Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-16
ECLI:NL:GHARL:2025:8436
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
5,957 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8436 text/xml public 2026-01-30T10:05:52 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16 24/1055 t/m 24/1059 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026012706 V-N Vandaag 2026/148 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8436 text/html public 2026-01-23T10:16:40 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8436 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 24/1055 t/m 24/1059 IB/PVV. Ontvangen uitkeringen. Loon? GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/1055 tot en met 24/1059 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 19 maart 2024, nummers AWB 23/264, 23/266, 23/268, 23/269 en 23/270, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2012 tot en met 2016 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is voor het jaar 2016 een verzuimboete opgelegd. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren voor de jaren 2012 en 2014 en de verzuimboete ongegrond verklaard, de aanslagen voor de jaren 2013, 2015 en 2016 verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de boete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende en de Inspecteur hebben nadere stukken ingezonden. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. S.M. Havinga, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door prof. mr. [naam1] , mr. [naam2] en dr. [naam3] , alsmede mr. [naam4] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam5] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is geboren [in] 1947 en woont [sinds] 2002 in België. 2.2. Belanghebbende heeft een belang van 100% in de in Nederland gevestigde vennootschap [bedrijf1] B.V. (hierna: [bedrijf1] ). [bedrijf1] heeft jegens belanghebbende de verplichting om uitkeringen te verstrekken uit hoofde van een pensioenregeling en een loonstamrechtverplichting. 2.3. In 1988 heeft belanghebbende in verband met zijn uitdiensttreding bij de [bank] N.V. een ontslagvergoeding ontvangen. Deze vergoeding is als loonstamrecht ondergebracht in [bedrijf1] . 2.4. Van 1 oktober 1997 tot 1 augustus 2001 was belanghebbende in loondienst bij het [het pensioenfonds] (hierna: het Pensioenfonds). In het kader van dit dienstverband heeft hij pensioenaanspraken opgebouwd die waren ondergebracht bij Achmea. Deze opbouw vond plaats op basis van het levensjarenbeginsel met een opbouw van 2% per jaar. 2.5. In verband met het ontslag van belanghebbende bij het Pensioenfonds in 2001 had belanghebbende recht op een in de arbeidsovereenkomst geregelde ontslagvergoeding. In de arbeidsovereenkomst was geregeld dat als de arbeidsovereenkomst van belanghebbende vóór 1 oktober 2002 zou eindigen dat hij een eenmalige uitkering van ƒ 2.000.000 bruto zou ontvangen. De ontslagvergoeding is door het Pensioenfonds rechtstreeks overgemaakt aan [bedrijf1] . [bedrijf1] heeft het ontvangen bedrag toegevoegd aan de reeds in haar ondergebrachte loonstamrechtverplichting. [bedrijf1] heeft vanaf het begin de in 2001 ontvangen ontslagvergoeding verwerkt als een bezitting waar een stamrechtverplichting van dezelfde omvang tegenover staat. 