ECLI:NL:OGEAC:2025:61
Parketnummer: 500.00158/24
Uitspraak: 29 januari 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2024 (inhoudelijke behandeling) en 8 januari 2025 (sluiting van het onderzoek). De verdachte is op 20 december 2024 verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.N. Sulvaran, advocaat in Curaçao.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. [benadeelde partij 1] heeft ook een vordering namens haar zoon [benadeelde partij 2] ingediend.
De officier van justitie, mr. W.J. de Graaf, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder de feiten 1 primair (medeplegen gekwalificeerde doodslag), 2 (vuurwapenbezit) en 3 (diefstal) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest.
De vordering houdt voorts in een gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van een bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde en ten aanzien van feit 1 subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:
Feit 1
primair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet (vanaf korte afstand) eenmaal met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en/of een afpersing tegen die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/ die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; (artikel 2:260 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto van het merk [merk 1] en/of een of meerdere mobiele telefoons en/of een of meerdere (gouden) kettingen en/of een gouden muntrand met gouden tientje en/of een (gouden) armband en/of een [spelcomputer], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s);
zich - voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt hoofd/gezicht en/of gewapend met een of meer vuurwapens - naar/in de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] (gelegen aan de [adres 1]) heeft/hebben begeven en/of;
(vervolgens) met een vuurwapen op en/of in de richting (van het lichaam) van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten en/of;
(vervolgens) die [benadeelde partij 1]bij haar shirt heeft/hebben vast gepakt en tegen die [benadeelde partij 1] heeft hebben gezegd/geschreeuwd: "waar is het geld" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking) om vervolgens die [benadeelde partij 1] op de grond te laten vallen / gooien en/of;
de betreffende woning heeft/hebben doorzocht en/of (alles) overhoop heeft/hebben gehaald) en/of;
(vervolgens) met zijn hand de mond van die [benadeelde partij 1] dicht heeft/hebben gehouden en/of vervolgens tegen die [benadeelde partij 1] heeft hebben gezegd/geschreeuwd: "stil blijven" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking) en/of;
een vuurwapen op/in het lichaam die [benadeelde partij 1] gericht, althans een vuurwapen aan die [benadeelde partij 1] heeft getoond en/of een vuurwapen tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft gericht/vastgehouden en/of;
(vervolgens) die [benadeelde partij 1] heeft/hebben vast gepakt en/of meegetrokken en/of vervolgens tegen die [benadeelde partij 1] heeft hebben gezegd/ geschreeuwd; "waar zijn de sleutels" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking)
ten gevolge van welk(e) bovenomschreven feit(en) die [slachtoffer 1] is overleden (art. 2:291 lid 3 Wetboek van Strafrecht
Feit 2
hij op of omstreeks 31 mei 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;
(artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Feit 3
primair
hij op of omstreeks 5 mei 2024, althans in de maand mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een motorfiets van het merk [merk 2] model [model 1] (voorzien van het kentekennummer [kentekennummer 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s); (artikel 2:288 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 5 mei 2024 tot en met 7 juni 2024 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een of meerdere motorfietsen, waaronder een motorfiets van het merk [merk 2] model [model 1] (voorzien van het kentekennummer [kentekennummer 1]) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde motorfiets(en) wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof
(artikel 2:397-1a/399-la Wetboek van Strafrecht).
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde
Het Gerecht is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte de motorfiets heeft gestolen of geheeld.
