het verzoek van [belanghebbende1] om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden.
Oordeel hof
3.9.
Het hof gaat niet mee in de stelling van ESP dat [geïntimeerden] , nu hij dat in eerste aanleg niet heeft gedaan, niet alsnog een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking kan verzoeken. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan ook voor het eerst in hoger beroep worden verzocht. Daarbij is [geïntimeerden] ook ontvankelijk in zijn incidenteel verzoek zonder zich te beroepen op een doorbrekingsgrond, omdat hij daarbij zelf niet in hoger beroep komt tegen de beschikking van de voorzieningenrechter maar ‘meelift’ op het door ESP ingestelde hoger beroep.
3.10.
Het hof wijst het incidentele verzoek van [geïntimeerden] toe, omdat het belang van [geïntimeerden] bij uitvoerbaarheid bij voorraad van de gegeven beschikking naar het oordeel van het hof zwaarder weegt dan het belang van ESP om de situatie te houden zoals hij is totdat op het hoger beroep is beslist.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
verklaart de beschikking van de voorzieningenrechter van 11 juli 2025 uitvoerbaar bij voorraad;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindbeschikking zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wallart, G.A. Diebels en R. Verkijk en is bij afwezigheid van de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar door mr. G.A. Diebels uitgesproken op 16 december 2025.
Hoge Raad 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:644.
Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Hoge Raad 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5715.
Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1376 (nr. 3).
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.224
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 588997
beschikking in het incident van 16 december 2025
in de zaak van
E.S.P. Consultancy B.V.
die is gevestigd in Hank (gemeente Altena)
hierna: ESP
advocaat: mr. H. Loonstein
en
1 [geïntimeerde1]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats1]
3. [geïntimeerde3]
die woont in [woonplaats1]
hierna: samen [geïntimeerden] (in mannelijk enkelvoud)
advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg
4 [belanghebbende1]
die woont in [woonplaats2] (Turkije)
hierna: [belanghebbende1]
advocaat: mr. C.G. Mensink
5Poppema Vastgoed B.V.
die is gevestigd in Schagen
hierna: Poppema
advocaat: mr. I.R. van der Rest
en als belanghebbende:
6. [curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [belanghebbende1]
die kantoor houdt in Utrecht
hierna: de curator
advocaat: L. van den Reek
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
ESP heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter), locatie Utrecht op 11 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift van ESP
het verweerschrift van [geïntimeerden] met daarin een verzoek tot een voorlopige voorziening (hierna ook: het incident) ex artikel 223 Rv
het verweerschrift van Poppema
een akte van [geïntimeerden]
het verweerschrift in het incident van [belanghebbende1]
het verweerschrift in het incident van ESP.
1.2.
Het hof heeft daarna beschikking bepaald in het incident.
2De kern van de zaak
2.1.
Op 4 juli 2023 is [belanghebbende1] op verzoek van [geïntimeerden] failliet verklaard. Tot de boedel behoort een woning aan de [adres] die eigendom is van [belanghebbende1] . Op die woning is ten behoeve van ESP en [geïntimeerden] respectievelijk een eerste en een tweede hypotheekrecht gevestigd. De curator heeft ESP – als eerste hypotheekhouder – een termijn gegeven haar hypotheekrecht uit te winnen. Omdat ESP daar geen gebruik van heeft gemaakt, heeft de curator vervolgens [geïntimeerden] een termijn gegeven zijn hypotheekrecht uit te winnen. [geïntimeerden] heeft de parate executie van de woning ter hand genomen.
2.2.
[geïntimeerden] heeft op grond van artikel 3:268 lid 2 BW de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de verkoop van de woning onderhands zal geschieden middels de aan het verzoekschrift gehechte koopovereenkomst met Poppema als koper en verzocht die koopovereenkomst goed te keuren. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek van [geïntimeerden] toegewezen.
2.3.
ESP is, met een beroep op een doorbrekingsgrond omdat artikel 3:268 lid 3 BW hoger beroep uitsluit, in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de voorzieningenrechter. De bedoeling van het hoger beroep van ESP is dat het toegewezen verzoek van [geïntimeerden] alsnog wordt afgewezen. [geïntimeerden] heeft verweer gevoerd in hoger beroep en het hof verzocht, middels een incidenteel verzoek in zijn verweerschrift, de beschikking van de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.4.
Zowel ESP als [belanghebbende1] hebben verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek van [geïntimeerden] [belanghebbende1] verzoekt in haar verweerschrift primair het incidentele verzoek van [geïntimeerden] af te wijzen en verzoekt het hof subsidiair, voor zover het hof een voorlopige maatregel overweegt, te bepalen dat uitvoering van de beschikking slechts mogelijk is nadat door [geïntimeerden] zekerheid is gesteld ex artikel 235 Rv, in een door het hof te bepalen vorm en omvang die voldoende dekking biedt voor het verhaalsrisico van [belanghebbende1] en de boedel.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de beschikking van de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaren en licht dat hieronder toe.
Geen voorlopige voorziening maar incidenteel verzoek tot tenuitvoerlegging
3.2.
[geïntimeerden] verzoekt het hof een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de beschikking van de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Omdat [geïntimeerden] het hof vraagt een processuele beslissing te nemen, namelijk over de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beslissing in een vorige instantie, vat het hof het verzoek op, niet als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv, maar als een verzoek als bedoeld in artikel 234 Rv (in verbinding met artikel 360 lid 2 Rv). Het hof zal het verzoek van [geïntimeerden] daarom aan de hand van artikel 234 Rv beoordelen.
Standpunten partijen; verzoek [belanghebbende1] tot zekerheidsstelling
3.3.
