ECLI:NL:RBAMS:2024:7298
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/753485 / HA RK 24-224 EAM/RS
Eindbeschikking van 14 november 2024
in de zaak van
1. de vennootschap onder firma
[verzoekster 1]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] , en
2. [verzoekster 2],
3. [verzoekster 3],
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoeksters,
advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK AMSTERDAM,
verweerder.
1 De procedure
Verzoekster sub 1 is bij tussenbeschikking van 15 oktober 2024 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 29 oktober 2024 een inkomensverklaring over te leggen.
Op 29 oktober 2024 heeft mr. Loonstein bij e-mail (met bijlagen) de rechtbank bericht waarbij een inkomensverklaring ontbreekt.
De eindbeschikking is bepaald op heden.
2 Gronden van de beslissing
Uit voormelde e-mail met bijlagen volgt – kort gezegd – dat de Raad voor de Rechtsbijstand (de Raad), volgens haar vaste beleid, aanvragen van een vof afwijst en dat de vennoten als natuurlijke personen een inkomensverklaring kunnen aanvragen. De verzochte inkomensverklaring van verzoekster sub 1, een vof, ontbreekt dus. Mr. Loonstein is het oneens met dit beleid en heeft daarover contact opgenomen met de Raad. De Raad heeft volgens mr. Loonstein toegezegd naar dit beleid te kijken en mr. Loonstein sluit niet uit dat alsnog een inkomensverklaring wordt afgegeven maar niet op korte termijn. Gelet op het voormelde geeft mr. Loonstein de rechtbank in overweging om over te gaan tot nihilstelling van het griffierecht.
3 De beoordeling
3.1. Zoals volgt uit de artikelen 16 lid 1 Wgbz en 3.3 van het Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken wordt griffierecht voor onvermogenden geheven indien een inkomensverklaring is overgelegd.
Omdat de verzochte inkomensverklaring van verzoekster sub 1 ontbreekt is het griffierecht voor vermogenden van toepassing. De griffier van team handelszaken heeft daarom terecht op 28 juni 2024 een bedrag van € 2.751,-- aan griffierecht bijgeheven.
De rechtbank ziet thans geen aanleiding om het griffierecht op nihil te stellen in afwachting van een eventuele beleidswijziging van de Raad.
3.2. Het verzet tegen de beslissing van de griffier is daarom ongegrond.
4 De beslissing
De rechtbank
verklaart het verzet tegen de beslissing van de griffier ongegrond.
Deze eindbeschikking is gegeven door mr. E.A. Messer, rechter, op 14 november 2024.
type: RS
coll: CB