Verdachte ontkent de motorfiets te hebben gestolen dan wel geheeld. Er is slechts de verklaring van de oom van de verdachte, [getuige 1], die woont op het terrein waar de motorfiets in een leegstaande woning is aangetroffen. [getuige 1] heeft op 7 juni 2024 verklaard dat “volgens hem” zijn neven [verdachte] en [belanghebbende 1] de motorfiets in de woning hebben verstopt omdat het veel geluid maakt, dat ze het ’s avonds uit de woning duwen en verderop starten, en dat hij denkt dat ze het zes weken geleden daar hebben bewaard. Ondersteunende bewijsmiddelen zijn er naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 primair
hij op 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een
anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet (vanaf korte afstand) met een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededaders straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
Feit 2
hij op 31 mei 2024 in Curaçao tezamen en in vereniging met anderen, vuurwapens en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
Ten aanzien van de feiten 1 primair en 2:
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 1]:
Op 31 mei 2024 rond 23:25 uur zaten wij op de achter porch en wij hoorden de krabpaal van de katten omvallen. [slachtoffer 1], mijn man, liep naar de woonkamer. Ik hoor een mannenstem “hey” zeggen en daarna hoor ik een schot. Ik zie [slachtoffer 1] vallen en zag drie personen en die zijn alle kamers afgegaan. Eentje kwam naar mij toe, greep me bij mijn shirt en vroeg voor geld. Hij is verder gegaan en kort daarna komt diezelfde dader terug. Hij plaatst zijn hand op mijn mond en ik zag dat deze dader zwarte wollen handschoenen droeg.
Op een gegeven moment dacht ik dat ze weg waren. Toen kwamen ze nog een keer terug. Hij heeft mij weer opgepakt en vroeg waar de sleutels waren. Toen had ik de heksleutels en die van de auto aan hem gegeven. Ik kon niks, zijn telefoon was ook weg.
Weggenomen goed: [auto van het merk 1], mobiele telefoon merk [merk 3], mobiele telefoon merk [merk 4].
2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 1]:
Er zijn meer spullen weg:
Gouden ketting met hanger;
Gouden armband.
Ten tijde van de overval was mijn zoon [benadeelde partij 2] in zijn slaapkamer. Ik heb later aan hem gevraagd of hij wat gezien had. Hij was wakker geworden van een knal. Hij zag dat iemand zijn kamer doorzocht. [benadeelde partij 2] heeft gedaan alsof hij sliep.
Op het moment dat de inbrekers terugkwamen, nadat ze voor de eerste keer weg waren gegaan, zag ik 1 persoon op mij aflopen met een pistool in zijn rechterhand op mij gericht.
3. Een geschrift, te weten een kopie van een autopsierapport d.d. 4 juni 2024, opgesteld door dr. L. Althaus, forensisch patholoog, voor zover inhoudende:
Autopsy [slachtoffer 1]
Conclusions:
1. perforating (“in-out”) gunshot trajectory could be found on the body:
Slightly ascending gunshot (ca. 5-10 degrees) from the frontal left to the right back with entry on the lower left frontal thorax below the 12. rib, perforating the diaphragm on both sides, lacerating the bottom side of the liver and perforating the right lobe of the liver including the liver root, containing the big vessels of the liver (liver artery and liver veins) and causing a contusion of the lower lobe of the right lung with exit on the posterior thorax between the ribs 10 and 11.
Cause of death:
Internal bleeding to death due to a gunshot.
4. Een proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte], bijgenaamd [verdachte]:
Toen [medeverdachte 1] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) mij kwam ophalen zat hij samen met 1 andere persoon (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) in de pick-up.
Gezichtbedekking hadden ze al op.
Bij een snack of minimarket tegenover de kerk van [plek] hebben we de 4e verdachte opgehaald Ik ken hem goed, zijn bijnaam is [medeverdachte 3]. Zijn achternaam is iets van [achternaam van medeverdachte 3]. [Medeverdachte 3] sprong achter in de pick-up. Vraag: wat was de rol van [medeverdachte 3]? Antwoord: [medeverdachte 3] moest de pick-up besturen.
We reden naar de locatie van de te beroven woning. We parkeerden in een zijstraat. We sprongen met ons drieën uit de auto. We zijn toen rennend naar de woning gegaan.
Ik zag dat er 2 auto’s stonden. Ik zag het slachtoffer op de grond liggen Ik liep steeds van de voorporch naar de achterporch.
5. Een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 17 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte], bijgenaamd [verdachte]:
V: Wie was verantwoordelijk voor de besluitvorming bij de overval?