2.6. In stukken van belanghebbende is opgenomen dat de verklaring van de toenmalige controller van het Pensioenfonds, [naam6] , als volgt luidt: ‘Het is inderdaad al heel wat jaren geleden dat dit speelde, ik meen al een jaar of 20. Ik heb daarom alles niet meer zo scherp op m’n netvlies als bij jouw vertrek maar mijn herinnering is dat door de bestuurders van [het pensioenfonds] samen met hun advocaat overeenstemming is bereikt over jouw vertrek en de condities waaronder dit zou plaatsvinden. Ik herinner mij dat jij in je arbeidsovereenkomst een clausule had staan en dat het daar opgenomen bedrag verhoogd is met een compensatie voor gemiste pensioenopbouw. Exacte details kan ik mij niet herinneren. Nadat overeenstemming was bereikt ben ik gevraagd dit bedrag over te maken op de wijze zoals overeengekomen. Ik kan mij geen enkel gesprek of document herinneren waarbij gesproken werd over een stamrecht. In mijn herinnering heeft de controlerend accountant van [het pensioenfonds] , [accountant] , hier nooit een bemerking over gemaakt tijdens de jaarwerkcontrole. Gegeven de omvang van het bedrag van de vertrekregeling is hier zeker naar gekeken. Zoals jij al meldde kan ik ook geen dossier meer terugvinden o.a. door de vernietiging en opschoning van de archieven van [het pensioenfonds] i.v.m. de overname van [naam uitvoeringsorganisatie] (die dus zoveel jaren later wel is doorgegaan). Alle niet strikt noodzakelijke archieven waarvoor de bewaartermijn was verstreken zin vernietigd. Daarbij waren zeker ook dossiers van oud medewerkers en oud directieleden.’ 2.7. In de stukken van belanghebbende is verder de volgende verklaring van zijn voormalig adviseur, mr. [naam7] , weergegeven: ‘Ik heb niets kunnen terugvinden in de oude dossiers, het is inmiddels bijna 20 jaar geleden. Dit betreft 2000/2001 en destijds was ik in dienstbetrekking en werkte ik niet vanuit mijn eigen praktijk. Ik heb derhalve niet alles beschikbaar, naast de omstandigheid het dossier inmiddels niet meer compleet zijn in verband met aflopende administratieplicht. De administratie en jaarrekening werd destijds waarschijnlijk extern verzorgd door een administratiekantoor, ik meen [administratiekantoor] te [vestigingsplaats] . Hier werkte het kantoor waar ik werkzaam was mee samen. Voorheen werd de boekhouding door een andere accountant verzorgd. Wat ik nog weet is dat er destijds een relatief kleine stamrechtverplichting aanwezig was uit het verleden en dat er gelden gestort zijn ter belegging en deze gelden zijn bijgeboekt bij het kapitaal wat verschuldigd was aan de heer [naam8] en waarover rente verschuldigd was (de kapitaal c.q. stamrechtvoorziening). In de verwerking voor de Vennootschapsbelasting is aangesloten bij de jaarrekening van het administratiekantoor welke naar nu blijkt niet correct is. De boekhouder heeft het stamrecht bedrag verhoogd en nogmaals, conform verwerking in de jaarrekening door het administratiekantoor zijn de aangiften ingediend. In de jaren daarna zijn in lijn met de voorafgaande jaren de aangiften verzorgd en is nooit nagedacht over dat deze post anders benoemd diende te worden. Pas toen uitkeringen aan de orde kwamen is op grond van mededelingen van de heer [naam8] ook mij pas duidelijk geworden dat naar zijn zeggen destijds een netto bedrag gestort is.’ 2.8. In 2002 is belanghebbende verhuisd van Nederland naar België. Belanghebbende heeft de feitelijke leiding van [bedrijf1] in 2001 overgedragen aan de in Nederland gevestigde vennootschap [bedrijf2] B.V. Bij deze emigratie is ten aanzien van de bij [bedrijf1] en Achmea ondergebrachte aanspraken een conserverende aanslag opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2009 is de conserverende aanslag vernietigd. 2.9. Bij brief van 5 januari 2012 schrijft de Ontvanger van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende: ‘Naar aanleiding van uw brief van 29 december 2011 deel ik u het volgende mee. De door u meegezonden verminderingsbeschikking is, naar nu blijkt, nimmer verwerkt in de betalingsadministratie zodat het bedrag op de aanslag nog openstond. Ik heb de aanslag inmiddels afgeboekt door middel van kwijtschelding.
