Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2019-03-29
ECLI:NL:RBAMS:2019:4205
Civiel recht
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 7293002 CV EXPL 18-23275 vonnis van: 29 maart 2019 fno.: 515 vonnis van de kantonrechter I n z a k e 1. [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] , 3. [eiser sub 3] , 4. [eiser sub 4] , 5. [eiser sub 5] , 6. [eiser sub 6] , 7. [eiser sub 7] , 8. [eiser sub 8] , 9. [eiser sub 9] , 10. [eiser sub 10] , allen wonende te [woonplaats] , eisers, nader te noemen: [eisers] , gemachtigde: G.C. Zijlstra, t e g e n de besloten vennootschap CAMELOT BEHEER B.V., gevestigd te Eindhoven, gedaagde, nader te noemen: Camelot Beheer, gemachtigde: mr. J.M.M. Menu. dagvaarding van 11 oktober 2018, met producties; antwoord; instructievonnis; repliek; dupliek; dagbepaling vonnis. GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. [eisers] zijn in de periode van november 2017 tot januari 2018 een huurovereenkomst aangegaan voor een woonruimte in het Wasa-complex, gelegen aan de [locatie] te [woonplaats] . 1.2. Het Wasa-complex bestaat uit 358 kleine woningen, hoofdzakelijk bedoeld voor studenten, jongeren en statushouders. 1.3. Camelot Beheer is ontwikkelaar van het complex en de woningen worden door Camelot Beheer verhuurd. 1.4. In artikel 5 van de huurovereenkomst van [eisers] is een bedrag van € 202,50 opgenomen wegens toegang tot en onderhoud van Mycastle en € 100,00 wegens schoonmaakkosten. 1.5. Bij brief van 23 april 2018 heeft de gemachtigde van [eisers] aan Camelot Beheer verzocht om aan ieder van [eisers] € 302,50 terug te betalen. In de brief wordt vermeld dat in de visie van [eisers] sprake is van een onredelijk beding als bedoeld in artikel 7:264 lid 1 van hert Burgerlijk Wetboek (BW). 1.6. Camelot Beheer is niet overgegaan tot betaling. Vordering 2. [eisers] vorderen een verklaring voor recht dat de bedingen waarop Camelot Beheer zich beroept onredelijk zijn en nietig worden verklaard. Verder vorderen [eisers] veroordeling van Camelot Beheer tot betaling van € 302,50 aan ieder van [eisers] met veroordeling van Camelot Beheer in de buitengerechtelijke kosten van € 517,28 en de wettelijke rente per 9 juli 2018, alles met veroordeling van Camelot Beheer in de kosten van dit geding. [eisers] stellen hiertoe, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang het volgende. In beide gevallen is sprake van een onredelijk beding als bedoeld in artikel 7:264 lid 1 BW. De kosten van Mycastle dient Camelot Beheer te bestrijden uit haar eigen exploitatie. Het is de eigen keuze geweest om digitaal met [eisers] te communiceren en voor de toegang van een dergelijk systeem behoort de huurder geen bijdrage te betalen. Het verhuren van woonruimte brengt nu eenmaal kosten met zich mee en die dient Camelot Beheer te bestrijden uit de huuropbrengst. Camelot Beheer kan deze niet middels een eenmalige bijdrage bovenop de huurprijs aan [eisers] in rekening brengen. Dat is onredelijk, aldus [eisers] . Voor zover er de mogelijkheid bestaat middels dit systeem klachten te melden, rust op Camelot Beheer als verhuurder de verplichting te reageren op de meldingen van de huurders. Daarvoor is een digitaal platform niet noodzakelijk. Met betrekking tot de schoonmaakkosten voeren [eisers] aan dat zij niet hoeven te betalen voor het professioneel reinigen van het gehuurde. Verweer 3. Camelot Beheer betwist de vorderingen van [eisers] en voert daartoe het volgende aan, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang. Op grond van de heersende leer inzake artikel 7:264 lid 1 BW hanteren [eisers] een onjuiste nietigheidstoets, aldus Camelot Beheer. Niet doorslaggevend is of in dit geval niet of het primaire belang van [eisers] wordt gediend, maar moet worden getoetst of tegenover het bedongen voordeel geen of een te verwaarloosbare tegenprestatie staat. In dit geval moet dus worden getoetst of en welke tegenprestatie Camelot Beheer heeft verricht in ruil voor de bedongen kosten van € 202,50 voor Mycastle en € 100,00 voor de schoonmaakkosten en subsidiair moet getoetst worden in hoeverre partijen daarbij over en weer gebaat zijn. Bij die toets moet vooral worden meegewogen dat Camelot Beheer geen corporatie of toegelaten instelling is, maar een private onderneming die op commerciële wijze een investering tracht terug te verdienen. Mycastle is een portal, speciaal ontwikkeld voor Camelot Beheer en dient als persoonlijke website voor de huurders. De huurders hebben er baat bij dat zij gebruik kunnen maken van deze dienst. De reinigingskosten zijn ook niet onredelijk. [eisers] zijn erbij gebaat dat aan het eind van de huurovereenkomst een professionele schoonmaak plaatsvindt en onredelijk is het evenmin, nu het bedrijf hogere schoonmaakkosten aan Camelot Beheer berekent. 