ECLI:NL:HR:2021:1288
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/05544 Datum 21 september 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 13 september 2005, nummer 24-000711-05, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door [betrokkene 1]. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens [verdachte] bij schriftuur en bij aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [betrokkene 1] in het cassatieberoep. 2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Degene op wiens naam een vonnis of arrest staat, moet worden aangemerkt als degene te wiens laste die uitspraak is gewezen. Die persoon is de verdachte in de strafzaak. Ingevolge artikel 427 van het Wetboek van Strafvordering kan het beroep in cassatie slechts worden ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie. 2.2 Gelet hierop en in aanmerking genomen dat op grond van het procesverloop, zoals weergegeven in de conclusie van de procureur-generaal onder 1, 5 en 7, moet worden aangenomen dat degene namens wie het cassatieberoep is ingesteld, [betrokkene 1], niet de verdachte is te wiens laste het bestreden arrest is gewezen, kan [betrokkene 1] niet in het beroep worden ontvangen. 2.3 Opmerking verdient nog het volgende. De in deze zaak uitgesproken veroordeling betreft “[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats]”. Het is, voor zover de tenuitvoerlegging van het op de naam van deze persoon gewezen arrest is toegelaten, uitsluitend deze persoon op wie de tenuitvoerlegging van de bij het arrest opgelegde straf betrekking mag hebben. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2021 .