[geïntimeerden] stelt dat hij belang heeft bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking en onderbouwt dat als volgt. Als de beschikking nu niet ten uitvoer kan worden gelegd, kan de levering van de woning mogelijk pas over maanden plaatsvinden, zeker als de gang naar de Hoge Raad wordt gemaakt, wat niet uit te sluiten is. Dat strookt niet met de aard van de procedure (van artikel 3:268 lid 2 BW) die op een spoedig resultaat is gericht en dat strookt ook niet met het recht op parate executie van een hypotheekhouder. Daarbij komt dat ESP inmiddels al in verschillende procedures de mogelijkheid heeft gehad om haar standpunt duidelijk te maken en tot op heden elke procedure verloren heeft. Daarnaast zet de koper van de woning [geïntimeerden] onder druk, omdat hij de woning geleverd wil krijgen. Een poging om een notaris de woning te laten leveren op basis van de niet bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikking, heeft geen succes gehad. Verder heeft [geïntimeerden] van de rechter-commissaris in het faillissement van [belanghebbende1] tot 1 maart 2026 de tijd gekregen om als separatist gebruik te maken van het recht van parate executie, zodat haast geboden is.
3.4.
ESP voert aan dat [geïntimeerden] bij de voorzieningenrechter niet om uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking heeft verzocht en dat dit niet alsnog in hoger beroep kan worden gevraagd. [geïntimeerden] heeft daarnaast geen beroep gedaan op een doorbrekingsgrond, zodat het appelverbod van artikel 3:268 lid 3 BW voor [geïntimeerden] geldt. Verder betwist ESP dat de koper van de woning [geïntimeerden] onder druk zet en dat [geïntimeerden] een spoedeisend belang heeft. [geïntimeerden] heeft tot 1 maart 2026 om de woning te verkopen, wat voldoende tijd is volgens ESP. Bovendien kan die termijn op verzoek worden verlengd.
3.5.
[belanghebbende1] heeft eveneens verweer gevoerd tegen het incidentele verzoek van [geïntimeerden] Zij voert aan dat uitvoerbaarheid bij voorraad onomkeerbare gevolgen zal hebben en dat daarom een verzoek daartoe met terughoudendheid moet worden beoordeeld. Daarbij stelt zij zich op het standpunt dat verkoop van de woning nu voorbarig zou zijn. Eerst moet definitief de rechtsgeldigheid van het hypotheekrecht van [geïntimeerden] komen vast te staan en daartoe, en ter bescherming van haar eigendomsrecht, dient zij effectieve rechtsbescherming te genieten. Bovendien heeft zij hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris in haar faillissement, die weigerde de curator opdracht te geven om het hypotheekrecht van [geïntimeerden] te onderzoeken en zou de uitkomst daarvan moeten worden afgewacht. Ook zij heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de voorzieningenrechter die heeft bepaald dat de woning onderhands verkocht mag worden.
3.6.
Voor het geval het hof het verzoek van [geïntimeerden] tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wil toewijzen, verzoekt [belanghebbende1] daaraan een zekerheidsstelling te verbinden, tot een bedrag van € 810.000 omdat uitvoerbaarheid bij voorraad voor [belanghebbende1] onevenredige risico’s met zich zou brengen. Ook dat baseert zij op de veronderstelling dat later kan blijken dat het hypotheekrecht van [geïntimeerden] niet geldig zou zijn, maar dat dan de gevolgen bij verkoop onomkeerbaar zouden zijn.
Juridisch kader
3.7.
Het hof stelt het volgende voorop. Voor zowel de beoordeling van een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad (artikel 234 Rv) als voor die van een incidentele vordering tot zekerheidsstelling (artikel 235 Rv) geldt het hierna volgende kader. Dit kader vindt in verzoekschriftprocedures overeenkomstige toepassing.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren, zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident of kort geding uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de vorige rechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de vorige rechter is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de vorige rechter wordt afgeweken. De eiser of verzoeker hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.
3.8.
Omdat er door de voorzieningenrechter geen inhoudelijk gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad waarbij de belangen van partijen zijn afgewogen, zal het hof dit bij de beoordeling van het verzoek van [geïntimeerden] alsnog doen en zijn oordeel motiveren. Daarna bespreekt het hof het verzoek van [belanghebbende1] om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden.
Oordeel hof
3.9.
Het hof gaat niet mee in de stelling van ESP dat [geïntimeerden] , nu hij dat in eerste aanleg niet heeft gedaan, niet alsnog een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking kan verzoeken. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan ook voor het eerst in hoger beroep worden verzocht. Daarbij is [geïntimeerden] ook ontvankelijk in zijn incidenteel verzoek zonder zich te beroepen op een doorbrekingsgrond, omdat hij daarbij zelf niet in hoger beroep komt tegen de beschikking van de voorzieningenrechter maar ‘meelift’ op het door ESP ingestelde hoger beroep.
3.10.
Het hof wijst het incidentele verzoek van [geïntimeerden] toe, omdat het belang van [geïntimeerden] bij uitvoerbaarheid bij voorraad van de gegeven beschikking naar het oordeel van het hof zwaarder weegt dan het belang van ESP om de situatie te houden zoals hij is totdat op het hoger beroep is beslist.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
verklaart de beschikking van de voorzieningenrechter van 11 juli 2025 uitvoerbaar bij voorraad;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindbeschikking zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wallart, G.A. Diebels en R. Verkijk en is bij afwezigheid van de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar door mr. G.A. Diebels uitgesproken op 16 december 2025.
Hoge Raad 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:644.
Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Hoge Raad 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5715.
Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1376 (nr. 3).