BWBR0005416
Geldig vanaf 2012-05-24
Artikel 231
Gemeentewet
1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990en de Kostenwet invordering rijksbelastingenals waren die belastingen rijksbelastingen.
2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990en de Kostenwet invordering rijksbelastingengenoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:
a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college;
b. de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen;
c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen;
d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar;
f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de raad.
3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen in de Algemene weten in de Invorderingswet 1990voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: besluit van het college.
4. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen wordt in artikel 24 van de Invorderingswet 1990voor «de Staat» gelezen: de gemeente.
5. Indien een Commissiebesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet terugvordering staatssteunverplicht tot terugvordering van staatssteun en die staatssteun voortvloeit uit een gemeentelijke belasting als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt deze staatssteun op dezelfde wijze teruggevorderd als staatssteun die voortvloeit uit de toepassing van een belastingwet als bedoeld in artikel 20a van de Algemene wet.
2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990en de Kostenwet invordering rijksbelastingengenoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:
a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college;
b. de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen;
c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen;
d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen;
e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar;
f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de raad.
3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen in de Algemene weten in de Invorderingswet 1990voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: besluit van het college.
4. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen wordt in artikel 24 van de Invorderingswet 1990voor «de Staat» gelezen: de gemeente.
5. Indien een Commissiebesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet terugvordering staatssteunverplicht tot terugvordering van staatssteun en die staatssteun voortvloeit uit een gemeentelijke belasting als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt deze staatssteun op dezelfde wijze teruggevorderd als staatssteun die voortvloeit uit de toepassing van een belastingwet als bedoeld in artikel 20a van de Algemene wet.