ECLI:NL:HR:1930:9
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN , in de zaak (No 6452) van: 1. [eischer 1] , weduwe van [de overleden echtgenoot] , wonende te [plaats] , 2. [eischer 2] , wonende te [plaats] , 3. a. [eischer 3] , echtgenoote van [de echtgenoot] , wonende te [plaats] , b. [de echtgenoot] , wonende te [plaats] , zoo voor zich als tot bijstand en machtiging van zijne voornoemde echtgenoote, eischers tot cassatie van het op 16 Januari 1930 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tusschen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. J.W.Dekker, advocaat bij den Hoogen Raad. Tegen : 1. [verweerder 1] , en 2. [verweerder 2] , bouwondernemers, wonende te [plaats] , tezamen handelende onder den naam of firma [A] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A. N. Nicolspeyer, advocaat bij den Hoogen Raad. Partijen gehoord; Gehoord den Advocaat-Generaal BERGER, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing der zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde, met inachtneming van de door den Hoogen Raad te geven uitspraak verder te worden behandeld en beslist en tot veroordeeling van verweerders in de kosten op de behandeling in cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat de verweerders in cassatie voor wijlen [de overleden echtgenoot] , in wiens rechten zijn getreden de eischers tot cassatie, in 1922 voor den prijs van f 4100 .- hebben aangenomen de gedeeltelijke verbouwing van het benedengedeelte van een pand te [plaats] , overeenkomstig bestek en voorwaarden opgesteld door den architect [de architect] , die ook de plannen en teekeningen voor het werk in gereedheid heeft gebracht; dat, nadat het werk was gereedgekomen en de aannemingssom was betaald, [de overleden echtgenoot] , stellende dat het gebouwde na de oplevering is gaan verzakken en de muren scheuren zijn gaan vertoonen, bij inleidende dagvaarding heeft gevorderd de hoofdelijke veroordeeling van de aannemers [verweerders] en den architect [de architect] tot vergoeding van de schade, door hem tengevolge van de bij dagvaarding omschreven wanpraestatie geleden en nog te lijden; dat de Rechtbank te Rotterdam, na bij vonnis van 7 April 1927 een onderzoek door deskundigen te hebben bevolen bij vonnis van 14 November 1927 het beroep van [eisers] op het bepaalde bij artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek heeft verworpen, omdat de gebreken van het gebouw in geen geval binnen afzienbaren tijd tot een instorting van het gebouwde zullen kunnen leiden, en, na ook de wanpraestatie als grondslag voor de ingestelde vordering te hebben verworpen, die heeft ontzegd; dat de rechtverkrijgenden van den inmiddels overleden [de overleden echtgenoot] in hooger beroep als eerste grief tegen laatstvermeld vonnis hebben aangevoerd, dat de rechtbank bij haar beslissing omtrent de vordering, voor zoover gegrond op het geheel of gedeeltelijk vergaan van het gebouwde, ten onrechte is uitgegaan van het standpunt, dat vergaan bedoeld is artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek beteekent instorten; dat het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 15 November 1928 heeft beslist, dat "geheel of gedeeltelijk vergaan" in voormeld wetsartikel omvat zoodanige ernstige gebreken, dat daardoor het gebouwde niet meer voldoet aan de eischen, welke daaraan overeenkomstig zijne bestemming mogen worden gesteld, en voorts de ingestelde vordering heeft toegewezen, behoudens de gevraagde hoofdelijkheid der veroordeeling; dat vervolgens de Hooge Raad bij zijn arrest van 14 November 1929 het door de thans verweerders ingestelde principaal beroep in cassatie, voor zoover dit den architect [de architect] betrof, niet-ontvankelijk heeft verklaard en het door laatstgenoemden [de architect] ingesteld incidenteel beroep in cassatie eveneens niet-ontvankelijk heeft verklaard, en voorts, als vaststaande aannemende, dat de gebreken aan het gebouw niet van dien aard zijn, dat zij tot geheele of gedeeltelijke instorting van het gebouw zullen leiden, en beslissende, dat dan van een geheel of gedeeltelijk vergaan van het gebouw in den zin van artikel 1645 geen sprake is, het vermelde arrest van het Hof te 's-Gravenhage voor zoover gewezen tusschen de thans eischers en de thans verweerders, heeft vernietigd met verwijzing van het geding naar dat Hof; Overwegende dat het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij zijn nu bestreden arrest van 16 Januari 1930, voor zoover thans van belang, heeft geoordeeld, dat artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek de aansprakelijkheid van architect en aannemers na oplevering en goedkeuring van het gebouwde regelt en daarmede verdere aansprakelijkheid terzake van gebreken in de samenstelling van het gebouwde of de ongeschiktheid van den grond uitsluit, en, nu de gestelde gebreken niet van dien aard zijn, dat het gebouwde geheel of gedeeltelijk is vergaan in den zin van vermeld wetsartikel, heeft beslist, dat de Rechtbank te Rotterdam de ingestelde vordering tegen de thans verweerders terecht heeft ontzegd; Overwegende dat de eischers tot cassatie als middelen van cassatie aanvoeren: I. Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede van de artikelen 1279, 1280, 1281, 1282, 1283, 1374 , 1375, 1376; 1401 en 1402 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, doordat het Hof heeft beslist, dat artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek de aansprakelijkheid van architect en aannemers na oplevering en goedkeuring van het gebouwde regelt, en daarmede verdere aansprakelijkheid terzake van gebreken in de samenstelling van het gebouwde of de ongeschiktheid van den grond uitsluit, op grond van welke overweging het Hof, feitelijk aannemende, dat de gestelde gebreken niet van dien aard zijn, dat het gebouwde geheel of gedeeltelijk is vergaan in den zin van artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek, de aansprakelijkheid van verweerders in cassatie daarvoor niet heeft aanvaard; - zulks ten onrechte: naardien artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek niet zoozeer een byzondere aansprakelijkheid van aannemer en architect na oplevering en goedkeuring van het gebouwde regelt, doch in de daar genoemde speciale gevallen een vermoeden van schuld voor den aannemer en architect vestigt, die daarnaast volgens algemeene beginselen ook aansprakelijk zijn voor andere gebreken van het opgeleverde, die op het oogenblik der oplevering nog niet kenbaar waren, in welke andere gevallen echter de schuld van den aannemer of den architect moet worden bewezen; II. Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 59, meer speciaal sub 30 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 162 der Grondwet en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, naardien het Hof heeft nagelaten op het tweede gedeelte van de eerste door eischers in cassatie als appellanten tegen het vonnis der Rechtbank te Rotterdam aangevoerden grief, te weten de ondeugdelijkheid van het deskundigenrapport om als bewijsmiddel te dienen, te beslissen, alsmede op het verzoek en de daartoe strekkende conclusie van toenmalige appellanten om een hernieuwd deskundigenonderzoek te gelasten; Overwegende dat artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek niet eene uitdrukkelijke regeling geeft van het geval dat een gebouw, na voor een bepaalden prijs te zijn aangenomen en afgemaakt, zonder te vergaan gebreken vertoont, welke zijn toe te schrijven aan de samenstelling van het gebouw of aan de ongeschiktheid van den grond; dat ook uit niets blijkt, dat de strekking van artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek is om in het zooeven vermelde geval zonder meer de aansprakelijkheid van de bouwmeesters en de aannemers uit te sluiten, hetgeen zou moeten blijken, wil niet naar het voorschrift van artikel 1355 van het Burgerlijk Wetboek deze aansprakelijkheid, bij gebreke van byzondere regeling, te beoordeelen zijn naar de algemeene regelen, vervat in den eersten en tweeden Titel van Boek III van het Burgerlijk Wetboek; dat veeleer de strekking van artikel 1645 is om, zooals de artikelen 1641, 1642 en 1643 een byzondere regeling geven uitsluitend voor het vergaan van het werk vóór de oplevering zonder overigens den aannemer vrij te stellen van aansprakelijkheid voor de niet behoorlijke naleving zijner contractueele verplichtingen ingeval het werk niet vergaat, slechts een byzondere regeling te geven voor het geval, dat een gebouw, voor een bepaalden prijs aangenomen en afgemaakt, binnen den daar bepaalden tijd vergaat door een gebrek in de samenstelling of uithoofde van de ongeschiktheid van den grond, door in dat geval de bouwmeesters en aannemers aansprakelijk te stellen zonder nader bewijs van de niet behoorlijke naleving hunner contractueele verplichtingen en ongeacht de goedkeuring van het werk; dat het Hof door blijkens het aangevallen arrest te beslissen, dat artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek na de oplevering en goedkeuring van het gebouwde aansprakelijkheid van den aannemer uitsluit voor gebreken in de samenstelling van het gebouwde of voor ongeschiktheid van den grond, indien een of ander niet het geheel of gedeeltelijk vergaan van het gebouwde tengevolge heeft, aan gemeld wetsartikel eene verkeerde toepassing heeft gegeven; dat derhalve het eerste middel van cassatie is gegrond; dat, waar uit dien hoofde het aangevallen arrest zal moeten worden vernietigd, het tweede middel van cassatie buiten onderzoek kan blijven; Vernietigt het bestreden arrest; Verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, ten einde, met inachtneming van de uitspraak van den Hoogen Raad, de zaak verder te behandelen en te beslissen. Veroordeelt de verweerders in de kosten op de cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest aan zijde van de eischers begroot op negen en twintig gulden tachtig cent aan verschot en op vijfhonderd gulden voor salaris. Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, Vice-President, Kosters, Van den Dries, Van Gelein Vitringa en Polak, Raden, en door voornoemden Vice- President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den dertienden November 1900 Dertig, in bijzijn van den Advocaat- Generaal Berger.