Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16
ECLI:NL:GHARL:2025:8442
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/1258 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 mei 2024, nummer 23/1063, ECLI:NL:RBGBGEL:2024:2855, in het geding tussen belanghebbende en de invorderingsambtenaar van de gemeente Arnhem (hierna: de invorderingsambtenaar) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem heeft aan belanghebbende een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd met aanslagnummer: [aanslagnummer] . 1.2. De invorderingsambtenaar heeft wegens het niet tijdig betalen van de aanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] op 15 oktober 2022 een aanmaning met € 8 aanmaningskosten aan belanghebbende gestuurd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de aanmaningskosten bezwaar gemaakt. 1.4. Op 22 januari 2023 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. 1.5. De Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het verzoek om een dwangsom afgewezen, het beroep verder niet-ontvankelijk verklaard, de invorderingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en opgedragen belanghebbende het griffierecht te vergoeden. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de invorderingsambtenaar [naam1] . 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 27 december 2022 een ingebrekestelling met een verzoek om een dwangsom naar de invorderingsambtenaar gestuurd, omdat de invorderingsambtenaar nog geen uitspraak had gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten. De ingebrekestelling is op 31 december 2022 door de invorderingsambtenaar ontvangen. 2.2 De heffingsambtenaar heeft bij brief van 16 mei 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat hij de aanslag gemeentelijk belastingen met nummer [aanslagnummer] heeft verminderd. Uit deze brief valt gelet op de daarin genoemde bedragen af te leiden dat ook de door de invorderingsambtenaar in rekening gebracht aanmaningskosten van € 8 tot nihil worden verminderd. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de invorderingsambtenaar de door belanghebbende gevorderde dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen door de invorderingsambtenaar verschuldigd is. 3.2 Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de aanmaningskosten niet langer in geschil zijn en dat hij zich ook niet langer op het standpunt stelt dat de invorderingsambtenaar ten onrechte geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan. 4 Beoordeling van het geschil Wettelijke kader 4.1. In artikel 231, lid 1, van de Gemeente wet is bepaald: “Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen”. 4.2. De van belang zijnde bepalingen in de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) luiden als volgt: Artikel 1, lid 2: “Op deze wet zijn […] titels 4.1 tot en met 4.3, […], de hoofdstukken 6 en 7 […] van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.” In de wetsgeschiedenis is omtrent dit artikellid opgemerkt: “A. In de Invorderingswet zijn bestuurlijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen sterk met elkaar verweven. Het zou dan onoverzichtelijk zijn voor bepaalde – bestuursrechtelijke rechtshandelingen de hoofdstukken 4, 6 en 7 wet te laten gelden, terwijl deze uit hun aard niet op de privaatrechtelijke van toepassing zijn. Om deze reden worden de genoemde drie hoofdstukken buiten toepassing verklaard; dit is in overeenstemming met hetgeen hierover is opgemerkt op pagina 14 van het nader rapport bij de eerste tranche van de Awb” (Kamerstukken II, 1990-1991, 22061, nr. 3, blz. 89). Artikel 11: “Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.” 4.3. In de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: Kostenwet) is, voor zover van belang, het volgende bepaald: Artikel 2: “Voor het verzenden van een aanmaning tot betaling is verschuldigd € 8 bij een gevorderde som tot € 454 en € 18 bij een gevorderde som van € 454 of meer.” Artikel 7, lid 1: “Tegen de door de ontvanger of belastingdeurwaarder in rekening gebrachte kosten van vervolging welke niet voortspruiten uit de gerechtelijke tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan degene van wie de kosten worden gevorderd een bezwaarschrift, onderscheidenlijk een beroepschrift indienen bij de ontvanger. Op het bezwaar, beroep en hoger beroep en beroep in cassatie inzake de eerste volzin bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.” 4.4. De van belang zijnde bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luiden als volgt: Artikel 4:17: “Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.” Artikel 4:18: “Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.” Dwangsom mogelijk? 4.5. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende geen beroep kan doen op de regeling van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. De kosten van de aanmaning ten bedrage van € 8 zijn ingevolge artikel 2 van de Kostenwet in rekening gebracht. Ingevolgde artikel 7, lid 1, van de Kostenwet, is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing, hetgeen betekent dat de rechter in belastingzaken bevoegd is. Wetsystematisch brengt dit mee dat de bepalingen van de Awb die op een procedure voor de rechter in belastingzaken van toepassing zijn, zoals die van de afdelingen 7.1 en 7.2 van de Awb, ook in het onderhavige geval van toepassing zijn. Artikel 1, lid 2, van de IW, doet daaraan niet af. 4.6. Het in 4.5 vermelde, brengt mee dat in het onderhavige geval artikel 7:14 van de Awb van toepassing is. In dit artikel wordt paragraaf 4.1.3.2 – zijnde de artikelen 4:17 tot en met 4.20 – van de Awb van toepassing verklaard, zodat belanghebbende in aanmerking kan komen voor een dwangsom, als overigens aan de voorwaarden is voldaan. Dwangsom verschuldigd? 4.7. Ingevolge artikel 4:17, lid 3, van de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking zijn verstreken en het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling van de aanvragen heeft ontvangen. De aanvrager kan het bestuursorgaan in gebreke stellen zodra hij redelijkerwijs kan menen dat het bestuursorgaan in gebreke is (Kamerstukken II, 2004-2005, 29934, nr. 6, blz. 12). 4.8. Ingevolge artikel 7:10, lid 1, van de Awb, beslist het bestuursorgaan binnen zes weken op een bezwaar, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De kosten van de aanmaning zijn op 15 oktober 2022 in rekening gebracht (zie 1.2.). In het onderhavige geval eindigde de bezwaartermijn van zes weken (artikel 6:7 van de Awb) op 28 november 2022 en de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar in beginsel op 9 januari 2023 (artikel 1, lid 1, in verbinding met artikel 3, lid 1, van de Algemene termijnenwet). 4.9. Belanghebbende heeft de invorderingsambtenaar bij brief van 27 december 2022, ontvangen door de invorderingsambtenaar op 31 december 2022 in gebreke gesteld (zie 2.1.). 4.10. Volgens vaste rechtspraak is van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid, van de Awb, slechts sprake als deze plaatsvindt nadat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken (CRvB 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:933).
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 7 — Kostenwet invordering rijksbelastingen
- Artikel 2 — Kostenwet invordering rijksbelastingen
- Artikel 1 — Kostenwet invordering rijksbelastingen
- Artikel 1 — Invorderingswet 1990
- Artikel 11 — Invorderingswet 1990
- Artikel 1 — Algemene termijnenwet
- Artikel 7_14 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 231 — Gemeentewet