Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-14
ECLI:NL:GHARL:2026:181
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001217-21 Uitspraakdatum: 14 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 februari 2021 met parketnummer 08-994519-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] . Hoger beroep Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel. De officier van justitie heeft het ingestelde hoger beroep ter griffie van het hof op 23 april 2021 weer ingetrokken. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 november 2025 – welk onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 14 januari 2026 – en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. Huisman (deels gezamenlijk met de raadsvrouw van de medeverdachte, mr. M.G. Bischop) hebben aangevoerd. Het vonnis De rechtbank heeft het tenlastegelegde bewezen verklaard en dit gekwalificeerd als feitelijke leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding. Het hof komt tot een deels andere bewijsbeslissing en tot een andere strafoplegging. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de economische kamer van de rechtbank Overijssel is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: [bedrijf ] één of meerdere malen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017, in de [gemeente] , als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft [bedrijf ] in nader te noemen periode(s) op de "Glasafdeling" ("Spinning en Pulling") van het bedrijf van [bedrijf ] aan de [straat] aldaar, zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van genoemde wet, door een of meer werknemers in de zin van genoemde wet, te weten [werknemer] en/of [getuige 3] en/of [werknemer] en/of [werknemer] en/of [getuige 7] en/of andere werknemers arbeid doen of laten verrichten, bestaande die arbeid uit het - zakelijk weergegeven - vervaardigen van filterdoek en bij welk proces formaldehyde (bevattende lijm) werd toegepast, terwijl niet was/werd voldaan aan artikel 3, eerste lid aanhef en onder a van de Arbeidsomstandighedenwet, immers had [bedrijf ] één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever niet gezorgd voor de veiligheid en/of de gezondheid van genoemde werknemers en/of andere werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten met betrekking tot de toepassing van formaldehyde (bevattende lijm) bij - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek op genoemde afdelingen/of daartoe geen beleid gevoerd dat was gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden en/of die arbeid op die afdeling niet zodanig had georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en/of de gezondheid van die werknemers en/of artikel 13, eerste lid van de Arbeidsomstandig re werknemers werden of konden worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen of aan mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen, te weten formaldehyde (bevattende lijm of lucht), nagelaten dat met betrekking tot deze stoffen of processen in de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet en in aanvulling op art. 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de volgende gegevens, althans een of meer van de volgende gegevens werden opgenomen de hoeveelheid van die kankerverwekkende of mutagene stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband met de opslag respectievelijk de frequentie waarmee een proces per jaar pleegt te worden toegepast (b) en/of de soort arbeid die met die kankerverwekkende of mutagene stof pleegt te worden verricht of waarbij het kankerverwekkende proces pleegt te worden toegepast (c) en/of het aantal werknemers dat aan een/die kankerverwekkende of mutagene stof of een kankerverwekkend proces pleegt te worden blootgesteld of kan worden blootgesteld (d) en/of de persoonlijke beschermingsmiddelen die worden gebruikt bij die arbeid waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan die kankerverwekkende of mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen (f) en/of artikel 4.16 derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werd één of meermalen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met september 2017 bij overschrijding(en) van de grenswaarden met betrekking tot in de Arbeidsomstandighedenregeling aangewezen kankerverwekkende stoffen of mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij een kankerverwekkend proces, te weten formaldehyde (bevattende lijm of lucht), met inachtneming van de artikelen 4.17 en 4.18 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, nagelaten onverwijld doeltreffende maatregelen te nemen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde, terwijl daardoor, naar [bedrijf ] wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [werknemer] en/of [getuige 3] en/of [werknemer] en/of [werknemer] en/of [getuige 7] en/of andere werknemers ontstond of te verwachten was, zulks terwijl verdachte tot bovenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Geldigheid van de dagvaarding De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding partieel nietig is. Daartoe is aangevoerd dat het onderdeel ‘andere werknemers’ in de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is om adequaat verweer tegen te voeren. Het hof constateert dat in de tenlastelegging vijf werknemers bij naam zijn genoemd en dat daaraan is toegevoegd ‘en/of andere werknemers’. Het verwijt luidt, kort gezegd, dat de gezondheid van die werknemers in gevaar is gebracht. [bedrijf ] is in de tenlastelegging aangeduid als werkgever en de ‘werknemers’ als werknemers in de zin van artikel 1 (oud) van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit artikel houdt in het eerste lid als definitie van ‘werkgever’ in: “sub a: 1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten; 2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°”; en als definitie van ‘werknemer’: “sub b: werknemer: de ander, bedoeld onder a”. Waar de arbeid wordt verricht is in de tenlastelegging gespecificeerd als de “Glasafdeling” (“Spinning en Pulling”) van de bedrijfslocatie van [bedrijf ] aan de [straat] in [plaats 1] . Ook is gespecificeerd Formaldehyde is sinds 1 januari 2016 geclassificeerd als Carcinogeen 1B, H350 en kan kanker veroorzaken. Daarvoor werd de stof geclassificeerd als Carcinogeen 2, wat inhoudt dat de stof verdacht is van het veroorzaken van kanker. Vanwege het onvoldoende treffen van maatregelen zijn op 18 oktober 2017 de werkzaamheden op de glasafdeling van [bedrijf ] door de [inspectie 1] stilgelegd. Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, behoudens het tenlastegelegde onder het zesde onderdeel (het niet voldaan hebben aan artikel 4.4, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit) en het tenlastegelegde onder het zevende onderdeel, meer specifiek ter zake van het gedeelte vanaf “de mogelijke gevaren (…)” tot en met “de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (a) en/of”. Ten aanzien hiervan heeft de advocaat-generaal overeenkomstig de beslissing in het vonnis waarvan beroep, vrijspraak gevorderd. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat uit de zowel vóór als tijdens de tenlastegelegde periode verrichte metingen op de afdeling, waaronder persoonsgebonden metingen, volgt dat werknemers werden blootgesteld aan concentraties formaldehyde ver boven de grenswaarde. Uit de bij het meetrapport van 29 juli 2010 als bijlage gevoegde Chemiekaart formaldehyde kan worden afgeleid dat formaldehyde een gevaarlijke, giftige, stof is. In de periode 2009-2017 zijn meerdere RisicoInventarisatie en -Evaluatie (RI&E)rapporten opgesteld, waaruit naar voren komt dat er blootstellingsgegevens over formaldehyde zijn, de kans op overschrijding van de grenswaarde groot is en verbetermaatregelen nodig zijn. Na stillegging van de afdeling heeft [expertisebureau] een rapport, gedateerd 3 maart 2018, opgesteld. Daarin is te lezen dat diverse waarschuwingssignalen in de vorm van allerlei aanbevelingen, rapporten en metingen in de periode 1999-2017 door [bedrijf ] in de wind zijn geslagen en dat niet is gebleken dat [bedrijf ] enige activiteit heeft ontplooid die erop is gericht om het personeel minder aan formaldehyde bloot te stellen. De advocaat-generaal heeft gesteld dat werknemers tijdens de gehele tenlastegelegde periode, van 2013 tot en met 2017, aan formaldehyde zijn blootgesteld, waarbij sprake was van een forse overschrijding van de toegestane waarden. Werknemers zijn jarenlang meerdere uren per dag aan formaldehyde blootgesteld. Gelet op de gezondheidsrisico’s die verband houden met de blootstelling aan formaldehyde zoals die blijken uit diverse stukken in het dossier, is ernstige gezondheidsschade zoals neuskanker bij de werknemers te verwachten. Verdachte en [medeverdachte] waren de hoogste leidinggevenden bij [bedrijf ] in [plaats 1] en verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Verdachte wist dat formaldehyde gevaarlijk was, dat de grenswaarden werden overschreden en dat blootstelling daaraan voor de werknemers schadelijk zou kunnen zijn. De advocaatgeneraal acht primair vol opzet bewezen en subsidiair dat verdachte zich op zijn minst bewust was van de aanmerkelijke kans dat sprake was van blootstelling aan deze gevaarlijke stof en dat hij die kans op de koop toe heeft genomen. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. [bedrijf ] had geen (voorwaardelijk) opzet zoals ten laste gelegd en evenmin kan worden bewezen dat door blootstelling aan formaldehyde levensgevaar bestond of ernstige schade aan de gezondheid te verwachten was. Verdachte heeft zijn hele werkzame leven bij [bedrijf ] naar beste weten en integer gewerkt en veel te veel op zijn bord gekregen. Hij heeft harder gewerkt dan goed voor hem was, terwijl zijn echtgenote in 2015 ernstig ziek was. Verdachte was niet degene die het beleid binnen [bedrijf ] heeft bedacht en evenmin in de positie dit beleid te negeren. Het bewijs van het opzet van verdachte op de verweten gedrag In oktober en november 2008 zijn op de afdeling Spinning en Pulling metingen van formaldehyde verricht in het kader van het beheersen van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Uit de meetresultaten blijkt dat op alle meetplaatsen formaldehyde is aangetroffen in een concentratie die ruim boven de grenswaarde ligt. Geconcludeerd is dat de kans op overschrijding van de gezondheidsnorm voor formaldehyde, de grenswaarde, zeer groot is, dat nadere beheersmaatregelen moeten worden getroffen om blootstelling te verminderen en dat gezien de schadelijke eigenschappen van formaldehyde het absoluut noodzakelijk is verbeteringen door te voeren. Op 7 oktober 2010 heeft [facilitair bedrijf] een rapport uitgebracht over formaldehydemetingen op werkplekken van [bedrijf ] in [plaats 1] . Op 5 oktober 2010 heeft [facilitair bedrijf] in opdracht van [bedrijf ] op formaldehyde gerichte metingen uitgevoerd op de afdeling pulling, na daar op 9 juni 2010 vergelijkbare metingen te hebben verricht. De resultaten van de metingen op 9 juni 2010 waren zo hoog dat de grenswaarde van formaldehyde op elke meetplaats ruim werd overschreden. Na het verbeteren van de afzuiging door middel van een scrubber zijn in opdracht van verdachte op 5 oktober 2010 nieuwe metingen uitgevoerd, vier omgevingsmetingen en twee persoonsgebonden metingen. Uit de meetresultaten van die datum is gebleken dat de grenswaarde van formaldehyde nog steeds op elke meetplaats werd overschreden, waarbij de twee persoonsgebonden metingen de hoogste concentratie formaldehyde lieten zien (3,41 en 1,88 mg/m3). De concentraties waren vergelijkbaar met de concentraties van de op 9 juni 2010 uitgevoerde metingen terwijl de meetresultaten betrouwbaarder waren. [facilitair bedrijf] heeft in het meetrapport geconcludeerd dat er beheersmaatregelen moeten worden genomen om de blootstelling aan formaldehyde te verminderen, waarna nieuwe metingen moeten worden gedaan. Bij dit rapport is als bijlage 4 een Chemiekaart formaldehyde gevoegd. Uit de afbeeldingen en de tekst van deze chemiekaart kan worden afgeleid dat formaldehyde een voor de gezondheid gevaarlijke, giftige stof is. Ook staat achter de tekst “herhaalde en/of langdurende blootstelling” vermeld dat de stof als kankerverwekkend wordt beschouwd. Het hof stelt vast dat de chemiekaart met deze informatie al voorafgaand aan de ten laste gelegde periode aan [bedrijf ] is verstrekt. Verdachte wordt verweten dat hij als feitelijk leidinggevende werknemers op de betreffende afdeling van [bedrijf ] arbeid heeft laten verrichten, waarbij formaldehyde(bevattende lijm) werd toegepast, terwijl niet was voldaan aan negen voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet of het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl daardoor, naar [bedrijf ] wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers ontstond of te verwachten was. De vraag is of de afzonderlijke onderdelen van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard en of vastgesteld kan worden dat in strijd met artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet is gehandeld. Het hof zal eerst de afzonderlijke onderdelen van de tenlastelegging beoordelen en vervolgens beoordelen of het verbod van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet is overtreden. Het