A: Niemand. De bedoeling was gewoon geld en sieraden, iedereen zoekt mee en dan weg.
V: Welke persoon had het laatste woord als er iets beslist moest worden?
A: Ook hier niemand. We waren gelijkwaardig in alles.
6. Een proces-verbaal van 6e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 30 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte], bijgenaamd [verdachte]:
0: De ene man bleef bij de vrouw, terwijl de andere de kamers doorzocht.
V: Met wat was je op dat moment bezig geweest?
A: Ik bleef de hele tijd bij de man (het slachtoffer).
Af en toe liep ik naar de ingang op de uitkijk. Een van de jongens zei dat we moesten vertrekken, maar ze bleven zoeken totdat ze een sleutel hadden gevonden.
V: Met welk bedoeling was je binnen gebleven?
A: Ik nam alles in gaten, en zorgde ook ervoor dat de vrouw de politie niet belt.
7. Een proces-verbaal van horen bij inverzekeringstelling d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:
Ik beken dat ik betrokken was bij het voorval en dat ik degene was die de man had geschoten.
8. Een proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
De dag van het gebeurde waren wij naar [adres 1] geweest. Wij rennen daarnaar toe en sprongen over de afrasteringsdeur op het erf. Ik was vergezeld van [medeverdachte 2] en [verdachte] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte]) de woning binnen geweest. Toen ik over het hek sprong had ik een vuistvuurwapen in mijn rechterhand. [medeverdachte 2] hield ook een vuistvuurwapen in zijn hand. Wij zagen dat de deur van de woning open was. We liepen met ons drieën de woning binnen. Ik liep alleen naar een slaapkamer. [Medeverdachte 2] en [verdachte] waren in een andere richting geweest. Toen het schot afging zag ik dat deze man zijn hand richting zijn borst zette. Ik zag dat hij op de grond viel. Ik heb een sleutel van een auto van het slachtoffer genomen. En een afstandsbediening. We reden met de auto weg.
Vraag: waar hadden jullie elkaar ontmoet op 31 mei? Ik was [medeverdachte 2] gaan zoeken en ik was samen met hem naar de woning van [verdachte] gegaan. Daarna zijn we met ons drieën naar de Chinees voor de kerk van [plek] geweest. Dit hebben wij gedaan op aanwijzing van [verdachte] om een vierde persoon op te halen, een kennis van [verdachte]. Ik ken hem bij aanzicht. Ik hoorde [verdachte] hem “[medeverdachte 3]”(het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3]) noemen. Vraag: waarom moesten jullie [medeverdachte 3] opzoeken? Antwoord: zodat hij de pick-up kon besturen.
Ik was de eerste zijweg rechts van de [adres 2] ingereden. Ga je een heuveltje op. Het was min of meer achter de woning [adres 1]. Ik was daar gestopt en stapte uit. Hierna wist “[medeverdachte 3]” al dat hij het stuur moest overnemen. Dit had [verdachte] al met hem afgesproken. We liepen met ons drieën samen. Ik sprong als eerste over de afrastering, daarna [medeverdachte 2] en als laatste [verdachte].
We bleven naast de auto’s op [verdachte] wachten. Daarna waren ik en [medeverdachte 2] de woning als eerste binnen gelopen en direct na ons was [verdachte] binnen gekomen.
Vraag: wat heb je met het vuurwapen dat je tijdens deze beroving gebruikt gedaan? Antwoord: deze vuurwapen werd ook door de politie in beslaggenomen. Dit werd door de politie aangetroffen toen [medeverdachte 2] werd aangehouden. Vraag: Waar lag deze vuistvuurwapen? Antwoord: het lag in een zwarte tas. Ik had het op een raam achtergelaten. Het was een zwart vuurwapen waarop "[merk 5]" was geschreven.
Aan de verdachte [medeverdachte 1] werden twee foto’s getoond waarop de aangetroffen vuurwapens tijdens huiszoeking te [adres 3] staan afgebeeld.