Volledig
Materieel is het effect voor uw cliënt hetzelfde, de aanslag is geheel vervallen.’ 2.10. In de onderhavige jaren heeft belanghebbende van Achmea en van [bedrijf1] uitkeringen ontvangen. 3 Geschil 3.1. In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de uitkeringen van [bedrijf1] en van Achmea behoren tot het loon. 3.2. Belanghebbende stelt dat uitkeringen van [bedrijf1] voor zover zij zijn terug te voeren op de ontslaguitkering uit 2001 niet tot het loon behoren, omdat, anders dan de Inspecteur stelt, deze niet voortvloeien uit een stamrecht dat is bedongen met toepassing van de (toenmalige) stamrechtvrijstelling. 3.3. Belanghebbende stelt dat de uitkeringen van Achmea niet tot het loon behoren, omdat de pensioenregeling waarop zij zijn gebaseerd onzuiver was, zodat de omkeerregel niet van toepassing is. De uitkeringen zijn ook niet belast op grond van artikel 10, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), omdat de aanspraak bij de conserverende aanslag tot het loon is gerekend. Subsidiair is artikel 10, vierde lid, van de Wet LB niet van toepassing omdat dat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. 3.4. De Inspecteur stelt dat de uitkeringen van [bedrijf1] en van Achmea tot het loon behoren. 4 Beoordeling van het geschil Uitkeringen [bedrijf1] 4.1. Belanghebbende stelt dat bij de betaling van de ontslaguitkering niet de stamrechtvrijstelling is toegepast, maar dat het Pensioenfonds loonheffing heeft ingehouden en de netto uitkering aan [bedrijf1] heeft overgemaakt. De desbetreffende uitkeringen door [bedrijf1] zijn daarom geen loon. Tot steun voor zijn stelling verwijst belanghebbende naar de hiervoor onder 2.6 en 2.7 aangehaalde verklaringen van [naam6] en [naam7] . 4.2. De Rechtbank heeft daarover als volgt geoordeeld: ‘45. In de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en het Pensioenfonds (…) is een artikel 8 – Vertrekregeling opgenomen. Dit artikel regelt de toekenning van schadevergoeding bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen het Pensioenfonds en belanghebbende. In dit artikel worden onder punt 8.1 ingeval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en het Pensioenfonds uitsluitend brutobedragen aan belanghebbende te betalen schadevergoeding genoemd. De inspecteur heeft onweersproken aangevoerd dat in het jaar 2001 met betrekking tot ontslagvergoedingen het de gebruikelijke gang van zaken was gebruik te maken van de stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2001). Bij gebruikmaking van deze regeling werd een (beëindigings)vergoeding bruto in een besloten vennootschap gestort. Een bruto-uitkering ligt verder voor de hand omdat er al een B.V. bestond, welke vennootschap met betrekking tot een aan belanghebbende toegekend pensioen al inhoudingsplichtig voor de loonheffing was. Wanneer zoals belanghebbende aanvoert, bij de toekenning van de ontslaguitkering hierop al loonheffing is ingehouden, dan betekent dit dat minder dan de helft van de toegekende ontslaguitkering naar [bedrijf1] is overgemaakt en dat alleen dit nettobedrag is toegevoegd aan de bestaande stamrechtvoorziening. Gelet op de relatie tussen de hoogte van de ontslaguitkering en de hoogte van de opgenomen stamrechtvoorziening kan het welhaast niet anders dan dat de ontslagvergoeding bruto is overgemaakt aan [bedrijf1] . De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat, zoals de inspecteur niet dan wel onvoldoende weersproken heeft opgemerkt, dat wanneer de hoogte van de voorziening zou worden teruggerekend naar het jaar 2001, in geval van een netto-uitkering aan belanghebbende een veel hoger bedrag moeten zijn toegekend, namelijk ƒ 7.094.853 en derhalve aanmerkelijk meer dan het in de arbeidsovereenkomst genoemde bedrag, ook als daarbij rekening zou zijn gehouden met pensioenschade. Volgens deze door belanghebbende onweersproken berekening van de inspecteur zou ingeval van een brutobedrag uit moeten worden gegaan van een in het jaar 2001 toegekende vergoeding van ƒ 3.405.529. Bij beide berekeningen is de inspecteur uitgegaan van het door [bedrijf1] ieder jaar in haar jaarrekeningen gehanteerde oprentingspercentage van 5,65. In het dossier bevinden zich overigens geen stukken waaruit kan worden afgeleid dat bij de toekenning van de vergoeding loonheffing is ingehouden en afgedragen. 