voeren van beleid, gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers In de tenlastelegging wordt in het eerste onderdeel het verwijt gemaakt dat in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 op de genoemde afdeling geen beleid is gevoerd dat was gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden inzake alle met de arbeid verbonden aspecten van de toepassing van formaldehyde(bevattende lijm) bij het vervaardigen van filterdoek, zodat geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en gezondheid van de werknemers. Dit onderdeel van de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Arbeidsoms Het belangrijkste punt is het verbeteren van het gevaarlijke stoffen beleid. Geadviseerd wordt om te voldoen aan het 4-stappen beleid gevaarlijke stoffen van I-SZW. Het is de taak van de werkgever om op basis van de RIE een plan van aanpak op te stellen. Bij de beoordeling zijn de volgende punten vastgesteld: Een beleid gevaarlijke stoffen is aanwezig. Het systeem REACH is bekend, echter nog niet ontwikkeld binnen de organisatie. Een beoordeling van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen is nog niet uitgevoerd. De organisatie behoort voor elk product waarmee wordt gewerkt een grenswaarde te hebben vastgesteld. Dit beleid is beoordeeld met een score 1 wat betekent dat het beleid in opzet aanwezig is. Er wordt geadviseerd om het beleid gevaarlijke stoffen verder uit te werken om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen. Dit houdt in: het opstellen van een register gevaarlijke stoffen, beoordelen of gevaarlijke stoffen kunnen worden vervangen door minder gevaarlijke, voor ieder product een grenswaarde vaststellen en voor ieder product per verwerkingsplaats een inschatting van de mogelijke blootstelling maken om dit te beoordelen ten opzichte van de grenswaarde” . Dat over het beleid ten aanzien van het werken met formaldehyde(bevattende lijm) als gevaarlijke stof geen afstemming is geweest met de werknemers, leidt het hof onder meer af uit de verklaring van [getuige 3] . Hij heeft verklaard: “Over formaldehyde weet ik sinds 1997, want dit zit in de ureum. Maar dit was altijd in toegestane waarden, dat zeiden ze. (…) Ik heb vaker gevraagd of de lijmdampen niet schadelijk waren. Ik kreeg steevast het antwoord dat het geen kwaad kon. Ik heb ook in algemene vergaderingen deze vraag gesteld. Hier waren [medeverdachte] en [verdachte] bij aanwezig. Hier werd wederom niets mee gedaan. Ook [medeverdachte] en [verdachte] vertelden dat het niet schadelijk was” . Het hof stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat het beleid van [bedrijf ] ten aanzien van het werken met de gevaarlijke stof formaldehyde niet is uitgewerkt. Voor het productieproces in het bedrijf in [plaats 1] is geen grenswaarde vastgesteld en blootstellingsgegevens zijn niet vermeld. Dit klemt temeer omdat al in november 2008 en juni en oktober 2010 metingen gericht op de blootstelling aan formaldehyde zijn verricht, waaruit naar voren is gekomen dat werknemers op de glasafdeling worden blootgesteld aan formaldehyde in concentraties die (ver) boven de grenswaarde liggen. Verder heeft [getuige 4] verklaard dat het hem op grond van zijn aantekeningen is opgevallen dat in alle audits van [bedrijf ] over formaldehyde is gesproken. Het ging onder andere over vervanging van formaldehyde en de problemen daarmee in de periode 2012 tot en met 2017. [bedrijf ] is vanaf 2011 bezig geweest om vervanging te zoeken voor formaldehyde en in de onderneming was men zich ervan bewust dat formaldehyde bij het productieproces in te hoge concentraties voorkwam. Hij sprak hierover met zowel verdachte als [medeverdachte] . Tijdens de audits is gesproken over de risico’s en de RI&E’s zijn aan de orde geweest. In die gesprekken was duidelijk dat er een formaldehydeprobleem speelde, in die zin dat de vastgestelde grenswaarde voor formaldehyde werd overschreden. Desondanks is het gevaarlijkestoffenbeleid niet uitgewerkt, zoals in de RI&E’s is geadviseerd. Het hof is van oordeel dat [bedrijf ] is tekortgeschoten in het voeren van voldoende specifiek beleid gericht op het optimaliseren van de arbeidsomstandigheden wat betreft de veiligheid en de gezondheid van de werknemers ter zake van alle met de arbeid verbonden aspecten van het werken met formaldehyde. De ISO- en OHSAS-certificering neemt dit gebrek niet weg. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan wettig en overtuigend worden bewezen. Bijstand door deskundige werknemers In het tweede en derde onderdeel van de tenlastelegging worden de verwijten gemaakt dat [bedrijf ] heeft nagelaten in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 [getuige 5] heeft niet overwogen om zich bij te scholen of externe deskundigheid in te huren. De organisatie had toen andere prioriteiten en het management bepaalde hoe zij als team werkten. [getuige 5] hoorde voor het eerst van formaldehyde omstreeks 1 september 2013. Hij heeft zich toen niet verdiept in de eigenschappen en gevaren van deze stof. Na het tonen van de chemiekaart op pagina 764 van het dossier heeft [getuige 5] verklaard dat deze informatie voor een SHEQmedewerker reden is om iets te doen, omdat er een symbool op staat dat de stof – formaldehyde – gevaarlijk is voor de gezondheid. [getuige 5] beschikte niet over meetrapporten. Alle investeringen en verbeteringen liepen via de directie. [verdachte] was in die tijd plantmanager in [plaats 1] en [getuige 5] rapporteerde aan [medeverdachte] . De [getuige 6] heeft verklaard: “Ik ben op 1 december 2016 begonnen in de functie van SHEQ-manager. De functie houdt in dat ik mij bezig houd met veiligheid, arbo, milieu en kwaliteit. De term ureumdampen ben ik voor het eerst tegengekomen in het RI&E-rapport van 2014. Ik was bekend met het feit dat er ureumdampen waren, maar ik was niet bekend met de omvang van de blootstelling. Ik heb destijds aan [verdachte] gevraagd wat er in grote lijnen speelde aan issues waaronder de ureumdampen. Wij hebben het toen wel over de formaldehyde gehad. Ik kreeg de indruk dat we binnen de normen zaten. Wat mij in het begin opviel was dat er weinig beheer was over de acties die ondernomen moesten worden. Ik ben toen bezig gegaan met het structuren van de acties. Ik heb in december 2016 een sessie gepland om het RI&E-rapport van 2014 door te lopen. Het MT kwam tot de conclusie dat er een RI&E moest worden opgemaakt in het nieuwe jaar. De acties van het rapport uit 2014 heb ik niet volledig overgenomen, ook omdat we een nieuw rapport lieten opmaken. Het nieuwe rapport is in september 2017 opgemaakt. Naar aanleiding van het bezoek van de Arbeidsinspectie