Vraag: welke van deze vuurwapens is van jou? Antwoord: ik herken het vuurwapen afgebeeld op foto nummer 2 als het vuurwapen welke ik daar had achtergelaten. Het is ook dezelfde vuurwapen welke ik tijdens de beroving met dodelijke afloop te [adres 1] had gebruikt om de bewoner neer te schieten.
9. Een proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Vraag: was je bij [medeverdachte 2] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) op de dag dat hij bij de [adres 3] werd aangehouden? Antwoord: ja, ik was samen met [medeverdachte 2]. Het vuurwapen dat ik bij de overval te [adres 1] had gebruikt lag bij het raam naast de sofa waarop ik zat. Het andere vuurwapen is van [medeverdachte 2].
Ik heb mijn vuurwapen geladen toen ik in de kamer aankwam. Ik wist dat er personen thuis moeten zijn.
Wij hadden allemaal een vuurwapen. [verdachte] had ook een vuurwapen bij zich. Vraag: had je [verdachte] met een vuurwapen tijdens deze beroving gezien? Antwoord: ja, het was geen revolver. Het was een pistool.
Vraag: hoe vaak reed jij voor de woning [adres 1]? Ik had een scooter en de pick-up gebruikt. Een dag voor het incident en de dag van het incident was ik langs gereden om de situatie bij de woning te bezichtigen. In totaal vier (4) keer. Ik wou gewoon weten hoeveel mensen er daar aanwezig was en of ik kon misschien kon zien wie ik zal tegenkomen tijdens de beroving.
10. Een proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Vraag: wat zou het plan zijn als het schot niet afging? Antwoord: we zouden dan te voet vertrekken om [medeverdachte 3] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3]) te ontmoeten nabij de plaats van de Haïtianen. [Verdachte] had verteld dat [medeverdachte 3] daar zou wachten. [verdachte] had verteld dat [medeverdachte 3] ons zal afzetten en ophalen.
11. Een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
De twee zakken munitie aangetroffen tijdens de zoeking te [adres 3] zijn van mij.
12. Een proces-verbaal van zoeking [adres 3]d.d. 9 juni 2024, voor zover inhoudende:
Op 9 juni 2024 werd de woning adres [adres 3] binnengetreden ter aanhouding van de verdachte [medeverdachte 2]. Tijdens de zoeking werden verschillende voorwerpen aangetroffen:
Sofa
Een zwarte tas met een zwart vuistvuurwapen met 15 scherpe patronen in de patroonhouder.
Raam
Een zwart vuistvuurwapen met 18 scherpe patronen in de patroonhouder.
Nabij deur naar achteren
Een zak inhoudende 51 scherpe patronen en een zakje inhoudende 16 scherpe patronen.
13. Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 1 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [merk 5] model [model 1] samen met 18 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
14. Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 1 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het op 9 juni 2024 op [adres 2] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [merk 5] model [model 2] samen met 15 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
15. Een proces-verbaal van 2e verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3], bijgenaamd [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3]:
[verdachte] had mij gezegd om naar de Toko voor de Rooms Katholieke Kerk van [plek] te gaan. Dit had ik ook gedaan. Hierna kreeg ik een telefoontje binnen. Het was [verdachte] die mij had opgebeld. [verdachte] die zei tegen mij om naar de pick-up te komen !open. [verdachte] zat bij de mede inzittende zitting. lk zag dat [medeverdachte 1] achter het stuur van deze pick-up zat. [verdachte] heeft mij dan gevraagd om eventjes met hun mee te gaan. Aangezien er geen zitting plaats meer in de pick-up was, ging ik in de laadbak van deze pick-up zitten.
De pick-up reed op een weg waar wij een heuveltje op moest rijden. Ze hebben de pick-up bij een T-kruising geparkeerd. lk had dan uit de laadbak uitgestapt lk ging achter het stuur van de pick-up zitten.
lk zag dat ze met z'n drieën wegliepen.
Onderweg zag ik dat één van de personen die zonet uit de pick-up was gestapt over de afrastering van een woning aan het springen was.