46. Wat belanghebbende daartegen heeft aangevoerd, daaronder begrepen de hierboven genoemde verklaring van [naam6] , legt hiertegen te weinig gewicht in de schaal. [naam6] zegt in zijn verklaring niet meer alles zo scherp op zijn netvlies te hebben als bij het vertrek van belanghebbende bij het Pensioenfonds en dat hij zich exacte details niet kan herinneren. [naam6] onderbouwt zijn verklaring op basis van zijn herinneringen op geen enkele wijze. 47. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een overeengekomen bruto-ontslagvergoeding. Het gelijk op dit punt is aan de inspecteur.’ 4.3. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten voor zijn stelling aangedragen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt daarom deze beslissing en de daarvoor gebezigde gronden over. Pensioen Centraal Beheer/Achmea 4.4. Belanghebbende stelt primair dat de pensioenregeling geen zuivere pensioenregeling was. Hij wijst op een opinie van prof. mr. [naam1] , die concludeert dat de pensioenregeling onzuiver was. Dit omdat de regeling recht gaf op een pensioen dat niet voldoet aan de destijds geldende norm dat zij ‘een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, mede in verband met diensttijd en genoten beloning, redelijk moet worden geacht’. Bij beschikking van 11 oktober 1984, nr. 284-13448, BNB 1984/322, zijn op grond van het toenmalige artikel 11, derde lid, onderdeel b, van de Wet LB als pensioenregeling aangewezen de pensioenregelingen met toepassing van het levensjarenbeginsel, mits, onder meer, de verhoging op grond van het levensjarenbeginsel niet meer bedraagt dan 1¾% per levensjaar. Bij belanghebbende is dat 2%, dus te hoog, aldus nog steeds belanghebbende. De pensioenregeling geeft recht op een ouderdomspensioen van ƒ 95.845 per jaar. Bij een eindloonregeling zou het ouderdomspensioen hoogstens 2,33% per dienstjaar mogen bedragen, ofwel € 26.677 (ƒ 58.788) per jaar. De uitkering van belanghebbende is aanzienlijk hoger en daarom is de regeling onzuiver. 4.5. De Inspecteur stelt dat sprake is van een zuivere pensioenregeling. Hij wijst op de ontwikkeling van de maatschappelijke opvattingen tussen de hiervoor vermelde beschikking van 1984 en de toekenning van de in geding zijnde pensioenaanspraken in 1997. Ook wijst hij erop dat niet alle loonbestanddelen van belanghebbende tot de pensioengrondslag zijn gerekend en dat de AOW-franchise lager mocht zijn dan bij de in geding zijnde pensioenregeling is toegepast. 4.6. Het Hof zal in het midden laten of de pensioenregeling een zuivere pensioenregeling is in de zin van het toenmalige artikel 11, derde lid, van de Wet LB. Dat is namelijk niet van belang voor de vraag of de uitkeringen tot het loon behoren. Hierna zal het Hof namelijk oordelen dat ook als de pensioenregeling onzuiver is, de uitkeringen behoren tot het loon van belanghebbende. 4.7. Subsidiair stelt de Inspecteur dat – als sprake zou zijn van een onzuivere pensioenregeling – de uitkeringen zijn belast op grond van artikel 10, vierde lid, van de Wet LB. In dat geval zijn de aanspraken immers destijds ten onrechte niet tot het loon gerekend. 4.8. Belanghebbende betwist dat zich de situatie voordoet van artikel 10, vierde lid, van de Wet LB dat de aanspraak niet tot het loon is gerekend. Belanghebbende wijst erop dat een conserverende aanslag is opgelegd, waarbij de pensioenaanspraak tot het loon is gerekend. Belanghebbende stelt dat de conserverende aanslag is vernietigd omdat geen sprake was van een tot het loon behorende aanspraak. De Inspecteur stelt dat de conserverende aanslag is vernietigd in verband met de jurisprudentie van de Hoge Raad (o.a. HR 19 juni 2009, nr.