ben ik op zoek gegaan naar informatie voor de Arbeidsinspectie. Ik vond toen een meetrapport over formaldehyde uit 2010 van [facilitair bedrijf] . Deze vond ik in de kast bij [verdachte] op de kamer. In dit rapport bleek ook dat de concentraties formaldehyde te hoog waren. In de kast in het kantoor van [verdachte] lagen ook de RI&E van 1999 en andere rapporten. De rapporten van [adviesbureau] van 2017 heb ik ontvangen. Ik ben degene geweest die de opdracht aan [adviesbureau] heeft gegeven. Ik was ook de contactpersoon tussen [bedrijf ] en [adviesbureau] . Ik weet vanaf 2017 dat formadehyde kankerverwekkend is ”. Na sluiting van de glasafdeling door de [inspectie 1] , heeft [expertisebureau] in opdracht van [bedrijf ] onderzoek gedaan. Het rapport van [expertisebureau] houdt onder andere in: “Een VGM(K)-manager was officieel verantwoordelijk voor veiligheid in de periode waarop dit onderzoek is gericht. Bij [bedrijf ] is 1 FTE gereserveerd voor een functie die taken uitvoert met betrekking tot kwaliteit, gezondheid, veiligheid en milieu. In de praktijk blijkt dit 0,10,2 FTE te zijn en is dit sterk afhankelijk van de prioriteit die andere taken hebben ten opzichte van veiligheid. Bovendien waren er geen VGM-competentievereisten voor de VGMK-taak. In de praktijk werd de taak van de VGM(K)-manager uitgevoerd door personen die geen enkele officiële competentie hadden. Het personeel werd niet bewust gemaakt van de gevaarlijke eigenschappen van formaldehyde” . In een (tap)gesprek van 19 maart 2018 zegt verdachte tegen [medeverdachte] dat “chemische kennis niet aanwezig is binnen [bedrijf ] ”. Van belang is ook dat, zoals gezegd, [bedrijf ] een groot, professioneel, internationaal opererend bedrijf is. Van een dergelijk bedrijf mag worden verwacht dat deskundige werknemers worden aangesteld en dat zij tijdens het arbeidsproces voldoende in aantal en ervaring aanwezig zijn. Het hof stelt op basis van de besproken bewijsmiddelen vast dat de SHEQmedewerkers [getuige 5] en [getuige 6] onvoldoende deskundig wa Bovendien blijkt uit in november 2008, juni en oktober 2010 en zoals hierna nog wordt besproken in september en oktober 2017 verrichte metingen, waaronder persoonsgebonden metingen, dat werknemers daadwerkelijk zijn blootgesteld aan formaldehyde in concentraties die de grenswaarde voor deze gevaarlijke stof (ruimschoots) te boven gingen. Het hof is van oordeel dat [bedrijf ] als werkgever de zorgplicht had om de gezondheid en veiligheid van haar werknemers doeltreffend te beschermen bij blootstelling aan formaldehyde en dat die blootstelling had moeten worden geminimaliseerd. Dat [bedrijf ] dat heeft nagelaten leidt het hof ook af uit de volgende bewijsmiddelen: Het rapport van [expertisebureau] houdt in: “Gedurende de hele periode 1999 – 2017 vertoonde [bedrijf ] geen enkele activiteit die er speciaal op gericht was de blootstelling aan formaldehyde van het personeel te verminderen ”. Verschillende medewerkers hebben verklaard dat nauwelijks persoonlijke beschermingsmiddelen werden gedragen. Zo heeft [getuige 3] verklaard: “Ik droeg een veiligheidsbril en gehoorbescherming. Ik droeg bij het spinnen geen handschoenen en geen adembescherming” en [getuige 7] : “Ik ben bij [bedrijf ] werkzaam sinds 1986 in de functie van hoofdspinner op de glasafdeling. In oktober 2017 zijn we door [naam ] geïnformeerd dat er formaldehyde vrij kwam op de glasafdeling. Daarvoor wist ik dat niet. Ik heb nooit persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen. Dat was ook niet verplicht ”. Het hof acht de onderdelen vier en vijf van de tenlastelegging dan ook wettig en overtuigend bewezen. Nalaten doeltreffende maatregelen ter voorkoming van blootstellig aan gevaarlijke stoffen te nemen in zodanige mate dat de veiligheid of schade aan de gezondheid in gevaar kan worden gebracht In het zesde onderdeel van de tenlastelegging is het verwijt gemaakt dat in dezelfde periode is nagelaten doeltreffende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de werknemers aan formaldehyde(bevattende lijm) konden worden blootgesteld, terwijl uit de resultaten van de beoordeling bleek dat er gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers bestond. Dit onderdeel van de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 4.4, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin is bepaald dat voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaat, doeltreffende maatregelen moeten worden genomen. Artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdt in dat in het kader van de risicoinventarisatie en -evaluatie, indien werknemers worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, de aard, de mate en de duur van die blootstelling moet worden beoordeeld om de gevaren voor de werknemers te bepalen. Om de gezondheid van de werknemers op adequate wijze te kunnen beschermen tegen de gevaren die aan stoffen zijn verbonden, is het noodzakelijk relevante gegevens beschikbaar te hebben. Zonder inzicht in de factoren die de gezondheid van de werknemers bedreigen, kan de werkgever niet een daarop toegesneden arbeidsbeschermend beleid voeren. Uit de processtukken en het onderzoek ter zitting kan, zoals hiervoor ook al is vastgesteld, niet worden afgeleid dat in het kader van een RI&E de aard, de mate en de duur van de blootstelling aan formaldehyde(bevattende lijm) is beoordeeld om de gevaren voor de werknemers te bepalen. Een beoordeling als bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft dus niet plaatsgevonden. Nu de maatregelen die moeten worden genomen bij blootstelling aan een gevaarlijke stof moeten worden afgestemd op de resultaten van een beoordeling als bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en zo’n beoordeling niet heeft plaatsgevonden, kan het zesde onderdeel van de tenlastelegging niet worden bewezen. Verdachte wordt daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken. Voorlichting en onderricht In het z De verdediging heeft aangevoerd dat in dit onderdeel van de tenlastelegging het verwijt is beperkt tot een kortere periode en dat, nu formaldehyde pas vanaf 1 januari 2016 als kankerverwekkend is aangemerkt, het verwijt alleen ziet op de RI&E uit 2017. Hierbij heeft de verdediging erop gewezen dat in de tenlastelegging wordt gesproken over de RI&E en niet over een RI&E. De RI&E van 2017 dateert van 19 oktober 2017, een dag na stilligging van de glasafdeling in [plaats 1] en één dag na de tenlastegelegde periode, terwijl geen “in of omstreeks” is ten laste gelegd. Bovendien kon na de stillegging geen blootstelling meer plaatsvinden en dus ook geen levensgevaar of ernstig gezondheidsgevaar