16. Een proces-verbaal van 1e verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 15 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3], bijgenaamd [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3]:
Vraag: en wat was uw reactie op het feit dat u twee mensen in de auto ziet zitten met hoofd bedekkende stof en 1 persoon die u helemaal niet kon zien? Antwoord: ik dacht op dat moment wel dat er iets mis was. Dat ze iets gingen doen wat niet goed was.
17. De verklaring die de verdachte [medeverdachte 2] als getuige ter terechtzitting van 20 december 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik betrokken was bij de overval op de woning van de familie [benadeelde partij 1] op 31 mei 2024. Ik probeerde de poort open te krijgen. Ik nam sleutels van hem over om de poort open te krijgen en hij startte de auto. Ik had een vuurwapen bij me. Toen [verdachte] langs me liep om het huis binnen te gaan had hij een vuurwapen in zijn hand. Ik was op de dag van mijn aanhouding 9 juni 2024 in de woning op [adres 3]. Ik was daar met [medeverdachte 1]. Ik had die dag mijn vuurwapen bij me. Sinds het incident hield ik het vuurwapen bij me.
Bewijsoverwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, stelt het Gerecht de volgende gang van zaken vast.
In de avond van 31 mei 2024 zijn vier jongemannen [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in een pick-up op dievenpad gegaan. Daarbij was op voorhand een adres uitgekozen waar wat te halen zou vallen. [medeverdachte 1] verklaart in dit verband dat een beroving het plan was en dat hij daarom een vuurwapen meenam.
[medeverdachte 1] heeft meteen bij de politie verklaard dat hij degene is geweest die op het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft geschoten.
Op de dag ervoor en op de dag zelf heeft [medeverdachte 1] meerdere malen de (omgeving van de) woning voor verkend. Hij wou, zoals hij zelf heeft verklaard, weten hoeveel mensen er aanwezig waren en of hij misschien kon zien wie hij zal tegenkomen tijdens de beroving.
Eenmaal ter plaatse die bewuste avond zijn [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] met gemaskerde gezichten uit de pick-up gestapt en naar de bewuste woning gerend. [medeverdachte 3] nam plaats achter het stuur van de pick-up en reed weg. Bij het wegrijden passeerde [medeverdachte 3] de woning en zag één van de mannen over de afrastering springen.
Omdat beide auto’s van de bewoners in de carport stonden en de deur van de woning open stond moet het voor de verdachten duidelijk zijn geweest dat de bewoners thuis waren. [medeverdachte 1] verklaart in dit verband expliciet dat hij wist dat er personen thuis moesten zijn en dat hij zijn vuurwapen, eenmaal aangekomen in de kamer waar hij niemand aantrof, daarom geladen heeft.
Uit de verklaringen van aangeefster, [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkt dat alle drie verdachten de woning zijn binnen gegaan en dat zij alle drie, aldus [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], beschikten over een vuurwapen. De verklaringen van [medeverdachte 2] dat hij niet in de woning is geweest respectievelijk van [verdachte] dat hij geen vuurwapen had worden daarom als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
De verdachten werden betrapt door de bewoners en in een confrontatie heeft [medeverdachte 1] een schot gelost op het slachtoffer [slachtoffer 1]. De echtgenote van [slachtoffer 1] is bedreigd met een vuurwapen en, onder toepassing van geweld, gevraagd naar geld. Alle drie verdachten hebben de woning doorzocht op zoek naar te stelen spullen en daarbij ook de slaapkamer waar het zoontje sliep niet ongemoeid gelaten. Daarbij zorgde verdachte ervoor dat de politie niet kon worden gebeld. Uiteindelijk zijn zij er met zijn drieën met onder meer een auto en diverse sieraden vandoor gegaan.
Gekwalificeerde doodslag
De kern van deze strafbaarstelling bestaat uit een doodslag die in een onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft. Het andere feit (oorsprongsfeit) moet de doodslag in zo’n mate vergezellen of van nabij volgen of daaraan voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het (bijkomende) oogmerk van verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijk maken van of straffeloosheid of bezit van het gestolene verzekeren voor dat andere oorsprongsfeit.
Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het Gerecht worden afgeleid dat de doodslag in onmiddellijk verband staat met de diefstal met geweld, causaal en qua tijdstip. Het Gerecht kan aan het handelen van de verdachte [medeverdachte 1] geen andere conclusie verbinden dan dat hij met het doden van het slachtoffer [slachtoffer 1] het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk heeft gehad de diefstal gemakkelijk te maken dan wel straffeloosheid of het bezit van de weggenomen goederen te verzekeren. Immers, ook nadat het slachtoffer was neergeschoten, vervolgden verdachten hun plan door de kamers te doorzoeken en de echtgenote van het slachtoffer met (bedreiging met) geweld om geld en autosleutels te vragen.
Medeplegen
Het gezamenlijke voornemen was om te gaan stelen in de woning van de familie [benadeelde partij 1]. De drie verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben daartoe hun gezichten bedekt en zich bewapend met vuurwapens, waarvan zij over en weer op de hoogte waren.
Zij zijn gezamenlijk de woning binnengegaan en hebben ook nadat het dodelijke schot was gevallen de uitvoering van het beoogde misdrijf voortgezet en voltooid.
Alles overziend is het Gerecht dan ook van oordeel dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het feit en nauw en volledig heeft samengewerkt met de medeverdachten.
Voorwaardelijk opzet
Het Gerecht is voorts van oordeel dat niet alleen de schutter [medeverdachte 1] maar ook [verdachte] en [medeverdachte 2] aldus voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1].
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier (gekwalificeerde) doodslag - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De verdachte en de twee medeverdachten zijn voorzien van vuurwapens het huis binnen gegaan om daar te stelen, wetende dat de bewoners thuis waren. De kans op een confrontatie met of verzet van de bewoners en dat in reactie daarop met één van de vuurwapens kan worden geschoten en het slachtoffer dodelijk kan worden getroffen, is aanmerkelijk te noemen. Dat alle drie verdachten deze kans ook bewust hebben aanvaard of op zijn minst op de koop toe hebben genomen volgt onmiskenbaar uit de bewijsmiddelen.
Het Gerecht acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder feit 1 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:260 juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van gekwalificeerde doodslag.
Het onder feit 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een gekwalificeerde doodslag als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren gegeven en voor vuurwapenbezit op straat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 tot 24 maanden (bij recidive dezelfde duur geheel onvoorwaardelijk).
De verdachte heeft in de late avond van 31 mei 2024 samen met anderen meegedaan aan een gewapende overval op een woning. De overvallers werden betrapt door de bewoners en één van de medeverdachten schoot met een vuurwapen op de mannelijke bewoner. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten, op meedogenloze wijze, gewoon doorgegaan met het uitvoeren van hun plan. Daarbij heeft de echtgenote machteloos moeten toezien hoe haar man lag te sterven, terwijl ze weerhouden werd om hulp te verlenen en ze zelf ook in doodsangst verkeerde. Hun elfjarige zoontje lag in bed, en heeft het schot gehoord, maar heeft zich uit angst slapende gehouden. Uiteindelijk zijn de verdachte en zijn mededaders er onder meer met een auto, telefoons en sieraden vandoor gegaan. Tot slot heeft de verdachte vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Dat vuurwapens gevaarlijk zijn behoeft geen betoog en het gevaar heeft zich in deze beide zaken op gruwelijke wijze verwezenlijkt. Door het gedrag van de verdachte is aan het dodelijke slachtoffer het meest kostbare bezit van een mens -het leven- ontnomen en aan de nabestaanden onbeschrijflijk verdriet toegebracht. Hoe pijnlijk het verlies van een dierbare als gevolg van een misdrijf kan zijn bleek toen ter terechtzitting de echtgenote van het slachtoffer het woord voerde. Het leed dat zij beschreef was voelbaar. Een dergelijk feit schokt de samenleving en veroorzaakt gevoelens van angst en onrust.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht heeft acht geslagen op de rapporten die over de verdachte zijn opgemaakt:
Een psychologisch rapport van drs. H.W.T. Linkels en S. Wichard MSc d.d. 16 december 2024;
Een rapport van de psychiater F.G.M. Heijtel d.d. 12 december 2024;
Een rapport van de Reclassering d.d. 18 december 2024.