4. De vraag ligt voor of de bedingen die Camelot Beheer in de huurovereenkomst heeft opgenomen, waarin is bepaald dat [eisers] een éénmalige vergoeding van € 202,50 voor Mycastle en € 100,00 voor schoonmaakkosten verschuldigd zijn, in strijd is met artikel 7:264 lid 1 BW. Dat artikel bepaalt dat elk in verband met de totstandkoming van een huurovereenkomst betreffende woonruimte gemaakt beding, niet de huurprijs betreffende, voor zover daarbij ten behoeve van een der partijen een niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, nietig is. 5. Bij beantwoording van voornoemde vraag dient tot uitgangspunt het criterium dat de Hoge Raad in zijn arrest van 6 april 2012 heeft geformuleerd: “Hoewel partijen bij het aangaan van een huurovereenkomst in beginsel vrij zijn om een voordeel voor zichzelf te bedingen zonder dat daar een prestatie tegenover staat, stelt art. 7:264 lid 1 BW grenzen aan die vrijheid om de partijen tegen misstanden bij het aangaan van de huurovereenkomst te beschermen (Kamerstukken II 1976/77, 14 175, nr. 3, p. 31). Daarbij moet met name gedacht worden aan de situatie waarin bij het aangaan van de huurovereenkomst de ene partij — veelal de aspirant-huurder — ten opzichte van de andere partij niet in een voldoende gelijkwaardige positie verkeert om te voorkomen dat een dergelijk door die wederpartij voorgesteld beding in de huurovereenkomst wordt opgenomen. Met het oog op de effectiviteit van de bescherming die art. 7:264 lid 1 tegen dergelijke situaties biedt, moet als uitgangspunt worden genomen dat van ‘een niet redelijk voordeel’ sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat onderdeel 2.1 dat op een andere uitleg van art. 7:264 lid 1 berust, faalt. (…) Onderdeel 2.2. faalt omdat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door bij de beoordeling van de redelijkheid van de op grond van het onderhavige beding aan de huurder in rekening gebrachte kosten, de werkzaamheden die aan corporaties/toegelaten instellingen in art.11 BBSH zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen op het terrein van de volkshuisvesting vervullen, als gezichtspunt in aanmerking te nemen. 6. De ratio van artikel 7:264 lid 1 BW is gelegen in de beschermingsgedachte van de aspirant huurder ten opzichte van de verhuurder. Het is vaste rechtspraak dat kosten die geacht worden inherent te zijn aan de normale woningexploitatie, niet (extra) afzonderlijk aan de huurders in rekening kunnen worden gebracht. De kantonrechter volgt niet de conclusie van Camelot Beheer dat de Hoge Raad in zijn arrest van 6 april 2012 dit uitgangspunt heeft genuanceerd, in die zin dat bij de beoordeling van de vraag of het kosten betreft die extra in rekening gebracht mogen worden aan huurders een onderscheid gemaakt moet worden tussen toegelaten instellingen en verhuurders in de geliberaliseerde sector. 7. De kosten waarvoor de Mycastle bijdrage een vergoeding geven houden volgens Camelot Beheer verband met een speciaal voor haar ontwikkeld portal. Het is een persoonlijke website voor de huurders die aan de verschillende Camelot IT-systemen is gekoppeld, zowel operationele als financiële. Als er vragen zijn van de huurder kan deze ze via Mycastle stellen. Deze systemen worden binnen de Camelot Europe organisatie door een eigen ICT afdeling draaiende gehouden en onderhouden en dat heeft een bepaalde kostprijs. In de Mycastle-bijdrage zijn tevens de specifieke administratieve handelingen inbegrepen die Camelot Beheer heeft verricht. Dat ziet volgens Camelot Beheer op de volgende handelingen. Wervings- en advertentiekosten; Onderhoud en beheer website (wervingsdeel) Inrichten modelwoning voor bezichtiging; Voeren persoonlijk intakegesprek Plannen en uitvoering bezichtiging Opstellen huurcontract Verwerking persoonlijke gegevens in huurcontract en administratie; Aanmaken huurdersaccount t.b.v. online portaal (info, storingen e.d.); Opstellen en drukken informatiemateriaal en brochures; Uitvoeren kredietwaardigheidscheck; Vaste kosten externe credit check; Opmaken opnamestaat dat aan contract is gehecht; Sleuteloverhandiging en programmeren/beheren ILOQ sleutelsysteem; Mutaties wachtlijstsysteem; Opstellen en invoeren huuradministratiesysteem; Beheer- en onderhoudsregistratie; Research en controleren van stukken, waaronder identiteitsbewijzen en inkomensgegevens; inspectie aanvang huur; Inspectie einde huur Opleveringsstaat einde huur; Opstellen, bespreken en toelichten huisregels; Verwerken en administreren opzegging en bevestiging aan huurder. 