ontstaan. Tot slot is opgemerkt dat als deze RI&E tekortkomingen kent, dit is toe te rekenen aan [adviesbureau] en/of [rapporteur] van [adviesbureau] en niet aan [bedrijf ] . Het hof is anders dan de verdediging van oordeel dat het verwijt niet specifiek betrekking heeft op een in de tenlastegelegde periode door of in opdracht van [bedrijf ] opgestelde RI&E, maar dat gelet op de verwijzing naar artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.2. van het Arbeidsomstandighedenbesluit het verwijt wordt gemaakt dat [bedrijf ] in de ten laste gelegde periode geen RI&E waarin de hiervoor genoemde informatie is opgenomen heeft laten opstellen. In de tenlastegelegde periode en evenmin daaraan voorafgaand waren in de RI&E de gegevens die hiervoor zijn genoemd niet opgenomen, wat blijkt uit de vermelde bewijsmiddelen. In de RI&E van 2014 is vermeld: “Er wordt geadviseerd om het werken met gevaarlijke stoffen uit te voeren volgens de voorschriften. Een duidelijk register, alle verpakkingen voorzien van de juiste etiketten en per situatie een blootstellingsbeoordeling maken. Voor iedere werkplek de blootstellingsbeoordeling vergelijken met de grenswaarde voor het betreffende product” . Sinds 1 januari 2016 is formaldehyde geclassificeerd als kankerverwekkend. Uit niets blijkt dat in 2016 een RI&E is uitgevoerd, terwijl [bedrijf ] , gelet op eerdere metingen van de blootstelling aan formaldehyde op de werkvloer, toen al ervan op de hoogte was dat werknemers van de glasafdeling hieraan werden blootgesteld. In de RI&E van 2017 staat dat een beoordeling van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen nog niet is uitgevoerd. De RI&E van 2017 van [adviesbureau] is gedateerd september 2017. Kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen met bijbehorende aanvullende registratie van gevaarlijke stoffen, zijn daarin niet als mogelijke gezondheidsrisico’s vermeld. Ook over het aantal werknemers dat aan de kankerverwekkende stof kan worden blootgesteld en over de persoonlijke beschermingsmiddelen, is niets in deze RI&E terug te vinden. Aan de stelling van de verdediging dat eventuele tekortkomingen in de RI&E van 2017 zijn toe te rekenen aan [adviesbureau] en/of [rapporteur] , verbindt het hof niet de conclusie die de verdediging eraan gehecht wil zien. Zoals gezegd, was [bedrijf ] ermee bekend dat werknemers op de glasafdeling werden blootgesteld aan te hoge concentraties formaldehyde. Het rapport van [facilitair bedrijf] uit 2010 is in de kast van verdachte aangetroffen. Dat [adviesbureau] en/of [rapporteur] niet door [bedrijf ] in kennis zijn gesteld van de voor het opstellen van een RI&E van belang zijnde informatie, is [bedrijf ] en niet aan [adviesbureau] en/of [rapporteur] toe te rekenen. Ondanks de actiepunten die al genoemd zijn in de RI&E van 2014 en het als kankerverwekkend classificeren van formaldehyde in 2016, is nagelaten in de tenlastegelegde periode een RI&E met de in de tenlastelegging vermelde gegevens te laten uitvoeren. Het achtste onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen. Het nemen van maatregelen bij overschrijding van de grenswaarden In het negende onderdeel is ten laste gelegd dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met september 2017 bij overschrijding van de grenswaarde v Levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid Om tot bewezenverklaring van de op artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet toegesneden tenlastelegging te kunnen komen dient te worden bewezen dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers is ontstaan of te verwachten was. Uit de geschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot het gelijkluidende verbod in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, komt naar voren dat sprake moet zijn geweest van een ernstig gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers in de zin dat ernstige gezondheidsschade kan optreden als gevolg van het niet naleven van de voor de werkgever geldende voorschriften op het terrein van de arbeidsomstandigheden (Kamerstukken II 1997/98, 25 879, nr. 3, p. 25 en p. 47). Dat werknemers daadwerkelijk schade aan de gezondheid hebben opgelopen, dan wel zijn overleden ten gevolge van de blootstelling aan formaldehyde, kan op basis van de processtukken en het verhandelde ter zitting niet worden vastgesteld. Dan blijft over de vraag of ernstige schade aan de gezondheid te verwachten was, in de zin dat ernstige gezondheidsschade bij de werknemers door de blootstelling aan formaldehyde kon optreden. De verdediging heeft aangevoerd dat, gelet op wat de [deskundige 2] heeft verklaard, de enkele eventuele overschrijding van een grenswaarde onvoldoende is om ervan uit te gaan dat ernstige schade aan de gezondheid te verwachten was. Neuskanker is een zeldzame vorm van kanker en of daarbij ernstige schade aan de gezondheid is te verwachten, hangt af van een groot aantal verschillende factoren. Uitzaaiingen komen weinig voor en neuskanker is goed te genezen. De rechter-commissaris heeft naar aanleiding van het rapport van 3 augustus 2020 aanvullende vragen aan de deskundige, [deskundige 1] , gesteld. De deskundige heeft verklaard: “In Nederland gelden voor de stof formaldehyde twee normen: 1. Blootstelling aan 0.150 milligram (mg) per kubieke meter lucht (m3) als tijdgewogen gemiddelde over een periode van 8 uur; 2. Blootstelling aan 0.500 mg/m3 lucht als tijdgewogen gemiddelde over een periode van 15 minuten. Je moet eigenlijk aan beide normen toetsen. Het ene sluit het andere niet uit. Deze normen gaan uit van tijdgewogen gemiddelde waarden. Dit betekent dat de concentratie tijdelijk boven deze normen mag uitkomen zolang er maar in voldoende mate compensatie optreedt met periodes dat de concentratie onder deze norm blijft. Formaldehyde kan als reactie sensorische irritatie geven. De gevoelssensoren in de neus en de bijholten zorgen voor een onplezierige sensatie die als eerste wordt waargenomen als de blootstelling stijgt vanaf 0 mg/m3. De Gezondheidsraad is van mening dat werknemers daartegen beschermd moeten worden. De Gezondheidsraad heeft derhalve besloten dit als uitgangspunt te kiezen van een gezondheidskundige advieswaarde die is voorgelegd aan de Minister van SZW die dit advies vervolgens heeft overgenomen en vastgesteld als wettelijke grenswaarde. De Gezondheidsraad stelt dat een blootstelling aan formaldehyde die onder de eerdergenoemde normen blijft, een werknemer een arbeidsleven lang beschermt tegen het optreden van sensorische irritatie en daarmee ook tegen het ontwikkelen van kanker. Dit is niet voldoende wetenschappelijk onderbouwd, maar de