Volgens de deskundigen zijn er geen aanwijzingen voor een psychische stoornis en is de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidice wordt door de psychologen als matig ingeschat. De psychiater onthoudt zich van een uitspraak over de recidivekans omdat hij dit lastig kan inschatten door het blanco strafrechtelijk verleden van betrokkene. De reclassering acht de kans op recidive als reëel aanwezig.
De raadsvrouw heeft het Gerecht, gezien de hoogte van de strafeis, verzocht om empathie te betrachten voor de verdachte die kansarm is opgegroeid en, volgens haar, een product is van onze maatschappij. Hoge straffen lossen de sociaaleconomische problemen niet op en bewerkstelligen geen preventie of vermindering van criminaliteit, aldus de raadsvrouw.
Het Gerecht heeft oog voor armoede en andere moeilijke omstandigheden waarin de verdachte en anderen opgroeien en die de verleiding groot kunnen maken het verkeerde pad te kiezen, maar dat kan naar het oordeel van het Gerecht nimmer een rechtvaardiging zijn voor crimineel gedrag als het onderhavige. In zoverre is de persoonlijke levenssituatie voor het Gerecht dan ook geen aanleiding voor matiging van de strafduur.
Het Gerecht rekent verdachte en zijn medeverdachten zwaar aan dat zij meedogenloos door zijn gegaan met hun plan, nadat het slachtoffer was neergeschoten en vocht voor zijn leven, en terwijl de echtgenote er door verdachten van werd weerhouden om naar haar geliefde toe te gaan en de politie te bellen.
Het Gerecht houdt in strafmatigende zin rekening met het blanco strafblad en de nog jonge leeftijd van de verdachte. Hij was ten tijde van het schietincident 25 jaar oud.
Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren passend en geboden.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De volgende posten zijn opgevoerd tot een totaal van NAf 42.642,35,:
NAf 21.120,= gestolen sieraden, ;
NAf 429,90 reparatie [telefoon 1];
NAf 645,58 waarde gestolen motor;
NAf 447,17 [spelcomputer];
NAf 20.000,= voorschot immateriële schade.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder feit 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Dit betreft de posten 1, 2 en 4. Het Gerecht stelt vast dat deze schade, met uitzondering van de emotionele schade als gevolg van het verlies van de sierraden, genoegzaam met stukken is onderbouwd. De vordering, die niet inhoudelijk door de raadsvrouw is betwist, komt dan ook in zoverre voor toewijzing in aanmerking.
Dat is anders voor de vordering voor zover deze post 3 betreft nu deze betrekking heeft op schade als gevolg van diefstal van een motor, waarvan verdachte is vrijgesproken.
De totaal toegewezen materiële schade bedraagt daarmee NAf 18.210,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Voor het overige zal de vordering, voor zover het materiele schade betreft, niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voor de gevorderde immateriële schade geldt het volgende. Mevr. [benadeelde partij 1] heeft een gewelddadige overval in haar woning meegemaakt waarbij haar echtgenoot is doodgeschoten en voor haar ogen is gestorven. Ook mevr.
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 3 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 16 (zestien) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 226 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] namens [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 20.000,= (zegge: twintigduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] namens [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 20.000,= (zegge: twintigduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komen te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan het Land in zoverre komen te vervallen;
bepaalt ten aanzien van de vorderingen, voor zover toegewezen, dat indien en voor zover (een van) de mededader(s) van de verdachte voormelde bedragen heeft betaald aan de benadeelde partijen of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen of aan het Land.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. H.R. Bracht, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 29 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 22 augustus 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Reiger” en de aanvulling daarop d.d. 27 oktober 2024.
Verklaring van de getuige ter terechtzitting van 20 december 2024, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.