8. De kantonrechter is met [eisers] van oordeel dat genoemde kosten uitsluitend dan wel in overwegende mate het belang van Camelot Beheer als verhuurder dienen. Zij worden geacht inherent te zijn aan de normale woningexploitatie en dienen derhalve uit de huurprijs bestreden te worden. Daarom mogen zij niet afzonderlijk aan de huurder in rekening gebracht worden. Het enkele feit dat Camelot Beheer niet handelt in hoedanigheid van toegelaten instelling, maakt zoals hiervoor al is overwogen, dit oordeel niet anders. Het enkele gegeven dat Camelot Beheer voor de werkzaamheden een digitaal platform heeft ingericht, maakt een en ander ook niet anders, nog daargelaten dat een belangrijk deel van de hiervoor genoemde activiteiten geen enkel verband houdt met het digitale platform. 9. Een en ander brengt mee dat het in rekening brengen van de onder hiervoor genoemde kosten onder de noemer MyCastle een niet redelijk voordeel als bedoeld in artikel 7:264 BW oplevert. Het beding op grond waarvan [eisers] een bedrag € 202,50 verschuldigd zijn levert in zoverre een niet redelijk voordeel op en is nietig. De vordering van een verklaring voor recht is in zoverre toewijsbaar. 10. Bij de schoonmaakkosten geldt evenzeer dat bij de beoordeling van belang is of de huurder is gebaat is bij de prestatie waarvoor door de verhuurder kosten in rekening worden gebracht. 11. Het hof heeft in zijn arrest dat vooraf ging aan het bovenbedoelde arrest van de Hoge Raad (Hof Amsterdam 29 juni 2010, WR 2011, 32) in verband daarmee overwogen (r.o. 3.5 van het hofarrest):“Het hof neemt, net als kantonrechter, tot uitgangspunt bij zijn toetsing dat in ieder geval sprake is van een niet redelijk voordeel ten behoeve van de verhuurder indien en voor zover de huurder niet is gebaat door de prestatie waarvoor de desbetreffende vergoeding in rekening wordt gebracht — waaronder het hof mede begrijpt het geval waarin de verhuurder zelf in overwegende mate is gebaat bij die prestatie — en dat dit nog niet betekent dat de kosten waardoor de huurder wel is gebaat zonder meer als redelijk dienen te gelden, maar dat al naar gelang de aard van dergelijke kosten en de omstandigheden van het geval deze ook als niet redelijk kunnen worden aangemerkt.” 12. Hierover werd in cassatie geklaagd in onderdeel 2.1 van het cassatiemiddel. De Hoge Raad vat deze klacht samen als volgt (r.o. 3.4):“(…) Het hof gaat er volgens het onderdeel aan voorbij dat het ieder der partijen vrijstaat bij een overeenkomst een voordeel voor zichzelf te bedingen zonder dat daar een specifieke verplichting tegenover staat. Daarmee wordt tevens de strekking van art. De kantonrechter: verklaart voor recht dat het beding dat [eisers] bij het afsluiten van de huurovereenkomst met Camelot Beheer een bedrag van € 202,50 aan “kosten toegang en onderhoud Mycastle” verschuldigd waren en het beding dat [eisers] bij het afsluiten van de huurovereenkomst met Camelot Beheer een bedrag van € 100,00 aan schoonmaakkosten verschuldigd waren onredelijk zijn; verklaart deze bedingen nietig; veroordeelt Camelot Beheer tot betaling van: - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening aan [eiser sub 1] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening aan [eiser sub 2] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening [eiser sub 3] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening aan [eiser sub 4] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening aan [eiser sub 5] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening [eiser sub 6] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening [eiser sub 7] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening [eiser sub 8] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening [eiser sub 9] ; - € 302,50 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2018 tot aan de voldoening [eiser sub 10] ; - € 517,28 aan buitengerechtelijke incassokosten; veroordeelt Camelot Beheer in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op:exploot € 98,01salaris € 420,00griffierecht € 226,00 -----------------totaal € 744,01voor zover van toepassing, inclusief btw; veroordeelt Camelot Beheer in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat Camelot Beheer niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.