beraadgroep van de Europese Commissie, de SCOEL (deze taken zijn inmiddels overgenomen door het Risk Assessment Committee, RAC) heeft dit standpunt overgenomen, zij het met een bijstelling van de eerste norm: in plaats van 0,150 mg/m3 hanteert de EC een norm van 0,369 mg/m3. Dit betreft een advieswaarde. De lidstaten mogen daarvan naar beneden afwijken” . Zoals hiervoor ter zake van het negende onderdeel van de tenlastelegging over de metingen van [rapporteur] van [adviesbureau] is overwogen, was sprake van forse overschrijdingen van de grenswaarde van formaldehyde. Daarover heeft de deskundige verklaard: “ U vraagt mij of uit de rapportages van [rapporteur] is af te leiden dat de concen Formaldehyde is eerst geclassificeerd als verdacht van het veroorzaken van kanker en met ingang van 1 januari 2016 als kankerverwekkend. Desalniettemin heeft [bedrijf ] haar productieproces jarenlang ongewijzigd voortgezet en geen enkele adequate actie ondernomen om de blootstelling van haar werknemers aan te hoge concentraties formaldehyde te verminderen. Daarom en in aanmerking genomen de beschreven risico’s van blootstelling aan concentraties formaldehyde boven de grenswaarde, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers te verwachten was, in de zin dat ernstige gezondheidsschade bij de werknemers door de blootstelling aan formaldehyde kon optreden, en dat [bedrijf ] dat redelijkerwijs heeft moeten weten. Toerekenen aan [bedrijf ] Kunnen de door het hof bewezenverklaarde gedragingen redelijkerwijs worden toegerekend aan [bedrijf ] en heeft deze rechtspersoon aldus een strafbaar feit begaan? De verdediging heeft gesteld dat het opzet van de rechtspersoon per tenlastegelegd onderdeel moet worden beschouwd en dat kort gezegd [bedrijf ] niet telkens de aanmerkelijke kans op de ten laste gelegde handelingen bewust heeft aanvaard. De verdediging is tot de conclusie gekomen dat het wettig en overtuigend bewijs van het opzet ontbreekt. Bij de beantwoording van de vraag of verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijk leidinggeven aan door [bedrijf ] als rechtspersoon verrichte verboden gedragingen, dient eerst te worden vastgesteld of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. In zijn arrest van 21 oktober 2003 (NJ 2006, 328) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, e rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon. (HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.1 en 3.4.2.) Zoals hiervoor vastgesteld, was in ieder geval vanaf 2010 door de chemiekaart die bij het rapport van [facilitair bedrijf] was gevoegd en de daarna uitgevoerde RI&E’s, kenbaar dat op d De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich niet bewust was van de aanmerkelijke kans dat werknemers aan een risicovolle situatie werden blootgesteld, gelet op zijn zware belasting binnen [bedrijf ] , de mogelijke onderkwalificatie voor de functie en zijn privéomstandigheden. Hij heeft die kans ook niet aanvaard, nu zijn vrouw en hijzelf ook op de betreffende afdeling werkten in dezelfde omstandigheden als de andere werknemers. Verdachte heeft verklaard dat hij in 1995 is begonnen bij [bedrijf ] en dat hij in de periode van 2013 tot en met 2017 enkele jaren de functie van plantmanager heeft vervuld. Tot 2015 was hij meer productiemanager en daarna lag het zwaartepunt meer bij zijn functie van plantmanager. [medeverdachte] was zijn leidinggevende. Op de verdeellijst van het rapport van [facilitair bedrijf] zijn de leidinggevenden van de glasafdeling, verdachte en [medeverdachte] , vermeld. Uit een emailstring van 28 juni 2010 blijkt dat verdachte het conceptrapport ‘Formaldehydemetingen op de werkplek van [bedrijf ] juni 2010’ aan [medeverdachte] heeft doorgestuurd. Verdachte schrijft in het betreffende bericht: “FYI Samen een keer doornemen?”. Ook zit in deze emailstring een e-mail van 23 juni 2010 van [naam ] van [facilitair bedrijf] aan verdachte, waarin zij onder andere schrijft: “Hierbij de conceptrapportage van de formaldehydemetingen op de werkplek bij de Pullingafdeling”, “Zou jij het rapport kritisch willen doornemen” en “We zijn nog bezig met het rapport van de emissiemetingen”. Verder bevat het dossier een e-mail van 24 september 2010, waarin verdachte aan [medeverdachte] meedeelt wat de kosten zijn van een nieuwe meting van formaldehyde met rapportage en aan [medeverdachte] vraagt of het bedrag van € 1.900 akkoord is. Verdachte stuurt [medeverdachte] hierna op 8 oktober 2010 een e-mail waarin hij schrijft dat de uitslag van de formaldehydemetingen nog steeds niet best is, dat daar een grote uitdaging ligt en dat “de formaldehyde vrij” (het hof begrijpt: het gaan werken met formaldehydevrije lijm) alleen maar meer van pas komt. Uit deze emailstring blijkt ook dat een conceptrapport van op 5 oktober 2010 uitgevoerde metingen van formaldehyde door [naam ] van [facilitair bedrijf] aan verdachte is gestuurd. [naam ] heeft daarbij aangegeven dat de formaldehydeconcentratie boven de grenswaarde ligt en dat de metingen, in tegenstelling tot die van juni 2010, betrouwbaar zijn. Juist bij de persoonsgebonden metingen van de medewerkers bij pulling zijn de hoogste concentraties formaldehyde vastgesteld, schrijft [naam ] in haar email. Verdachte heeft ook dit conceptrapport doorgestuurd aan [medeverdachte] . Daarnaast heeft verdachte in een e-mail van 17 juni 2010 aan [medeverdachte] melding ervan gemaakt dat het hem na de uitslag van de formaldehydemeting verstandig lijkt om versneld te kijken naar de optie van formaldehydevrij ureum. In de rapportages van [facilitair bedrijf] van juni en oktober 2010 gaat het uitsluitend over metingen van formaldehyde op de werkvloer/afdeling, inclusief persoonsgebonden metingen, en dus niet (ook) over emissiemetingen. Alleen al gezien de aard van de bedrijfsvoering en de omstandigheid dat intensief met lijm met een gevaarlijke stof werd gewerkt, lag bij de leidinggevenden de taak actief te onderzoeken of het ureum in de lijm schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid en op zijn minst na te gaan of enige bescherming voor de werknemers noodzakelijk was. Dit klemt temeer, omdat de werknemers hierover ook vragen hebben gesteld, zoals blijkt uit de verklaringen van de [getuige 6] en [getuige 3] . [getuige 6] heeft ook verklaard dat hij het betreffende rapport en de andere RI&Erapporten heeft aangetroffen in de kast van verdachte. Uit de (concept)rapporten waarin tot directe beheersmaatregelen wordt geadviseerd en uit aangehaalde e-mails tussen verdachte en [medeverdachte] , kan worden afgeleid dat zij kennis hadden van de te hoge blootstelling aan formaldehyde op