BWBR0001876
Geldig vanaf 1909-09-27
Artikel 30
Schepenwet
1. De artikelen 7, tweede lid, 8, 8a , 9, 1011, 13, 14, 15, tweede en derde lid, 16, tweede en derde lid, 17, 19, 23, eerste lid, en 25 van de Wet op de Parlementaire Enquêtezijn, voorzover zij niet afwijken van de voorgaande bepalingen van deze rijkswet, van toepassing op het onderzoek, in te stellen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie of de door hem krachtens artikel 29, eerste lid, met het onderzoek belaste ambtenaren en door de Raad.
2. Dezen komen dezelfde bevoegdheden toe als bij die artikelen aan de aldaar bedoelde commissie van onderzoek zijn toegekend.
3. Nochtans zal in het geval, geregeld bij artikel 13der in het eerste lid genoemde wet, het bevel van medebrenging mede door den voorzitter van den Raad kunnen worden verleend.
4. Ten aanzien van de Commissies van Onderzoek, bedoeld in artikel 26bis, eerste, tweede en derde lid, en de aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Aruba, Curaçao of Sint Maarten worden overeenkomstige regelen bij Landsverordening gesteld.
2. Dezen komen dezelfde bevoegdheden toe als bij die artikelen aan de aldaar bedoelde commissie van onderzoek zijn toegekend.
3. Nochtans zal in het geval, geregeld bij artikel 13der in het eerste lid genoemde wet, het bevel van medebrenging mede door den voorzitter van den Raad kunnen worden verleend.
4. Ten aanzien van de Commissies van Onderzoek, bedoeld in artikel 26bis, eerste, tweede en derde lid, en de aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Aruba, Curaçao of Sint Maarten worden overeenkomstige regelen bij Landsverordening gesteld.