Volledig
43.978, ECLI:NL:HR:2009:BC5201) over de rechtsgeldigheid van conserverende aanslagen in verhouding tot de bepalingen van het desbetreffende belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Na vernietiging van de conserverende aanslag is, aldus de Inspecteur, de pensioenaanspraak nimmer tot het loon gerekend. 4.9. Het Hof is van oordeel dat nu de conserverende aanslag is vernietigd (zie 2.8), de aanspraak uiteindelijk niet tot het loon is gerekend. Het Hof acht daarbij niet van belang om welke reden de conserverende aanslag is vernietigd. Ook acht het Hof niet van belang op welke wijze deze vernietiging is verwerkt in de administratie van de Ontvanger (zie 2.9). 4.10. Belanghebbende wijst erop dat artikel 10, vierde lid, van de Wet LB is ingevoerd met ingang van 2005. Hij stelt dat toepassing van die bepaling in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de pensioenaanspraken zijn toegekend voordat artikel 10, vierde lid, van de Wet LB in werking trad. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat deze stelling inhoudt dat strijd bestaat met het eigendomsrecht (artikel 1, Eerste Protocol (hierna: EP) bij het EVRM). 4.11. Naar het oordeel van het Hof brengt de invoering van artikel 10, vierde lid, van de Wet LB met ingang van 2005 niet mee dat sprake is van terugwerkende kracht. Deze bepaling regelt immers de belastingheffing over uitkeringen die worden genoten na haar inwerkingtreding. 4.12. Verder is het zo dat aan de wetgever op fiscaal gebied volgens vaste rechtspraak van het EHRM een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, in die zin dat diens oordeel moet worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. Terugwerkende kracht van fiscale wetgeving ten nadele van de belastingplichtige vormt op zichzelf geen inbreuk op artikel 1 EP. Van een inbreuk op deze bepaling is eerst sprake indien de wetgevende maatregel die in terugwerkende kracht voorziet, geen ‘fair balance’ teweegbrengt tussen de betrokken belangen, waaronder het belang van de belastingplichtige dat diens gerechtvaardigde verwachtingen worden gerespecteerd. Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’). Daartoe dient te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van die terugwerkende kracht op de positie van de belanghebbende. Bij het oordeel of sprake is van een ‘fair balance’ speelt verder een rol om welke redenen de wetswijziging met terugwerkende kracht is ingevoerd. 4.13. In de memorie van toelichting bij de invoering van artikel 10, vierde lid, van de Wet LB staat onder meer het volgende: ‘Deze bepaling wordt opgenomen om een langdurige onterechte toepassing van de omkeerregel te kunnen herstellen. (…) Met het belasten van de uitkeringen wordt aangesloten bij de wijze waarop de werkgever en de werknemer de aanspraak zelf steeds hebben behandeld. Het vrijstellen van de aanspraak – en het toepassen van de omkeerregel – impliceert dat de uitkeringen in beginsel worden belast. De voorgestelde bepaling bewerkstelligt dit ook en brengt derhalve geen nadeel toe aan de belastingplichtige.’ 4.14. In dit geval is naar ’s Hofs oordeel geen inbreuk op de gerechtvaardigde verwachtingen van belanghebbende aangezien alle betrokken partijen (werknemer, werkgever, verzekeraar) bij de toekenning van de aanspraken steeds ervan uitgingen dat de aanspraken waren vrijgesteld en de uitkeringen zouden worden belast. Destijds waren er dus geen verwachtingen dat de uitkeringen belastingvrij zouden zijn. Dat het belasten van de uitkeringen leidt tot een individuele en buitensporige last is gesteld noch gebleken. 4.15. Meer in het algemeen is het Hof van oordeel dat belastingplichtigen die aanspraken hebben genoten die ten onrechte niet tot het loon zijn gerekend niet de gerechtvaardigde verwachting mochten koesteren dat de uitkeringen uit dergelijke aanspraken belastingvrij zouden blijven, zoals het geval was tot de invoering van artikel 10, vierde lid, van de Wet LB. 4.16. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is voor zover het betrekking heeft op de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Boete, verzamelinkomen en belastingrente 4.17. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de verzuimboete wegens het niet doen van aangifte voor het jaar 2016. De Rechtbank heeft wegens overschrijding van de redelijke termijn deze boete verminderd van € 369 tot € 295. In hoger beroep zijn geen grieven geuit tegen deze boete en het Hof acht de boete passend en geboden. De redelijke termijn is in hoger beroep niet (verder) overschreden. Het hoger beroep is ook ongegrond voor zover het betrekking heeft op de verzuimboete. 4.18. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. A.E. Keulemans, en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (J.H. Riethorst) (J. van de Merwe) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Vgl. HR 2 oktober 2009, nr. 07/10481, ECLI:NL:HR:2009:BI1892, en EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, M.A. en anderen tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2003:0610DEC002779395. Kamerstukken II, 29.760, nr. 3, blz. 24-25.