de werkvloer. Dat verda Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten: [bedrijf ] één of meerdere malen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017, in de [gemeente] , als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht en /of nagelaten in strijd met voormelde wet en /of de daarop berustende bepalingen, immers heeft [bedrijf ] in nader te noemen periode(s) op de Glasafdeling (“Spinning en Pulling”) van het bedrijf van [bedrijf ] aan de [straat] aldaar, zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g, van genoemde wet, door een of meer werknemers in de zin van genoemde wet, te weten [werknemer] en/of [getuige 3] en/of [werknemer] en/of [werknemer] en/of [getuige 7] en/of andere werknemers arbeid doen of te laten verrichten, bestaande die arbeid uit het - zakelijk weergegeven - vervaardigen van filterdoek, en bij welk proces formaldehyde(bevattende lijm) werd toegepast, terwijl niet was/werd voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Arbeidsomstandighedenwet, immers had [bedrijf ] één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever niet gezorgd voor de veiligheid en /of de gezondheid van genoemde werknemers en/of andere werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten met betrekking tot de toepassing van formaldehyde(bevattende lijm) bij - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek op genoemde afdeling en /of daartoe geen beleid gevoerd dat was gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden en /of die arbeid op die afdeling niet zodanig had georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en /of de gezondheid van die werknemers en /of artikel 13, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, immers had [bedrijf ] één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever ten aanzien van de naleving van zijn verplichtingen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet met betrekking tot - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, bij welk proces formaldehyde(bevattende lijm) werd toegepast nagelaten zich te laten bijstaan door een of meer deskundige werknemers en /of artikel 13, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, immers beschikten werknemers één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 niet over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting en/of waren niet zodanig in aantal en/of waren niet gedurende zo veel tijd beschikbaar en/of zodanig georganiseerd, dat zij de bijstand (bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet) naar behoren konden verlenen en /of artikel 4.1b, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers had [bedrijf ] één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever in gevallen waarin genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde(bevattende lijm) nagelaten te zorgen voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en /of veiligheid van die werknemers en /of artikel 4.1c, eerste lid, aanhef en onder b en /of onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werd één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 in gevallen waarbij arbeid werd verricht, te weten - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, waarbij genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde(bevattende lijm), in het kader van artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, nagelaten dat blootstelling van die werknemers aan die gevaarlijke stof werd voorkomen of geminimaliseerd door gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen (b) en /of de mate en /of de duur van blootstelling te minimaliseren (e) weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [werknemer] en/of [getuige 3] en/of [werknemer] en/of [werknemer] en/of [getuige 7] en/of andere werknemers ontstond of te verwachten was, zulks terwijl verdachte tot bovenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging ( en ) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feitelijke leidinggeven aan opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd . Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straf en/of maatregel Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 180 uren. Hierbij heeft de advocaat-generaal onder andere rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van twee en een half jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring te volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke geldboete of taakstraf met een proeftijd van één jaar. De raadsman heeft hierbij gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep en betoogd dat de rechtbank weliswaar rekening heeft gehouden met het lange tijdsverloop, maar niet is ingegaan op het verweer van de verdediging dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Ook pleiten de arbeidsomstandigheden van verdachte zelf, zijn algehele houding – zoals ook blijkt uit het reclasseringsrapport –, het ontbreken van eigen voordeel en het hebben van een blanco strafblad voor een dergelijke afdoening. Het oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. [bedrijf ] , het bedrijf waar verdachte als leidinggevende werkte, heeft jarenlang werknemers op de glasafdeling laten werken, terwijl zij werden blootgesteld aan te hoge concentraties formaldehyde. Deze gevaarlijke stof is per 1 januari 2016 als kankerverwekkend aangemerkt. Daarvoor was de stof al als Zeer Zorgwekkende Stof geclassificeerd. Ondanks waarschuwingen op bijvoorbeeld een chemiekaart en rapportages over de blootstelling aan te hoge concentraties formaldehyde op de afdeling “spinning en pulling”, is binnen het bedrijf geen actie ondernomen om de blootstelling op de werkvloer in kaart te brengen en adequate en doeltreffende maatregelen te nemen om deze te voorkomen dan wel te minimaliseren. Hierdoor zijn de werknemers van die afdeling jarenlang onnodig bij het arbeidsproces blootgesteld aan te hoge concentraties van deze gevaarlijke stof. Er zijn geen persoonlijke beschermingsmiddelen ingezet om de werknemers te beschermen en ook is geen voorlichting gegeven over het werken met formaldehyde. De meeste werknemers wisten niet dat deze stof vrijkwam bij het arbeidsproces en zij die het wel wisten werd verteld dat het geen kwaad kon. Pas in oktober 2017, na sluiting van de afdeling door de arbeidsinspectie, zijn de werknemers hierover ingelicht. Een arts die als deskundige heeft gerapporteerd over de risico’s van blootstelling aan formaldehyde en die daarover aanvullend vragen heeft beantwoord bij de rechtercommissaris, heeft verklaard dat blootstelling aan formaldehyde een risicofactor is voor neuskanker. Het kan jaren duren voordat deze ziekte zich openbaart. Of de betreffende werknemers ziek worden te De schade van de benadeelden De vordering van de benadeelde partijen De volgende oud-werknemers hebben zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces: [benadeelde partij 46] [benadeelde partij 47] [benadeelde partij 48] [benadeelde partij 36] [benadeelde partij 49] [benadeelde partij 38] [benadeelde partij 50] [benadeelde partij 51] [benadeelde partij 52] [benadeelde partij 13] [benadeelde partij 25] [benadeelde partij 53] [benadeelde partij 54] [benadeelde partij 55] [benadeelde partij 56] [benadeelde partij 57] [benadeelde partij 42] [benadeelde partij 58] [benadeelde partij 59] [benadeelde partij 60] [benadeelde partij 61] [benadeelde partij 62] [benadeelde partij 17] [benadeelde partij 63] [benadeelde partij 28] [benadeelde partij 64] [benadeelde partij 11] [benadeelde partij 65] [benadeelde partij 66] [benadeelde partij 10] [werknemer] [benadeelde partij 27] [benadeelde partij 67] [benadeelde partij 68] [benadeelde partij 16] [benadeelde partij 69] [benadeelde partij 4] [benadeelde partij 70] [benadeelde partij 72] [benadeelde partij 8] [benadeelde partij 73] [benadeelde partij 74] [benadeelde partij 75] [benadeelde partij 21] [benadeelde partij 76] [benadeelde partij 77] [benadeelde partij 78] [benadeelde partij 22] [benadeelde partij 79] [benadeelde partij 80] [benadeelde partij 81] [benadeelde partij 82] [benadeelde partij 31] [benadeelde partij 83] [benadeelde partij 5] [benadeelde partij 3] [benadeelde partij 84] [benadeelde partij 85] [benadeelde partij 86] [benadeelde partij 87] [benadeelde partij 88] [getuige 7] [benadeelde partij 45] [benadeelde partij 6] [benadeelde partij 43] [benadeelde partij 89] [benadeelde partij 90] [benadeelde partij 91] [benadeelde partij 92] [benadeelde partij 93] [benadeelde partij 94] [benadeelde partij 95] [benadeelde partij 96] [benadeelde partij 97] [benadeelde partij 98] [benadeelde partij 99] [benadeelde partij 41] [benadeelde partij 100] [werknemer] [benadeelde partij 19] [benadeelde partij 7] [benadeelde partij 101] [benadeelde partij 12] [benadeelde partij 35] [benadeelde partij 32] [benadeelde partij 44] [benadeelde partij 23] [benadeelde partij 30] [benadeelde partij 102] [benadeelde partij 103] [benadeelde partij 104] [benadeelde partij 105] [benadeelde partij 9] [benadeelde partij 106] [benadeelde partij 107] [benadeelde partij 108] [benadeelde partij 109] [benadeelde partij 110] [benadeelde partij 111] [benadeelde partij 112] [benadeelde partij 113] [getuige 3] [benadeelde partij 114] [benadeelde partij 115] De benadeelde partijen vorderen verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen voor geleden materiële en/of immateriële schade. Bij vonnis waarvan beroep zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding, op de grond dat het in de gelegenheid stellen de vorderingen, die gemotiveerd zijn betwist, nader te concretiseren en te onderbouwen tot een onevenredige belasting van het strafproces leidt. In hoger beroep heeft een aantal van de benadeelde partijen die zich in eerste aanleg hebben gevoegd door middel van een formulier laten weten de vordering te handhaven. De meesten van hen hebben de vordering echter niet gehandhaafd in zowel de zaak van verdachte als die van [medeverdachte] en vaak slechts één formulier betrekking hebbend op een van beide zaken ingediend. Het hof vat de indiening van het handhavingsformulier in die gevallen zo op dat de benadeelde partijen kennelijk hebben bedoeld de vordering in beide zaken te handhaven. In hoger beroep hebben de volgende benadeelde partijen hun vordering in beide zaken schriftelijk gehandhaafd: [benadeelde partij 7] [benadeelde partij 4] [benadeelde partij 8] [benadeelde partij 9] [benadeelde partij 10] [benadeelde partij 11] [benadeelde partij 12] [benadeelde partij 13] [benadeelde partij 14] R.H.F. [benadeelde partij 69] [benadeelde partij 16] [benadeelde partij 17] [benadeelde partij 5] [benadeelde partij 18] [werknemer] [benadeelde partij 19] [benad Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden . Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vorderingen tot schadevergoeding Bepaalt dat de benadeelde partijen zoals hiervoor bij naam genoemd die de vorderingen tot schadevergoeding in hoger beroep hebben gehandhaafd, niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte hun eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, mr. M.L. Plas en mr. T. Bertens, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier mr. Y.A. Hoekstra en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 januari 2026. Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 14 januari 2026. Tegenwoordig: mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, mr. M. Klappe, advocaat-generaal, mr. R. Jansen, griffier. De voorzitter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. De voorzitter sluit het onderzoek ter terechtzitting en spreekt het arrest uit. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de [inspectie 1] , Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van het onderzoek Lancaster met nummer 6640-2017-1730 van 3 oktober 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. SHEQ-handleiding [plaats 1] , pagina 1089-1091. Proces-verbaal van (1e) verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 26 juni 2018, pagina 39. Proces-verbaal van (1e) verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 26 juni 2018, pagina 40. Proces-verbaal van verhoor [getuige 5] d.d. 11 juli 2018, pagina 394; organogram ‘Manufacturing [plaats 1] , Netherlands’, pagina 1157; organogram ‘Manufacturing Europe’, pagina 1156. Proces-verbaal algemeen dossier Lancaster, pagina’s 5 en 6. Proces-verbaal zaaksdossier 1, pagina 114 onderaan. Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 19 maart 2018, pagina 321. Het proces-verbaal van verdenking d.d. 13 februari 2018, pagina 13 en 14. Het proces-verbaal analyse meetrapporten blootstelling [bedrijf ] , pagina 533-537; het rapport Luchtmetingen formaldehyde Spinning/Pulling [bedrijf ] in [plaats 1] d.d. 15 november 2008, pagina 738-752. Het rapport van [facilitair bedrijf] Formaldehydemetingen op de werkplek van [bedrijf ] oktober 2010 d.d. 7 oktober 2020 en bijlage 4 Chemiekaart formaldehyde, pagina 753-764. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Risico-Inventarisatie en -Evaluaties (RI&E’s) d.d. 22 mei 2018, pagina 546. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Risico-Inventarisatie en -Evaluaties (RI&E’s) d.d. 22 mei 2018, pagina 554. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Risico-Inventarisatie en -Evaluaties (RI&E’s) d.d. 22 m